Karen Russell, Vampires in the Lemon Grove

Over de concessies die we doen voor onze geliefden

Een mogelijke verklaring voor de vitaliteit van het korte verhaal in de Amerikaanse letteren – vergeleken bij, bijvoorbeeld, de Nederlandse – is de aanwas van creative writing-mfa’s in de Verenigde Staten. De belangrijkste bouwsteen van de Master of Fine Arts (een doorgaans tweejarige opleiding waar aspirant-schrijvers hun skills bijschaven) is de workshop, waarin studenten onder toeziend oog van een schrijver-professor elkaars werk lezen en bekritiseren. Een kort verhaal leent zich stukken beter voor zulk workshop-werk dan een hele roman – in elk geval voor wie zich niet nodeloos ongeliefd wenst te maken bij docent en medestudenten.

Amerika telt inmiddels honderden mfa-programma’s; de 32-jarige Karen Russell studeerde in 2006 af aan die van Columbia University, en datzelfde jaar kwam haar eerste verhalenbundel uit, St. Lucy’s Home for Girls Raised by Wolves (in het Nederlands verschenen als Het astronomische logboek voor zomermisdaden). Die verhalen speelden zich grotendeels af in Florida, waar Russell vandaan komt; hetzelfde gold voor haar roman Swamplandia!, die in 2011 verscheen en vorig jaar werd genomineerd voor een Pulitzer Prize. En nu is er Russells derde boek: Vampires in the Lemon Grove – opnieuw een verhalenbundel, met ditmaal een geografische reikwijdte die naast Amerika ook Italië, Japan en Antarctica bestrijkt.

In interviews noemt Russell steevast Stephen King als een van haar favoriete schrijvers en invloeden, en wie Vampires in the Lemon Grove leest begrijpt waarom: echt bloederig wordt het nooit, maar haar verhalen zijn borderline horror. De Japanse meisjes die in Reeling for the Empire in een zijdefabriek werken zijn gemuteerd tot halve zijderupsen, compleet met snorharen en vachtjes en een buik vol zijde; in The New Veterans behandelt een masseuse een veteraan wiens tatoeage onder haar handen tot leven komt. In The Graveless Doll of Eric Mutis vinden vier puberjongens in een troosteloos stadspark in New Jersey een vogelverschrikker met het gezicht en de kleding van een oud-klasgenootje; dat klasgenootje werd door de jongens al akelig wreed getreiterd, en de pop komt er niet veel beter af.

Wat maakt dat deze verhalen het horrorgenre overstijgen is niet zozeer Russells schrijfstijl – waar op zich niets op aan te merken valt, maar die toch net niet helemaal lekker weg leest – maar eerder de terloopse, universele observaties van haar personages. De hoofdpersoon uit het titelverhaal is een vampier die van zijn vrouw, Magreb, met wie hij al decennia samen is, heeft gehoord dat hij eigenlijk helemaal geen bloed nodig heeft om te overleven. Hij kan best tegen daglicht, en hoeft ook niet in een grafkist te slapen; dat zijn allemaal maar verhalen. Citroenen blijken bijvoorbeeld ook prima dorstlessers te zijn – vandaar dat Magreb en hij zijn neergestreken in een citroenboomgaard in Italië. Het voordeel van deze levensstijl is dat hij niet langer mensen hoeft te doden; nadeel is dat citroenen op geen enkele manier dezelfde voldoening en energie geven als een flinke portie bloed. ‘Magreb likes to say she freed me, disabused me of the old stories, but I gave up more than I intended: I can’t shudder myself out of this old man’s body. I can’t fly anymore.’ Die twee simpele zinnen raken aan iets fundamenteels, iets over verslaving en de prijs van nuchterheid; over de concessies die we doen voor onze geliefden – en hoe moeilijk het is om daar vervolgens zelf volledig de verantwoordelijkheid voor te nemen. Het verhaal Proving Up, over kolonisten die een raam nodig hebben om hun huis te kunnen claimen, laat zien tot welke extremen mensen kunnen gaan wanneer ze door niets anders op de been worden gehouden dan blinde, bange hoop; The New Veterans gaat behalve over trauma en herinnering ook over de schadelijke kanten van vergeten.

Hoewel de meeste verhalen in Vampires in the Lemon Grove behoorlijk sinister zijn, wordt het boek nooit creepy; The Barn at the End of Our Term, waarin overleden presidenten reïncarneren als paarden en niet zeker weten of ze nu wel of niet in de hemel zijn, en Dougbert Shackleton’s Rules for Antarctic Tailgating, waarin Russell de draak steekt met de bizarre Amerikaanse gewoonte om vóór een stadionwedstrijd volledig lazarus te worden op de parkeerplaats, zijn zelfs ronduit grappig. En het is hoe dan ook moeilijk om geen bewondering te hebben voor de fantasie van deze vrouw – een fantasie die eindeloos lijkt, en onvermoeibaar.

In een interview met Mother Jones vertelde Russell onlangs over de keer dat ze voor het eerst over het bestaan van mfa-programma’s hoorde: ‘It just sounded like this magic thing, fairy-tale style – that there was a school you could go to exclusively for the thing you loved.’ Geen wonder dat Russells fictie zo wild magisch-realistisch is: haar werkelijkheid is dat net zo goed.