Over de doden niets dan goeds

Opeens is er consternatie over victim art, een begrip dat staat voor kunst van mensen die het in het leven slecht hebben getroffen en daar wat van proberen te maken. De badinerende term is overgewaaid uit de Verenigde Staten, waar eind 1994 danscritica Arlene Croce in The New Yorker de staf brak over Still/Here van Bill T. Jones en de Arnie Zane Dance Company. De hiv- positieve Jones maakt daarin gebruik van dansende aids-patienten. Croce valt in haar essay fel uit tegen wat zij noemde ‘a travelling medicine show’.

Ze hoefde de voorstelling niet eens te zien om te kunnen vaststellen dat het hier ging om kunst die tot een instrument was gemaakt van een niet-artistieke zaak. Wat valt er nog te kritiseren wanneer de boodschap de dood is? Dan schiet toch elk woord tekort? En wat erger is: hoe kun je ooit van stervenden zeggen dat ze slecht zijn? Of dat ze het ook anders hadden kunnen doen? En wat voor zin heeft het te zeggen dat ze goed zijn? Sterven is de kritiek voorbij. Still/Here is voor Croce een teken van het einde van de artistieke ‘belangeloosheid’ waarin de 'grandeur van de individuele geest de politieke moraal van de groep ontstijgt’. En kunst die alleen nog een bewijs van zulke political correctness is, is geen kunst.
Nu de voorstelling ook in Nederland te zien was, en voorbeelden van eigen bodem blijkbaar niet voldoende aanleiding tot controverse wisten te geven, brandde ook hier het debat los. Hoewel van een echte cultuuroorlog rond p.c. geen sprake is en er hier ook nauwelijks victim art bestaat - waarschijnlijk vanwege een gebrek aan voldoende slachtoffers in een verzorgingsstaat als de onze - krijgt de aversie tegen deze kunst ruim baan. Kennelijk gaat het hier niet zozeer om de feitelijke frequentie en populariteit van deze kunst, maar om de imaginaire bedreiging van de rol en het zelfrespect van de criticus.
De kunstkritiek had het al zo moeilijk. Sinds de afschaffing van de Regels der Kunst en de anarchie van stijlen, bewegingen, materialen enzovoorts, werd het heel lastig een oordeel te vellen. Als alles mogelijk is, is niets meer fout. In zo'n situatie is het oordeel het privilege van een coterie. Maar je kon als criticus tenminste nog zorgen dat je bij die coterie hoorde. Nu komt er ook nog eens coterie-resistente kunst bij. Kunst die helemaal niet meer is geadresseerd aan de beoordelaars in hun salon. Kunst die compassie beoogt, mythevorming, rouw en deemoed. Het koele oog kan niet droog blijven bij zoveel treurnis, en gesnotter draagt zelden bij aan scherpe kritiek. Als victim art algemeen wordt, komt de broodwinning der critici in gevaar.
Een aantal begrippen komt in de weerzin tegen victim art steeds weer terug. Ze is niet 'autonoom’ en 'transcendent’, kent geen 'intrinsieke betekenis’, is geen blijk van een 'gesublimeerde individuele emotie’ en is gebaseerd op 'afgedwongen sympathie’ en 'morele chantage’. Aids bijvoorbeeld is een collectief probleem dat individueel gevoeld wordt. De eenzame kunstenaar is hier niet aan de orde. Genieen zijn al zo zeldzaam en dat geldt dus des te meer voor die relatief kleine groep van zieken en kreupelen. Zij worden dus dringend verzocht zich niet als zodanig te verbijzonderen.
Omdat dans een kunst is, en kunstcritici belangeloos willen zijn, mag dans niet over de dood gaan. Maar zelfs al zouden we deze burgerlijke, kantiaanse kunstopvatting huldigen, dan nog hoeft de choreograaf daar niet op af te gaan en hoeven niet alle bewegingen op een toneel per se als vrije kunst gelezen te worden. De criticus wordt geacht iets over dans te zeggen, maar die dans gaat over het onzegbare. Hij staat dus sprakeloos, terwijl hij geacht wordt om te spreken. Geen wonder dat dan de dans met de danser verward wordt.
Ondanks al deze tegenwerpingen hebben de critici ergens gelijk. Over de doden niets dan goeds en dat geldt meestal ook voor de bijna doden. Ik kan me de ergernis wel voorstellen. Maar goede victim art - de term wordt nu echt smakeloos - gaat helemaal niet over de dood. Zij gaat over overleven. Still here! Als dat geen kunst is… Daarover volgende week meer.