Over de arme b.b.

DIE VERHALEN van Brecht (1898-1956) zijn bijna allemaal al eens eerder ergens in vertaling verschenen. Maar nu is het briljante proza van de Duitse dichter die twee wereldoorlogen (de Eerste en de Tweede) overleefde - en de Derde (de Koude Oorlog) niet - eindelijk bij elkaar vergaard in een mooi boek, dank aan M. en L. Coutinho, Martin Mooij en Ton Naaijkens. Het hoogtepunt in deze bundel van Meulenhoff/Kritak vormen de verhalen van meneer Keuner, waaraan Brecht in 1926 begon en waaraan hij tot één jaar voor zijn dood werkte. Keuner is een keiner, een niemand, een in losse observaties, wellustig hardop denkende, praktische filosoof.

Keuner is eigenlijk Brecht zelf. Een paar voorbeelden.(De besten hebben het moeilijk(’(“Waaraan werkt u?” vroeg men meneer K.. Meneer K. antwoordde: “Ik heb het erg druk, ik bereid mijn volgende vergissing voor.”(’(Het weerzien(‘Een man, die meneer K. lang niet had gezien, begroette hem met de woorden: “U bent volkomen onveranderd.” “O!” zei meneer K. en verbleekte.’(Meneer K. en lyriek('Na het lezen van een bundel gedichten zei meneer K.: “De kandidaten voor openbare functies mochten in Rome, wanneer zij op het Forum optraden, geen gewaden met zakken dragen, opdat zij geen steekpenningen konden accepteren. Zo zouden lyrische dichters geen mouwen mogen hebben, opdat zij er geen verzen uit kunnen schudden.’
HET IS EEN mooi boek, die bundel verhalen, ook door het nawoord van Ton Naaijkens, die ergens in dat essay opeens een citaat van Brecht weet op te diepen dat tot het cement van zijn werk hoort: 'Weinigen zijn er die in staat zijn onder te gaan, met huid en haar stuk te gaan, met verpletterde handen eropuit te kruipen. De meerderheid verrekt in verenigingen. Sterft als een rat, houdt gewoon op. Blijft een rat, functioneert niet meer. De dood als ongeluk.’
Het is Naaijkens’ vertaling van een dagboeknotitie uit 1920, Brecht was toen 22. De notitie bevat in alle opzichten een beeld van wat Brecht niet en nooit wilde zijn. En tevens een scherpe observatie van zijn eeuwige tegenstanders: het kleinburgerlijke milieu waaruit hij snel probeerde te ontvluchten, de fascisten in Duitsland, de communistenjagers in Amerika, en uiteindelijk de staatssocialistische bureaucraten in de DDR.
Zo staat Bertolt Brecht dan ook in het boekje Bluff Your Way In Theatre (1986): 'De Tweede Wereldoorlog verstoorde wreed het werk van Bertolt Brecht, die in de jaren dertig in Duitsland probeerde om episch ensembletheater van de grond te tillen. Adolf Hitler versloeg hem en Brecht vluchtte naar Amerika, waar zijn pogingen om politiek theater te maken werden gemangeld in de McCarthy-processen. De arme Brecht vluchtte terug naar Duitsland, richtte daar het Berliner Ensemble op, en stierf.’
Zo kún je Brecht ook samenvatten. Er is in dit Brecht-jaar door velen gemonkeld over de zogenaamde overschatting van Bertolt Brecht voor de betekenis van het theater in de twintigste eeuw. In dat gezeur zit een berg Koude-Oorlogretoriek. De uitgave van zijn volledige werk - Grosse kommentierte Berliner und Frankfurter Ausgabe (uitgegeven door Suhrkamp, ruim dertig delen, onlangs voltooid) bewijst het tegendeel. Brecht schreef vanaf zijn jonge jaren vrij geniale toneelstukken, hij regisseerde zijn werkzame leven lang, hij formeerde - tot 1933 en na terugkeer in Duitsland in 1949 - uitdagende combinaties van ontwerpers, componisten, acteurs en regisseurs.
Hij was een inventief theaterleider. Hij bedacht een concept voor een andere manier van toneelspelen, die haaks stond op het inlevende, psychologische realisme van de Rus Stanislavski. Hij verwoordde die theorie, zodat anderen er tot in lengte van jaren mee aan de haal konden gaan.
En daarnaast was hij ook nog de beste Duitstalige dichter van deze eeuw. Brecht is beduidend meer dan de stip in de literatuurgeschiedenis die de gestaalde kaders der anticommunistische criticasters heden ten dage van hem willen maken. Zijn verzameld werk bestond al, tussen 1958 en 1967 bij Suhrkamp uitgegeven. De stichter van die uitgeverij, Peter Suhrkamp, was een van Brechts grootste vrienden. Hij kon het ook niet helpen dat Duitsland op het moment dat Brecht stierf (1956) hopeloos verdeeld was - Suhrkamp haalde, door de bureaucratie van grenscontroles, de begrafenis van Brecht net niet. Veel materiaal bleef achter slot en grendel van de erven en de stalinistische bureaucratieën. Steeds als er een Brecht-jubeljaar was te vieren, kwamen de Bondsrepubliek en de DDR met concurrerende uitgaven. In 1989 werd eindelijk tot een gezamenlijke publicatie van ál het werk besloten. De archieven aan beide kanten van de gevallen Berlijnse Muur gingen open. En het resultaat staat er nu in die ruim dertig kloeke delen. De dagboeken zijn compleet, Brechts erotische poëzie is aan de censuur ontsnapt, en ook zijn brieven worden nu gepubliceerd (de drie laatste delen van de reeks). De in Brechts toneelwerk geïnteresseerde individuen kunnen nu ook beschikken over de diverse versies van zijn theaterstukken. Brecht herschreef zijn teksten vanaf zijn beginwerk (Baal) tot het eind van zijn leven (Galilei), en alle versies zijn nu beschikbaar. De liefhebber moet er wel zo'n 2500 DM (bijna drieduizend gulden) voor neertellen. Ik kan u verzekeren: het is de moeite waard. Meer dan dat.
BIOGRAFIEEN van Brecht waren er al. Begin jaren zeventig kwam Klaus Völker met een nogal tendentieus geschreven boek dat ook in het Nederlands is vertaald (niet meer te krijgen). En in het jubeljaar 1978 (Brecht: 80) werd aan beide zijden van de Berlijnse Muur een fotobiografie uitgebracht. Vier jaar geleden publiceerde John Fuegi, professor te Maryland (USA) zijn geruchtmakende, vuistdikke pil Brecht & Co: Sex, Politics and the Making of Modern Drama. Hij had ruim zevenhonderd pagina’s nodig om uit te leggen dat Brecht het leeuwendeel van zijn toneelwerk niet zelf heeft geschreven, maar heeft laten maken door zijn talloze minnaressen, waarna hij er het waarmerk 'Brecht’ op heeft gezet.
Fuegi’s boek is indertijd gretig aangegrepen om de reputatie van Brecht te slopen, met moraalridderlijke hoempapa over de kunstenaar als rokkenjager en nogal wat onbewezen roddels. Het antwoord op dit boek van deze regelrechte literair-historische oplichter kwam dit jaar uit Duitsland. Sabine Kebir (1949), literatuurhistoricus uit Leipzig heeft over 'de kwestie Brecht en de vrouwen’ maar liefst twee boeken geschreven: Ein akzeptabeler Mann? Brecht und die Frauen en Ich fragte nicht nach meinem Anteil: Elisabeth Hauptmanns Arbeit mit Bertolt Brecht. Even voor de duidelijkheid: Elisabeth Hauptmann is de vrouw die volgens John Fuegi het leeuwendeel heeft geschreven van Brechts eerste echte theaterhit, De Driestuiversopera.
DE TWEE boeken zijn om minstens twee redenen interessant. Sabine Kebir toont op overtuigende, zakelijk geformuleerde wijze aan dat Fuegi een wezenlijk element in de werkwijze van Brecht niet heeft begrepen. De schrijver had altijd medewerksters om zich heen - en niet alleen vanwege zijn bijna onverzadigbare libido. Hij introduceerde, zeker waar het zijn toneelwerk betreft, een collectieve manier van werken. Hij wilde dat mensen met hem mee dachten, hij wenste ruw materiaal, ideeën voor stukken, ontwerpen voor teksten, scènes, dialogen. Uiteindelijk was hij eindverantwoordelijk, hij concipieerde (en verbeterde en herschreef) de eindversies die bijna nooit eindversies werden. En hij vermeldde altijd fatsoenlijk dat Hauptmann, Berlau, Steffin 'Künstlerische Mitarbeit’ hadden geleverd. Dat deze dames behalve het werk ook het bed met hem deelden doet in de beoordeling van het werk niet terzake.
Dat Brecht uiteindelijk de definitieve versie van de teksten maakte, wordt zonneklaar wanneer de lezer de toneelteksten achter elkaar leest: er is sprake van één handtekening, één stilistisch herkenbaar smoel. Sabine Kebir maakt dit in haar boeken helder aan de hand van getuigenissen en dagboeken van met name Elisabeth Hauptmann. Ze vermijdt bekwaam de ranzige speculaties waarop de Amerikaan Fuegi zich zogenaamd baseert. En wat de rokkenjagerij betreft: de Brecht-vrouwen in Sabine Kebirs boeken geven ruiterlijk toe dat er, met name in de jaren twintig en dertig, van beide kanten, door Brecht én door zijn vriendinnen, ruimschoots werd geëxperimenteerd met de vrije liefde. En om daar anno jaren negentig de knoet van de moraalridder overheen te halen - tja, wat moet je daar eigenlijk mee? Fuegi is een vervelende moralist. Pas je zijn criteria consequent toe, dan kunnen we een niet onaanzienlijk deel van de wereldliteratuur in de vuilcontainer flikkeren.
Velen hebben zich in dit jubel-Brecht-jaar opnieuw afgevraagd waarom Bertolt Brecht in 1949 gekozen heeft voor de toen kersverse DDR in plaats van voor de West-Duitse Bondsrepubliek. Dat is een domme vraag. Brecht had geen keus. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft hij in de Verenigde Staten twee jaar zitten wachten om naar zijn eigen land terug te kunnen keren - hij was door de nazi’s in 1937 'ontduitst’, zijn staatsburgerschap was hem afgenomen.
In 1947 raakte hij betrokken bij de communistenjacht van senator McCarthy. Hij moest een vernederend - maar vrolijk en met veel humor doorstaan - verhoor ondergaan door de Commissie van OnAmerikaanse Activiteiten (met Richard Nixon als secretaris). Als door Amerika uitgekotste balling vluchtte hij naar Zürich, ongeduldig wachtend op een signaal uit Berlijn. Dat maar niet kwam.
ONDERTUSSEN was de Koude Oorlog uitgebroken. Berlijn en Duitsland waren opgedeeld, in het Westen werd Brecht (als ex-communist - die hij niet was, hij was marxist, en daarenboven vooral kunstenaar) gewantrouwd. Vrienden noodden hem naar het door de Sovjetunie gecontroleerde stadsdeel van Berlijn.
In zijn verhalen over de heer Keuner verwoordde Brecht dat dilemma aldus: 'Meneer K. verkoos de stad B boven de stad A. In de stad A, zei hij, mag men mij graag, maar in de stad B was men vriendelijk tegen mij. In de stad A was men mij behulpzaam, maar in de stad B had men mij nodig. In de stad A noodde men mij aan tafel, maar in de stad B noodde men mij in de keuken.’
Brecht hield van gesprekken aan keukentafels. Van de keukentafels in de DDR heeft hij overigens weinig kunnen genieten. Goed, hij kreeg een mooi huis, hij kon een aardig buitenhuis in Buckow kopen, hij reed in een prachtige auto, en hij kreeg de gelegenheid om eindelijk een eigen toneelensemble te formeren en daar zijn eigen werk te ensceneren. Maar erg prettig heeft hij het in de staatssocialistische republiek niet gehad. Brecht werd er als coryfee binnengehaald, en vervolgens eindeloos getreiterd en vernederd. Er hijgden bureaucraten uit de eenheidspartij SED in zijn nek, er zaten stalinistische retenlikkers bij zijn repetities, er werden voorstellingen verboden. De echte biografie in dit Brecht-jaar meldt daarover onthutsende feiten.
Ze werd gemaakt door Werner Hecht, Brecht-kenner-buiten-categorie. Hij koos ook niet voor een biografie. En hij noemde zijn vuistdikke boek Brecht Chronik. Van dag tot dag, van week tot week, van maand tot maand volgt Hecht zijn subject op de voet. Rijkelijk puttend uit die nieuwe uitgave van Brechts volledige werk, waaraan hij zelf intensief meewerkte, schrijft hij het gedroomde dagboek van diens leven.
Het is een - rijk geïllustreerde - encyclopedie van het gaan en staan, leven en werken, plezier en lijden van Hechts beroemde landgenoot. Het boek - ruim dertienhonderd pagina’s (148 DM, zo'n 175 gulden) is een schatkamer voor iedereen die zich in de komende tijd met het werk van Brecht wil bezighouden. Het boek leest als een trein, juist omdat het zo compact is geschreven. Het bevat een schat aan documentatie, bijvoorbeeld cruciale citaten uit alle recensies over Uraufführungen van zijn stukken. Het is rijk geïllustreerd. Het bevat schokkende feiten, bijvoorbeeld over Brechts eindeloze vlucht voor de nazi’s - van Duitsland naar Denemarken, naar Zweden, naar Finland, naar Rusland, naar de Verenigde Staten, de nationaal-socialistische opmars steeds net een stap voor, omdat hij wist dat hij anders verloren zou zijn.
HET BOEK geeft een goed beeld van de ongelooflijke hectische haast waarmee Brecht schreef. Alsof de dood hem op de hielen zat - wat in zekere zin ook zo is geweest. Hij moet geweten hebben dat hij 'in geleende tijd’ leefde. Brecht had van jongsaf aan hartproblemen, waaraan hij uiteindelijk ook is gestorven, na een foute diagnose van DDR-artsen (griep in plaats van de hartaanval die hij waarschijnlijk drie dagen voor zijn dood al had gehad).
'Bij de aardbeving/ die zeker komt/ zal ik hopelijk/ mijn Virginia niet laten uitwaaien van bitterheid/ Ik/ Bertolt Brecht/ verslagen in de asfaltsteden/ gekomen uit donkere bossen/ in mijn moeder/ in vroeger tijd’ (uit Vom armen B.B., 1927). Met deze Brecht Chronik heeft de Duitse cultuur zijn verloren zoon eindelijk in de armen gesloten, en hem het monument gegeven waarop hij al zo lang recht had.