Interview met Steve Coll

‘Over de Bin Ladens bestaan vooral clichés’

De Amerikaanse journalist Steve Coll schreef een fascinerend portret van de familie Bin Laden, en daarmee van de complexe relatie van Arabische elites met het Westen. ‘Osama staat midden in de moderniteit.’

Als er rond 1900 niet onverwacht, ergens in Oost-Jemen, een os was gestorven, waren de aanslagen op het World Trade Center, de oorlog tegen terrorisme en de westerse inval in Afghanistan ons wellicht bespaard gebleven, schrijft Steve Coll in De Bin Ladens. De eigenaar van de os behoorde tot een machtige nomadenstam, en de arme Awadh bin Laden had het beest geleend om zijn akker te ploegen, toen het noodlot toesloeg. De Bin Laden-clan kon de os niet vergoeden. Awadh vluchtte naar een naburige regio. Hij trouwde daar, maar stierf vroeg, waardoor er voor zijn zoons Mohammed en Abdullah weinig anders op zat dan verder te trekken op zoek naar werk. Na omzwervingen in Arabië en Afrika, waar Mohammed een oog kwijtraakte, streken de prille tieners neer in de Saoedische havenstad Jeddah en zochten werk in de bouw. Enkele decennia later leidde Mohammed bin Laden het grootste bouwbedrijf van Saoedi-Arabië. Hij voerde prestigieuze projecten uit in de heiligdommen van Mekka, Medina en Jeruzalem en bracht het tot beschermeling van de Saoedische koning. Hij schonk het leven aan 54 erkende zoons, onder wie ’s werelds bekendste terrorist.

Het familierelaas van de Bin Ladens is een fascinerend verhaal, en tweevoudig Pulitzerprijswinnaar Steve Coll is bij uitstek geschikt om het te vertellen. Coll werkte drie jaar aan het boek, waarvoor hij in ruim vijftien landen zo’n 150 mensen interviewde: Bin Ladens, familie, vrienden, werknemers, klasgenoten. De 49-jarige Coll begon zijn loopbaan als redacteur van een klein maandblad in Californië, werkte zich daarna bij de Washington Post op tot financieel redacteur, correspondent in Londen en India en werd uiteindelijk adjunct-hoofdredacteur. Hij verliet de krant nadat hij zijn tweede Pulitzerprijs had gekregen, voor Ghost Wars: The Secret History of the CIA, Afghanistan and Bin Laden, en richt zich nu volledig op het schrijven. Sinds vorig jaar is hij directeur van de New America Foundation, een progressieve denktank die de ingesleten Amerikaanse tegenstelling tussen Democraten en Republikeinen tracht te overstijgen. Prominente leden zijn de filosoof Francis Fukuyama en _Newsweek-_commentator Fareed Zakaria.

Hoewel zijn denktank politieke commentaren en analyses uitdraait, wilde Coll met De Bin Ladens geen politiek commentaar geven. ‘Ik wilde het verhaal voor zichzelf laten spreken’, zegt Coll, die deze week in Nederland was. ‘Over de Bin Ladens bestaan vooral clichés, vooral natuurlijk over Osama. Ik wilde de mondiale identiteit van deze familie laten zien en hoe Osama daarin past. Hij is absoluut niet de bebaarde idioot die terug wil naar de Middeleeuwen. Net als zijn familie staat Osama midden in de moderniteit, in het hart van de economie en politiek van een globaliserende wereld. En net als zijn familie is hij juist succesvol vanwege zijn moderniteit: zijn inventiviteit met technologie, het creëren van netwerken en organisaties, het leiding geven, het manipuleren van de media, het creëren van het merk al-Qaeda.’

Het vlot geschreven boek draait maar deels om Osama, en de terroristische aanslagen spelen een kleine rol. Coll vindt de terrorist ook niet het interessantste personage in de Bin Laden-familie: ‘Niet omdat ik zijn daden afkeur, maar omdat hij uit alle anekdotes naar voren komt als rigide, uiterst koppig en gesloten. Een veel interessantere persoon is Osama’s vader, een werkelijk bewonderenswaardig man. Niet omdat hij een groot fortuin opbouwde vanuit het niets, zonder opleiding, zonder steun, met maar één oog. Maar vanwege zijn stijl van handelen: hoe hij in een woestijnsamenleving steeds naar de toekomst keek, nieuwe paden insloeg, zijn kinderen tot ver boven zijn niveau liet opleiden, zijn openheid voor technologie, zijn inventiviteit en durf, de diversiteit en tolerantie in zijn bedrijf.’ Door die eigenschappen kon Mohammed bin Laden zich opwerken in Saoedi-Arabië, waar de bouwmogelijkheden vanaf de jaren dertig ongekend waren door de olierijkdom, maar waar de corruptie, verkwisting, egoïsme en wanbetaling van de koninklijke familie een chaotische en informele manier van zakendoen vereisten die westerse bedrijven radeloos maakte.

Toch kent het Bin Laden-relaas een nóg markantere figuur: Osama’s oudste broer Salem, het hoofd van de familie na Mohammeds dood. Uit Colls boek komt Salem naar voren als uiterst onconventioneel, slim en charmant. Nadat Mohammed bin Laden was omgekomen door een fout van zijn Amerikaanse piloot werd Salem gekatapulteerd naar de leiding van een van de grootste en belangrijkste bedrijven van het Midden-Oosten. Hij was geen modelkandidaat: de 21-jarige Salem had zijn jeugd op Engelse kostscholen doorgebracht en was doorgaans tokkelend op zijn gitaar tussen zijn vele vage vrienden te vinden of met geld smijtend in Londense bars. Van de ene op de andere dag moest hij zich als edelman bewegen aan de hoven van het huis Saud, als directeur in de bestuurskamers van multinationals, als sjeik bij dorpsrechtbanken en als opdrachtgever bij enorme bouwprojecten.

Hij redde zich met dezelfde inventiviteit en hetzelfde charisma als zijn vader, plus een grote dosis merkwaardige humor, die hem vanwege zijn guitige, jongensachtige branie telkens werd vergeven. Geen plot was hem te ingewikkeld om mensen te grazen te nemen, hij liet graag scheten op de meest ongepaste momenten en reisde de wereld af met een entourage van hippies, levensgenieters en avonturiers. Ondertussen bouwde hij het bedrijf van zijn vader verder uit, tot een omvang en winst die voor Mohammed onvoorstelbaar zouden zijn geweest.

Het valt Steve Coll lastig om zijn favoriete Salem-anekdote te kiezen. Maar vooruit: ‘Er kan niets op tegen zijn huwelijksaanzoek aan vier westerse vrouwen tegelijk. Met koning Fahd wedden dat het hem zal lukken en dan die vrouwen uitleggen hoe hij het voor zich zag: een huizencomplex buiten Jeddah met VN-vlag erop, daarbinnen vier gebouwen elk met de nationale vlag van de vrouw die er woont, de auto’s uit hun landen voor de deur, de vrouwen erin. De Amerikaanse bedacht opeens: “Dan moet ik een Cadillac, als de Duitse een Mercedes krijgt.” Er zat zo veel humor in zijn verhaal.’ Het complex kwam er overigens nooit, en Salem stierf bij een vreemd ongeluk in Texas – weer met een vliegtuig, weer met een Amerikaanse connectie.

Behalve vanwege de mooie anekdotes is Salem van belang omdat hij een link werd tussen Osama’s jihadi’s in Afghanistan en hun financiers, de regeringen en geheime diensten van Saoedi-Arabië en de VS. Salem regelde de geldstromen en wapenleveranties aan zijn broer, toen die in de jaren tachtig tegen het Rode Leger vocht. In die tijd maakte Salem ook een film over de liefdadigheidsprojecten van Osama in de Afghaans-Pakistaanse grensregio – een film die waarschijnlijk president Reagan bereikte en hem de opmerking ontlokte dat ‘de humanitaire bijdragen’ van de moedjahedien in Afghanistan ‘niet onopgemerkt zijn gebleven’ en ‘ons diep hebben geraakt’.

Over families als de Bin Ladens bestaan grofweg twee clichés: dat van de ongeletterde, met haat vervulde woestijn-Arabieren en dat van met geld smijtende half-Amerikanen. Het laatste beeld schetste bijvoorbeeld Michael Moore in zijn documentaire Fahrenheit 9/11, waarin hij een Saoedische familie portretteert die half Amerika bezat en op de borrel kwam bij de Bushes en de Cheneys. Colls schets zit tussen die clichés in. Inderdaad was de familie Bin Laden veel dieper in de Amerikaanse economie doorgedrongen dan algemeen bekend is: ze bezaten winkelcentra, appartementen, landgoederen, kantoren, aandelenpakketten, een vliegveld en geprivatiseerde gevangenissen. Ze studeerden er en gingen om met Hollywoodsterren, Bush sr, prins Charles en jetsetfiguren. Maar ze vlogen niet, toen na 9/11 het luchtruim gesloten was, met speciale ontheffing de VS uit. Echt dierbaar waren de Amerikaanse vriendschappen van de Bin Ladens niet.

‘Het verhaal van de familie Bin Laden geeft een kijkje in het ongemakkelijke, geforceerde, door hebzucht gedreven en uiteindelijk voor beide zijden niet overtuigende verbond tussen de VS en Saoedi-Arabië in het olietijdperk’, schrijft Coll in zijn boek. We nemen aan dat moderne, mondiaal opererende elites in niet-westerse landen ‘verwesterd’ zijn, stelt Coll. Maar de vakanties in Las Vegas en de buitenhuizen in Engeland ten spijt, blijven families als de Bin Ladens vóór alles Arabisch. ‘Hun familiegeschiedenis toont dat er een centrum is in de Arabische wereld dat niet per definitie pro- of anti-Amerikaans is, maar Arabisch en modern. Dat biedt aanknopingspunten voor westers beleid, maar ook risico’s.’

Van dat laatste is Osama bin Laden het beste bewijs. Colls boek bewijst dat Osama niet het buitenbeentje was dat de familie nu van hem probeert te maken. Hij groeide niet op in het familiecomplex van de Bin Ladens, maar dat gold voor vele andere erkende zoons van Mohammed bin Laden. Osama werkte voor het familiebedrijf en zijn familie steunde hem met geld en materieel in Afghanistan, waar hij naam maakte als bouwmeester van de forten en verdedigingen van de jihadi’s, zoals Tora Bora. De spanningen met de familie kwamen pas later, toen Osama zich heftig keerde tegen de vestiging van Amerikaanse bases in Saoedi-Arabië, waar het familiebedrijf juist dik aan verdiende. Voor de familie waren de aanslagen van 2001 dan ook afschuwelijk, maar kwamen ze niet onverwacht. Een Amerikaanse beveiliger vertelde Coll hoe hij Najiah bin Laden, een van Osama’s zussen, gerust trachtte te stellen, toen zij enkele dagen na de aanslagen de VS verliet. Andere aanslagen bleken ook een andere dader te hebben dan de eerste verdachte, zei hij haar. ‘Nee’, antwoordde Najiah: ‘Dit was het werk van Osama.’

Steve Coll, The Bin Ladens, Penguin Benelux, 688 blz., € 25,-. Vertaald door Rob de Ridder en Joost Zwart: De Bin Ladens: Een Arabische familie in het hart van de wereld, Mouria € 25,-