Januari 2022. Foto vanaf de Al Hamra Tower toont een uitzicht op Koeweit stad onder zware mist © Yasser AL-Zayyat / AFP / ANP

Over de grenzen aan de groei

Vijftig jaar na de oerwaarschuwing van de Club van Rome

Jaap Tielbeke

De mensheid put de planeet uit en roept zo onvoorstelbaar onheil over zich af. Het klinkt als de samenvatting van het laatste klimaatrapport, maar tot deze conclusie kwam een groep systeemwetenschappers vijftig jaar geleden al. De enige manier om een catastrofe af te wenden, waarschuwden zij, is het stellen van grenzen aan de groei.

Het rapport van de Club van Rome maakte in 1972 diepe indruk op burgers en beleidsmakers. En nog steeds geldt De grenzen aan de groei als een ijkpunt in het milieudebat. Voor de een is het een vooruitziende oerwaarschuwing, voor de ander het bewijs van de nodeloze hysterie van groene doemprofeten.

Aan de hand van vier jaartallen maakt Jaap Tielbeke de balans op. Hoe kan het dat we, ondanks alle alarmsignalen, de planetaire grenzen hebben overschreden? En welke lessen kunnen we daaruit trekken voor de toekomst?

Noot van de hoofdredacteur
Met trots presenteren we het langste verhaal dat De Groene Amsterdammer ooit in zijn geschiedenis publiceerde. Toen Jaap Tielbeke vorig jaar met het idee kwam een diepgravend verhaal te maken over het rapport van de Club van Rome, was de redactie meteen enthousiast. Het afgelopen jaar dook Jaap Tielbeke in de archieven, las hij de relevante rapporten en boeken en sprak hij met betrokkenen, onder wie de wetenschappers die de systeemanalyses uitvoerden en het eerste rapport van de Club van Rome en de follow-ups daarvan schreven. Het is een indrukwekkende reconstructie geworden van de totstandkoming en de ontvangst van De grenzen aan de groei en het decennialange debat dat erop volgde over hoe de mens zich tot de planeet moet verhouden.

1972

Nederland is in de ban van de Club van Rome. Om de aarde leefbaar te houden moeten we de economische groei aan banden leggen, verkondigen prominente politici.

Joop den Uyl gelooft in vooruitgang. Voor hem is politiek geen spelletje. Politiek is een middel om de wereld, of op z’n minst Nederland, een beetje beter te maken. Hij is trots op de naoorlogse verworvenheden van de sociaal-democratie. Door de invoering van de veertigurige werkweek hebben arbeiders meer vrije tijd en als ze ziek zijn of ontslagen worden kunnen ze rekenen op het vangnet van de staat. Dat was nog niet zo lang geleden wel anders. Jan Modaal heeft nu een koelkast in de keuken, een tv in de woonkamer en een auto op de oprit waarmee het gezin in de zomervakantie naar Frankrijk of Italië tuft.

Maar de welvaartsstaat mag niet het eindstation zijn, vindt Den Uyl. Begin jaren zeventig is hij als pvda-voorman de gedoodverfde kandidaat om de linkse tijdgeest om te zetten in politieke macht. Er valt nog genoeg te verbeteren, weet de oppositieleider. Het leven draait namelijk niet alleen om materiële rijkdom. Wat telt is de ‘kwaliteit van het bestaan’.

Den Uyl is een kind uit een gereformeerd middenklassengezin. Het geloof heeft hij afgeschud, maar het moralisme niet. In het parlement praat hij regelmatig alsof hij achter de kansel staat. Toch is de ‘dominee van het socialistische woord’ geen dogmaticus. Den Uyl is altijd op zoek naar tegenspraak om zijn eigen overtuigingen aan te scherpen en naar nieuwe inzichten om in zijn preek te verwerken.

In Hans van Mierlo herkent hij een geestverwant. Beide mannen houden van literatuur, komen uit de journalistiek en verliezen zich soms in hoogdravende redevoeringen, waarin ze pleiten voor ingrijpende hervormingen van het bestaande bestel. Van Mierlo heeft d’66 opgericht omdat hij gelooft dat de democratie aan een grondige update toe is. Den Uyl is een reformist met revolutionaire dromen over een socialistische samenleving. Vooruitgang gaat stapsgewijs, maar niet zonder gewaagde vergezichten, daarover zijn de twee het eens.

Van Mierlo mag graag filosoferen over een nieuwe Progressieve Volkspartij. Er zijn verkennende gesprekken geweest over een mogelijke fusie tussen de Partij van de Arbeid en d’66, maar het geheel moet meer zijn dan de som der delen. ‘Wat we daarvoor nodig hebben’, denkt Van Mierlo, ‘is een Groot Nieuw Probleem.’

Zijn goede vriend W.L. ‘Boebie’ Brugsma heeft wel een suggestie wat dat moet zijn. Brugsma is hoofdredacteur van de Haagse Post en heeft een conceptversie gekregen van het eerste rapport van de Club van Rome. Deze internationale groep van academici en zakenlieden maakt zich grote zorgen over de humanitaire en ecologische misère in de wereld. Om een beeld te krijgen van welke gevaren ons nog te wachten staan, heeft de Club van Rome een groep systeemwetenschappers aan het Massachusetts Institute of Technology (mit) de opdracht gegeven om toekomstscenario’s te schetsen. Hun bevindingen zijn ronduit explosief.

Het uitgelekte conceptrapport bevat grafieken en berekeningen waaruit glashelder blijkt dat de mensheid op ramkoers ligt. We zijn in rap tempo bezig de aarde uit te putten. Al die auto’s op de oprit slurpen olie en dat is een eindige grondstof. Uit de schoorstenen van de fabrieken die de consumptiemaatschappij draaiende houden komen walmen die de lucht vervuilen. En de ‘groene revolutie’ in de landbouw heeft de oogsten dankzij de inzet van kunstmest en pesticiden spectaculair weten te verhogen, maar trekt een zware wissel op de natuur. ‘De ironie van dat rapport ligt in de vaststelling dat het de “vooruitgang” zelf is die tot de Apocalyps zal leiden’, schrijft Brugsma in de Haagse Post. Of zoals hij het samenvat in een gesprek met Van Mierlo: ‘We gaan naar de knoppen als we niet onze politieke systemen drastisch veranderen en op overleven richten.’

Het klinkt de d’66-leider ‘als muziek in de oren’, zou Brugsma later memoreren. Dit kan de ideale voedingsbodem vormen voor een Progressieve Volkspartij. Hoewel Den Uyl minder happig is op een partijfusie, maakt het rapport ook op hem diepe indruk. Hij heeft altijd oog gehad voor de sociale schaduwzijden van onze fixatie op economische groei. Nu blijkt dat ook het milieu eronder te lijden heeft. Onmiddellijk maakt de leider van links deze boodschap tot een speerpunt. ‘De ongebreidelde werking van het winstmotief’ heeft geleid ‘tot een omhoogtorenende produktie van parasitaire aard’, oreert hij tijdens de algemene politieke beschouwingen. ‘Wij dachten rijk te worden, maar wij werden arm, arm aan beschikbaar leefmilieu, aan welzijn.’

Zie daar, een Groot Nieuw Probleem.

Het rapport van de Club van Rome is een onwaarschijnlijk verkoopsucces. Wereldwijd gaat de publieksuitgave miljoenen keren over de toonbank, in meer dan dertig talen. In de Verenigde Staten, waar in 1970 miljoenen mensen de straat op waren gegaan tijdens de eerste Earth Day, ontketent The Limits to Growth een fel debat tussen ecologen en economen. ‘Dit is waarschijnlijk een van de belangrijkste documenten van onze tijd’, schrijft The New York Times. In West-Duitsland ontvangt de Club van Rome de prestigieuze Friedenspreis des Deutschen Buchhandels.

Maar nergens is men zo in de ban van de Club van Rome als in Nederland. Maanden voor de publicatie was de samenvatting al uitgelekt. De Haagse Post had op 30 juni 1971 de primeur. Een eenkolommer in het buitenlandkatern berichtte over een onderzoek aan het mit. ‘De uitkomsten zijn – hoe men de computers ook wendde of keerde – schrikbarend.’ Meer details over de verontrustende inhoud bereikten het grote publiek via de voorpagina van NRC Handelsblad op 31 augustus 1971. ‘Ramp bedreigt de wereld’ was de kop boven het artikel. ‘Als alles en iedereen doorgaat op de manier waarop dat nu gebeurt, komt er binnen enkele tientallen jaren een geweldige catastrofe’, schreef wetenschapsredacteur Arie de Kool. ‘Er zijn – nu! – ingrijpende maatregelen nodig om dat onheil te voorkomen.’

Als op 20 maart 1972 de Nederlandse vertaling verschijnt, is de eerste druk met een oplage van 45.000 binnen twee dagen uitverkocht. Uitgeverij Het Spectrum heeft er een pocketeditie van gemaakt die voor een rijksdaalder in de winkels ligt. Op het omslag prijkt naast de titel een verwelkt madeliefje en een lijngrafiek die vervaarlijk in het rood duikt. Binnenin staat in vet gedrukte, schreefloze letters de ondertitel die zal uitgroeien tot een gevleugelde frase: ‘De grenzen aan de groei’. Nog voor het eind van de maand is een vierde druk in aantocht. Uiteindelijk zullen er in Nederland ruim 250.000 exemplaren van de pocketeditie worden verkocht.

‘Dat men juist in ons land bezorgd is over de toekomst, is logisch’, zegt chemicus Frits Böttcher, het enige Nederlandse lid van de Club van Rome, tegen De Telegraaf. ‘Omdat wij een heel klein landje zijn met een heel dichte bevolking. De problemen zijn dus sterk geconcentreerd en iedereen voelt eigenlijk wel iets van die enorme problematiek.’

Milieuverontreiniging is begin jaren zeventig inderdaad tastbaar voor veel mensen. Rotterdam kampt met stevige smog, bossen zijn bezaaid met zwerfafval, fabrieken lozen gifstoffen straffeloos in de Rijn en omwonenden van industriegebieden kampen met stank en lawaai. Veel burgers pikken het niet langer. Ecologie mag niet telkens het onderspit delven.

De Club van Rome tijdens de jaarlijkse bijeenkomst in West-Berlijn op 14 oktober 1974. Vooraan Aurelio Peccei, voorzitter Italië © Hoffmann / ANP
Den Haag, november 1973, autoloze zondag © Benelux Press / ANP
Het team systeemwetenschappers van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) wat Grenzen aan de groei schreef: Van links naar rechts Jørgen Randers, Jay Forrester, Donella Meadows, Dennis Meadows, Bill Behrens © donellameadows.org
Koningin Juliana met prof. Böttcher bij een werk uit de tentoonstelling 'Begrens de Groei' nav het rapport van de Club van Rome. Rotterdam, 26 April 1972 © Nationaal Fotopersbureau / ANP

Een van de eerste zaadjes voor dit ontluikende milieubewustzijn was begin jaren zestig geplant door Rachel Carson. In 1962 had de bioloog opschudding veroorzaakt met haar boek Silent Spring, waarin ze de schadelijke effecten documenteerde van onze oorlog tegen ‘ongedierte’. Aangemoedigd door de chemische industrie besproeiden vliegtuigen de Amerikaanse akkers met giftige insecticiden die zich ophoopten in de voedselketen. Dat was de reden dat rivieren levenloos en weilanden doodstil waren geworden. De uitvinding die bedacht was om de agrarische opbrengsten te verhogen, bleek de natuur te verwoesten.

Zes jaar later was het een andere Amerikaanse bioloog die met een bestseller de alarmklok luidde: Paul R. Ehrlich. Samen met zijn echtgenote Anne schreef hij het boek The Population Bomb. Hun diagnose was nog zorgwekkender dan die van Carson: niet alleen de natuur ging achteruit, de mensheid zelf stevende af op rampspoed. Ehrlich voorzag een massale hongersnood, of anders wel een dodelijke pandemie of een allesverwoestende wereldoorlog. Over de oorzaak liet hij geen misverstand bestaan: overbevolking.

In hetzelfde jaar dat Ehrlich faam maakte met zijn apocalyptische prognoses, kwam een internationale groep industriëlen en wetenschappers voor het eerst samen in de Italiaanse hoofdstad, voor een tweedaagse brainstormsessie over wat zij ‘the predicament of mankind’ noemden, oftewel: de hachelijke toestand van de mensheid. Voortrekker was Aurelio Peccei, een charismatische zakenman die tijdens de oorlog actief was in het antifascistische verzet en naderhand carrière had gemaakt bij autoproducent Fiat. Tijdens zijn publieke optredens beperkte hij zich niet tot de prestaties van zijn eigen bedrijf, maar liet hij graag zijn licht schijnen over de grote kwesties van zijn tijd. Dat had indruk gemaakt op de Schotse scheikundige Alexander King en samen namen ze het initiatief tot een assemblee van gelijkgestemden. Over de naam hoefde niet lang vergaderd te worden, een verwijzing naar de plek van de eerste samenkomst volstond.

De Club van Rome is een informeel gezelschap, zonder lidmaatschapspassen of hiërarchische organogrammen, dat eens in de zoveel tijd bijeenkomt om met elkaar van gedachten te wisselen. Het doel is om de wereldproblemen in samenhang te onderzoeken. Politici durven vaak niet verder te kijken dan hun eigen landsgrenzen en de volgende verkiezingen, terwijl de uitdagingen waarmee de wereld wordt geconfronteerd nu juist schreeuwen om een grensoverschrijdend langetermijnperspectief. Voordat er over oplossingen nagedacht kan worden, moeten de problemen eerst zorgvuldig in kaart worden gebracht.

Het is de zomer van 1970 en in een vliegtuig boven de Atlantische Oceaan is Jay Forrester druk in de weer met pen en papier. Hij tekent cirkels, vierkantjes en wolkjes en trekt er een wirwar van lijntjes tussen, sommige gestippeld, andere met dikke pijlen. In een handschrift dat voor een buitenstaander nauwelijks te ontcijferen is, krabbelt hij een paar woorden in de figuren: ‘bevolking’, ‘industriële productie’, ‘natuurlijke hulpbronnen’, ‘landbouwproductie’ en ‘vervuiling’. Dat zijn de vijf kernvariabelen van het model dat later bekend zal komen te staan als het World3-model.

Forrester is hoofd van de afdeling systeemdynamica aan het mit. Hij is onderweg naar huis, na een kort verblijf in Zwitserland. In Bern heeft hij een vergadering bijgewoond van de Club van Rome, op uitnodiging van King en Peccei. Ze waren op zoek naar iemand die hun ambitieuze onderzoeksplannen kon voorzien van een overtuigende methodologie. De wiskundige modellen die hij op het mit heeft ontwikkeld, gebruikt Forrester vooral voor analyses over urbanisatie, maar hij vermoedt dat zo’n aanpak ook toepasbaar is op de vraagstukken die de Club van Rome wil onderzoeken. Nooit eerder was iemand op het idee gekomen het hele wereldsysteem in een model te vatten. Wie de tekeningen bekijkt ziet onmiddellijk hoe ingewikkeld dat streven is. Maar Forrester heeft een nieuw en geheim wapen tot zijn beschikking: een computer.

Als kort daarna een delegatie van de Club van Rome een kijkje komt nemen op het mit, hoeft Forrester weinig moeite te doen om de bezoekers te overtuigen van zijn werkwijze. Hij krijgt de opdracht en geeft een van zijn meest getalenteerde protegés, de 28-jarige Dennis Meadows, de leiding over het project. Meadows stelt een zeventienkoppig team samen met experts uit de VS, Noorwegen, Iran en Turkije. Dankzij sponsoring van de Volkswagen Stichting kunnen ook twee Duitse wetenschappers zich bij de groep in Boston voegen.

Sommige onderzoekers dragen de milieubeweging een warm hart toe, andere hebben een achtergrond in bedrijfskunde en stonden nog niet eerder stil bij de draagkracht van de aarde. Maar de cijfers die de computer uitspuugt liegen niet. Het is de eerste keer dat de rekenkracht van deze machine – een bakbeest met spoelen en ponskaarten dat een hele kamer vult – wordt ingezet om scenario’s over de toekomst van de wereld te schetsen. Uit de printer rollen lange vellen papier met symbolen die, als je ze verbindt met een lijn, een scenario uitstippelen van 1900 tot 2100. De belangrijkste conclusie zit al in het model van Forrester vervat: de grondstoffenvoorraad is niet onbegrensd, de planetaire capaciteit om vervuiling te verwerken evenmin. Met andere woorden: oneindige groei op een eindige planeet is onmogelijk.

Joop den Uyl uitte in 1968 al zijn afkeer van ‘de mentaliteit van de naar onbeperkte groei strevende maatschappij’

Wouter van Dieren is ‘in totale shock’ als hij de resultaten voor het eerst onder ogen krijgt. De wetenschapsjournalist is eind 1970 door Elseviers Magazine naar Amerika gestuurd voor een artikel over Earth Day en andere milieuclubs. Op de campus in Boston loopt hij Meadows en zijn team tegen het lijf. Wat denk je? vragen ze, nadat ze hem hebben laten zien waar ze mee bezig zijn. Zullen mensen luisteren? Van Dieren hoeft niet lang na te denken. ‘Jullie hebben dynamiet in handen’, antwoordt hij.

‘Alle puzzels die ik de jaren daarvoor had gemaakt over het milieu vielen plots samen’, herinnert hij zich. ‘Hun methode was volstrekt revolutionair. Tot dan toe had ik de samenhang nooit gezien.’ Voordat hij vertrekt stopt hij een conceptrapport in zijn reistas.

Eenmaal terug in Nederland maakt hij honderd kopieën, zet er het stempel ‘Vertrouwelijk’ op en verspreidt ze op strategische plekken. Zo bereikt het Grote Nieuwe Probleem Hans van Mierlo en Joop den Uyl maanden voor de officiële presentatie van het rapport. Binnen de kortste keren gonst het in de hoogste bestuurlijke echelons van opwinding. ‘Ik kreeg verblufte reacties van bevriende topmannen en hoogleraren’, zegt Van Dieren. ‘Iedereen zei: dit wordt groot en belangrijk.’

De meest acute zorg is het opraken van cruciale grondstoffen. Zolang onze consumptie van edelmetalen en brandstoffen blijft toenemen, ontstaat er vroeg of laat schaarste. Met dit groeitempo zijn de bekende voorraden aardolie over dertig jaar op. Nog voor de eeuwwisseling dreigt er een tekort aan tin, uranium en zilver. Het zijn scenario’s, benadrukken de wetenschappers, geen voorspellingen. Natuurlijk kan het zijn dat er nieuwe voorraden of alternatieven worden ontdekt. Maar dat verandert niets aan de onderliggende waarheid: ‘De aardkorst bevat omvangrijke hoeveelheden van de grondstoffen die de mens heeft leren delven en verwerken tot nuttige dingen. Hoe groot die hoeveelheden ook zijn, ze zijn niet oneindig.’

Datzelfde geldt voor het areaal aan vruchtbare grond. Sinds de Britse econoom en demograaf Thomas Malthus eind achttiende eeuw voor het eerst een grootschalige hongersnood voorspelde, omdat de bevolking harder zou groeien dan de landbouwopbrengsten, duikt eens in de zoveel tijd de vraag op hoe we in hemelsnaam alle monden kunnen voeden die er elk jaar bijkomen. Zonder de ontmanteling van de bevolkingsbom is dat simpelweg onmogelijk, was het antwoord van Paul Ehrlich. In een genuanceerdere analyse komen Meadows en zijn team tot een soortgelijke conclusie. De uitdaging is niet alleen om genoeg voedsel te produceren, maar om dat ook nog eens te doen op een enigszins milieuvriendelijke manier.

Want er is nog iets wat eindig is: de capaciteit van de aarde om vervuiling te absorberen. Het bewijs daarvan is op sommige plekken al zichtbaar, zoals bij de vervuilde rivieren in de Verenigde Staten die spontaan in brand vliegen. In andere gevallen voltrekt de schade zich eerst onopgemerkt, zoals het gif van insecticiden dat als een sluipmoordenaar hele ecosystemen verwoest. Een kleine twintig jaar voordat de Verenigde Naties een klimaatpanel oprichten, merkt de mit-groep al op dat de concentratie CO2 in de atmosfeer exponentieel groeit. Erg ongerust maken de wetenschappers zich daar nog niet over. ‘Het is niet bekend hoeveel CO2 of thermische verontreiniging kan worden uitgeworpen zonder onomkeerbare verandering in het klimaat van de aarde te veroorzaken’, schrijven ze.

De systeemwetenschappers rekenen ook ‘optimistische’ scenario’s door die aannemen dat de aardkorst enorme voorraden bodemschatten bevat of dat innovatie zal helpen om vervuiling te dempen. Alleen blijft de centrale conclusie ongewijzigd. Technologie zal de grenzen hoogstens kunnen oprekken, maar wanneer er niets verandert aan de exponentiële groei van de wereldbevolking en de industriële productie overschrijden we de planetaire grenzen en volgt onvermijdelijk een ineenstorting van het systeem. Overshoot and collapse noemen de wetenschappers dat.

Meer dan een voorspelling dat we gedoemd zijn, is het rapport een oproep om het tij te keren. De Club van Rome wil de ‘nieuw verkregen inzichten gebruiken om nieuwe gedragslijnen en strategieën te bevorderen die op een nieuw humanisme zijn geïnspireerd, dat in staat zal zijn de mensheid een verstandiger weg te doen inslaan’, aldus oprichter Aurelio Peccei. Maar dan moet de politiek wel in actie komen.

Wat dat betreft kan Nederland, waar vooraanstaande volksvertegenwoordigers het rapport omarmen, een gidsland zijn, hoopt hoofdonderzoeker Dennis Meadows. ‘If it does not start in Holland, it will not start at all.’

Joop den Uyl gaat er stevig in tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 1971. Het rapport over de grenzen aan de groei, waarvan hij onlangs het gelekte manuscript heeft gelezen, laat hem niet los. De berekeningen van het mit-team tonen dat ‘alleen een fundamentele verandering van ons kapitalistisch stelsel, een radicale breuk met het winststreven als leidend motief voor de ondernemingsgewijze productie, de weg kan vrijmaken voor overleving’. Met instemming citeert Den Uyl een artikel uit NRC Handelsblad: ‘Als de Club van Rome gelijk heeft zullen waarschijnlijk collectieve voorzieningen nodig zijn die zelfs de socialisten als revolutionair zullen beschouwen.’

Toch moeten de meest geharnaste marxisten niets weten van het rapport. De Communistische Partij Nederland, met zes zetels vertegenwoordigd in de Tweede Kamer, wantrouwt de afzender. Een groep rijke industriëlen die zich ineens zorgen zou maken over de toekomst van de mensheid? Daar moet een sinistere agenda achter zitten. Bovendien leidt al dat gepraat over het milieu alleen maar af van de klassenstrijd, vrezen de communisten. In plaats van ons druk te maken over de rook die uit de schoorstenen komt, zouden we aandacht moeten hebben voor de mensen aan de lopende band.

Dit is ook een spanningsveld voor Den Uyl. Binnen de pvda gaan werkgelegenheid en armoedebestrijding traditioneel boven alles. De sociaal-democratie is immers op aarde om de onderkant van de samenleving op te tillen. Hoe valt dat te rijmen met de boodschap dat de economische groei aan banden moet worden gelegd, net op het moment dat ook de gewone burger zich wat meer luxe kan veroorloven? Is een hoger bruto nationaal product niet noodzakelijk om de ‘mensen in het donker’, om wie Den Uyl zich zegt te bekommeren, een comfortabeler leven in het vooruitzicht te stellen?

In dit opzicht is Den Uyl een ietwat atypische sociaal-democraat. Lang voordat de Club van Rome was opgericht plaatste hij al vraagtekens bij onze obsessie met de mateloze ‘groei van nationale produktie’. Den Uyl had weinig op met de moderne consumptiemaatschappij. De reclame-industrie die een onstilbare begeerte aanwakkerde tot het kopen van meer en meer spullen was hem een gruwel. Waarom moesten mensen zo nodig twee auto’s voor de deur hebben? Was het noodzakelijk dat iedereen twee keer per jaar met het vliegtuig op vakantie kon? En maakten meer spullen werkelijk gelukkiger? Wat we nodig hebben is een ‘perspectief dat iets meer inhoudt dan de 40-urenweek, een behoorlijk ouderdomspensioen, een auto, een televisietoestel en een ijskast voor het gezin’, schreef hij al in 1956, toen hij naast Tweede-Kamerlid ook directeur was van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de pvda.

In 1968, het jaar dat de Club van Rome voor het eerst bij elkaar kwam, publiceerde Den Uyl een opstel met de titel ‘De kosten van de economische groei en het Nederlandse groeibeleid’. Daarin uitte hij zijn ‘afkeer van de mentaliteit van de naar onbeperkte groei strevende maatschappij’. De sociale kosten daarvan bleven vaak buiten beeld. Niet consumptievrijheid maar het algemeen welzijn moest het uitgangspunt vormen en anders dan marktdenkers ons wilden doen geloven vielen die twee niet zomaar samen. Het rapport van de Club van Rome geeft zijn groeikritiek een extra dimensie: ook het milieu zucht onder onze hang naar meer. ‘Het besef van de eindigheid van de aarde had zijn moralistische inslag nog versterkt’, constateert Dik Verkuil in De gedrevene, zijn biografie van Joop den Uyl.

Bij de Algemene Beschouwingen van 1971 doet Den Uyl zijn reputatie als socialistische dominee eer aan. Zonder omhaal kondigt hij het ‘einde van het industriële tijdvak’ aan. Het wordt tijd, vindt hij, dat we ons kritischer opstellen tegenover de ‘groei-ideologie’. Dat we een rem zetten op groteske luxe-consumptie, zodat we de sombere toekomstscenario’s van de mit-computers kunnen afwenden.

Hans van Mierlo valt hem bij. ‘Rapporten en geschriften van deskundigen komen in toenemend tempo met steeds kleiner wordende marges van onzekerheden dezelfde boodschap melden’: de vruchtbare grond raakt op, metalen als kwik, lood en zink naderen hun ‘definitieve uitputting’. Nog een paar decennia en dan heeft de vervuiling ‘verstikkende afmetingen aangenomen met de meest bizarre gevolgen voor het organisch leven op het land en de halfdode oceaan, tenminste als de bevolkingsgroei niet drastisch wordt afgeremd, als de economische groei niet drastisch wordt afgeremd in de welvaartsstaten, als de gigantische milieuvervuiling niet drastisch wordt gestopt’.

‘De politiek staat voor een keuze’, gaat Van Mierlo verder. ‘Iets doen of niets doen, een beetje doen is niets, bedrog.’

Augustus 2021. Het waterpeil van het Great Salt Lake, bij Corinne, Utah in de VS, is gedaald tot het laagste niveau ooit. Het is het grootste zoutwatermeer op het westelijk halfrond © Justin Sullivan / Getty Images

Weerstand is er uiteraard ook. Want hoe betrouwbaar is de apocalyptische waarzeggerij van dit clubje wetenschappers eigenlijk? Laten we dit rapport ‘niet verheffen tot evangelie’, zegt Harrie Langman, de vvd-minister van Economische Zaken. Als het aan hem ligt blijft economische groei voorlopig prioriteit nummer één. Op de redevoering van Hans van Mierlo wordt met verbazing gereageerd. Waar komt dat gepraat over drastische herverdeling van rijkdom en het beteugelen van vrij ondernemerschap opeens vandaan? Is de d’66’er soms socialist geworden? De lijsttrekker van de Pacifistisch Socialistische Partij (psp) vindt juist weer dat de Club van Rome ‘te weinig oog heeft voor de sociaal-economische kant van het verhaal’.

De Telegraaf vat de kritiek op de Club van Rome als volgt samen: ‘Links spreekt soms van een huichelachtig stelletje grootkapitalisten dat de schijn op zich wil laden dat de milieuzorg juist bij hen in goede handen is. In rechtse kringen vermoedt men dat het een tikkeltje anders ligt en dat hier mensen van grote naam en gezag heel indringend maar heel vals op de milieutrompet blazen, terwijl de ondertoon alleen maar maatschappij-omwenteling in communistische zin is. Maar voor verreweg de meesten is de kous al af met de typering van de Club van Rome in deze drie woorden: een stelletje paniekzaaiers.’

En dan is Nederland nog een van de landen waar het Grenzen aan de groei-rapport welwillend wordt ontvangen. In Amerika stuit de Club van Rome op meer verzet. Vooral economen zijn ontstemd over de onbescheiden pretenties van de mit-wetenschappers. Hun modellen zouden onvoldoende rekening houden met prijsmechanismes en technologische innovatie. Zodra een grondstof schaars wordt, stijgt de prijs en daarmee de financiële prikkel om op zoek te gaan naar goedkopere alternatieven. Nieuwe uitvindingen kunnen ervoor zorgen dat voorraden die nu nog onontdekt of onbereikbaar zijn, in de toekomst aangeboord kunnen worden.

‘Een leeg en misleidend document’, luidt het onverbiddelijke oordeel van drie economen in The New York Times Book Review. Een commentaar in Newsweek noemt The Limits to Growth een ‘stuk onverantwoordelijke onzin’. Meer dan eens valt in de kritieken de naam van Thomas Malthus. Van de horrorscenario’s over hongersnoden die deze demograaf ruim anderhalf eeuw geleden schetste kwam niks terecht, dus waarom zouden we deze ‘malthusianen met een computer’ wel serieus nemen?

De felheid waarmee de mit-studie terzijde wordt geschoven als hysterische nonsens, verraadt dat hier meer speelt dan een zuiver wetenschappelijke twist. Het rapport is een frontale aanval op het vooruitgangoptimisme dat zeker in de Verenigde Staten stevig geworteld is. ‘Er is geen enkele geloofwaardige reden om te veronderstellen dat de wereld geen redelijk hoog niveau van economische groei kan volhouden over een lange periode in de toekomst’, stelt een artikel in Foreign Affairs met de kop ‘The Computer that Printed out W*O*L*F*’. Vervuiling en overbevolking zijn wel degelijk problemen, maar om die op te lossen zouden we juist economische groei nodig hebben.

‘Voor mij was het rapport van de Club van Rome een wake-upcall’, zegt Jan Pronk. ‘Tot dan toe stond niemand stil bij de eindigheid van grondstoffen. De aarde werd gezien als onuitputtelijk.’ Als de eerste alarmerende koppen over De grenzen aan de groei in de Nederlandse kranten verschijnen, is de 31-jarige Pronk net verkozen als TweedeKamerlid voor de pvda.

Aanvankelijk had Joop den Uyl weinig op met de jonge ontwikkelingseconoom die de partij verder naar links probeerde te duwen. ‘Een gevaarlijk klein ideoloogje’, zo had hij Pronk eens genoemd. Maar als ze eenmaal samen in de Kamerfractie zitten blijken ze verrassend goed met elkaar overweg te kunnen. Pronk bekeert zich al gauw tot ‘uyliaan’. En wanneer Den Uyl een commissie in het leven roept om het Grenzen aan de groei-rapport een politieke vertaling te geven, vraagt hij Pronk als secretaris.

De commissie bestaat uit zes zwaargewichten uit drie progressieve partijen: Hans van Mierlo en Hans Gruijters namens d’66, Erik Jurgens van de Politieke Partij Radikalen (ppr) en depvda’ers Cees de Galan en Sicco Mansholt. Zelf bekleedt Den Uyl de rol van voorzitter. Boebie Brugsma, de journalist die Van Mierlo op het rapport wees, wordt naast Pronk de andere secretaris.

Pronk is vereerd dat hij ‘als jongmaatje’ bij de commissie vol partijprominenten mag zitten. Tijdens die vergaderingen groeit zijn bewondering voor Den Uyl. ‘Hij was een denker die vooropgaat in de analyse’, herinnert Pronk zich. Moeiteloos verbindt de pvda-leider de ecologische problematiek met de klassieke sociaal-democratische stokpaardjes zoals gelijkheid en armoedebestrijding. Van alle zeven vergaderingen schrijft Pronk een verslag. Hij bewaart de dichtbeschreven vellen in een kleine rode multomap.

De notulen geven een inkijkje in het verloop van de discussies. Meer dan politici aan een onderhandelingstafel zijn het intellectuelen die met elkaar de toestand van de wereld doorspreken. In de eerste vergadering begint Van Mierlo onmiddellijk over de Progressieve Volkspartij, maar Den Uyl houdt de boot af. Voordat er wordt nagedacht over een partijfusie wil hij het eerst over de inhoud hebben. Het ecologische evenwicht hangt samen met het economische evenwicht, stelt hij: zonder een rechtvaardige verdeling van welvaart is alle milieupolitiek tevergeefs.

Tijdens het tweede overleg schuift een ander pvda-kopstuk aan, dat de eerste keer verstek moest laten gaan vanwege een Commissievergadering in Brussel. Sicco Leendert Mansholt valt direct met de deur in huis. ‘We lopen vast met de oude bijsturingsmechanismen’, zegt hij. ‘Dat wordt door het mit-rapport nog eens onderschreven. Nodig is een absolute beheersing van de bevolkingsgroei. Nodig is ook een andere groep van economische maatstaven waaraan we ons beleid meten. Een bruto nationaal nut.’

Laten we dit rapport ‘niet verheffen tot evangelie’, zegt Harrie Langman, VVD-minister van Economische Zaken

Eind 1971 is Mansholt 63 jaar en heeft hij al een imposante carrière achter de rug. Als minister van Voedselvoorziening, Landbouw en Visserij droeg hij bij aan de wederopbouw van Nederland en na zijn aantreden als Eurocommissaris, in 1958, werd hij de architect van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Dat beleid was gericht op schaalvergroting en intensivering. Het ‘plan Mansholt’ zou het aantal boeren halveren. Dat was niet alleen beter voor de voedselproductie, maar ook voor de boeren zelf, geloofde hij. Mansholt was de zoon van een akkerbouwer, hij wist hoe zwaar hun bestaan was. Hij gunde de boeren een fatsoenlijk inkomen en vrije weekenden en hij was ervan overtuigd dat alleen een rationeel proces van modernisering daarvoor kon zorgen.

Het werd hem, op zijn zachtst gezegd, niet in dank afgenomen. In groten getale trokken de boeren naar Brussel om te demonstreren tegen Mansholts plannen. Ze bekogelden de Eurocommissaris met eieren en aardappels, maakten hem uit voor moordenaar en hingen poppen met zijn naam erop aan de galg. Maar Mansholt zette zijn moderniseringsagenda door. Binnen een paar decennia veranderde de agrarische sector ingrijpend. Koeien hadden geen namen meer, maar kregen nummers. Ruilverkaveling zorgde ervoor dat grote boeren de kleintjes opslokten. En door de inzet van zware machines en nieuwe bestrijdingsmiddelen stegen de opbrengsten explosief.

Begin jaren zeventig begint het Mansholt te dagen dat dit model nogal wat onvoorziene schadelijke effecten heeft. Aangespoord door de vaste afzetprijzen produceren boeren zoveel als ze kunnen, met melkplassen en boterbergen tot gevolg. Door het toegenomen gebruik van bestrijdingsmiddelen zijn de weidevogels nagenoeg verdwenen. Als Mansholt het rapport van de Club van Rome onder ogen krijgt vallen de puzzelstukjes op zijn plaats: ‘Ik had nooit beseft hoezeer al die problemen met elkaar verbonden waren’, zal hij later in een interview zeggen. ‘Ik zag heel duidelijk: als we zo doorgaan dan rennen we naar de catastrofe.’

Met dezelfde toewijding waarmee hij in de jaren vijftig het landbouwsysteem op de schop nam, wijdt Mansholt zich nu aan de missie om de economie meer in balans te brengen met de natuur. ‘De plansocialist wordt milieubeschermer en profeet van de “nulgroei”’, zo schrijft parlementair historicus Johan van Merriënboer in zijn Mansholt-biografie. Die bekering komt hem soms op hoongelach te staan. Enkele van zijn medewerkers vrezen zelfs dat hun baas zijn verstand verloren heeft. ‘Sicco, je wordt toch zeker geen hippie?’ bijt een socialistische collega-commissaris hem toe, nadat hij heeft betoogd dat het roer radicaal om moet.

In Den Haag drukt de Eurocommissaris zijn stempel op de vergaderingen van de progressieve commissie, die ondanks het voorzitterschap van Den Uyl bekend komt te staan als de ‘commissie-Mansholt’. In het 45 pagina’s tellende advies worden harde noten gekraakt over de ‘vooruitgangsmaatschappij’, met haar ‘typisch-westerse waarden’ zoals ‘individualisme’ en ‘prestatiedrang’. Publieke voorzieningen moeten in de plaats komen van particuliere consumptie. Het ‘kapitalistische produktiesysteem’ heeft volgens de commissieleden zijn langste tijd gehad. ‘Groei is een dwangfaktor geworden, bij ondernemers, bij werknemers, bij konsumenten, terwijl deze groei ons niet gelukkiger maakt en het gezamenlijk belang in de weg staat.’ Mansholts voorstel voor het bruto nationaal nut als alternatieve meetlat doorstaat de ballotage. Zijn suggestie om te streven naar ‘nulgroei’ of krimp gaat voor Den Uyl echter een stap te ver. Het stoppen van de groei mag geen doel op zich zijn.

We moeten toe naar een radicaal andere manier van leven, is de consensus van de commissie. ‘De nieuwe samenleving kan geen terugkeer betekenen naar de maatschappij van vóór de industriële revolutie. Wel zal de mensheid moeten leren leven met de beperkingen die in de eindigheid van onze planeet opgesloten liggen.’ Natuurlijk kan een klein landje als Nederland zo’n kolossale systeemverandering niet in z’n eentje realiseren, maar we kunnen wel alvast het goede voorbeeld geven. Nederland moet een gidsland zijn, precies zoals Dennis Meadows voor ogen had. In de hoop dat de rest van Europa, en de wereld, zou volgen.

De Amerikaanse bioloog Paul R. Ehrlich tijdens een milieuforum over bevolkingsbeheersing in juni 1972 in Stockholm © UN Photo / Yutaka Nagata
De Indiase premier Indira Gandhi spreekt op de eerste dag de VN-conferentie in Stockholm toe © UN Photo / Yutaka Nagata
Hans van Mierlo (D’66, midden) in gesprek met Joop den Uyl (PvdA) en Arend de Goede (D’66), tijdens het D’66-congres in ’s-Hertogenbosch, 5 mei 1972 © Spaarnestad Photo / ANP
De schets van Jay Forrester van het uiteindelijke World3-model © Jay Forrester
© PvdA
© DNPP
Tijdens de eerste internationale VN-milieutop van 5 tot 16 juni 1972 komen ruim twaalfhonderd gedelegeerden uit ruim 113 landen samen in Stockholm. © UN Photo / Yutaka Nagata

In juni 1972 is Stockholm eventjes het centrum van de wereld. Ruim twaalfhonderd gedelegeerden uit 113 landen zijn afgereisd naar de Zweedse hoofdstad. De United Nations Conference on the Human Environment is de allereerste internationale milieutop. De slogan zal een slagzin worden van de groene beweging: Only One Earth.

Nu de ecologische problemen, mede dankzij de Club van Rome, boven aan de politieke agenda staan, is het zaak om tot oplossingen te komen. Vanachter het houten spreekgestoelte houden afgevaardigden hun toespraken, die simultaan worden vertaald voor de toehoorders in de klapstoeltjes. Camera’s leggen het tafereel vast en de beelden gaan de hele wereld over. Buiten het conferentiecentrum roeren de actiegroepen zich.

Namens de Europese Commissie is ook Sicco Mansholt aanwezig. In zijn bijdrage draait hij niet om de hete brij heen. Zijn wij bereid te doen wat nodig is om de aarde leefbaar te houden? vraagt hij het publiek van beleidsmakers. ‘In rijke landen is het de ongeëvenaarde groei van onze productiemaatschappij die ons bij de keel grijpt door de vervuiling die dit met zich meebrengt. In arme landen reduceert armoede miljoenen tot mensonterende leefomstandigheden.’ Voor Mansholt hangt het een met het ander samen. Een beter milieu begint bij het dichten van de kloof tussen arm en rijk.

Ook Club van Rome-oprichter Aurelio Peccei houdt een toespraak over de bevindingen van hun eerste rapport. Niet iedereen is even overtuigd. De milieuminister van het Verenigd Koninkrijk vindt dat er eerst meer onderzoek gedaan moet worden. Een Britse milieukundige drijft tijdens zijn voordracht de spot met de ‘hysterical computerized gloom’.

Terwijl de wetenschappers discussiëren over de betrouwbaarheid van De grenzen aan de groei, botsen de diplomatieke onderhandelaars al gauw op de geopolitieke realiteit. Een eerste obstakel is dat de Sovjet-Unie en de meeste Oostbloklanden niet bij de onderhandelingen aanschuiven, omdat de Koude Oorlog in volle gang is. Onder de staten die wel aanwezig zijn tekent zich een Noord-Zuidtegenstelling af. Voor arme landen is het geen optie om grenzen te stellen aan de groei, zij zijn nog volop in ontwikkeling. De rijke landen voelen er op hun beurt weinig voor om het economische model dat hun zo veel welvaart heeft gebracht vaarwel te zeggen.

De top eindigt zoals zo veel internationale toppen eindigen: met een pompeuze maar tandeloze verklaring. Het leefmilieu voor toekomstige generaties moet beschermd worden, daarover zijn de 113 landen het eens geworden. We hebben maar één aarde en daar moeten we voorzichtig mee omspringen. Het meest tastbare resultaat is de oprichting van het United Nations Environmental Program (unep), waarmee het milieu wordt verankerd in de VN-structuur. Verder komt er een Earth Watch-programma, een netwerk van meetstations dat de wereldwijde luchtvervuiling moet monitoren. Speciale aandacht is er daarbij voor ‘het gehalte kooldioxide in de dampkring als gevolg van industriële activiteiten’.

Harde afspraken mogen dan ontbreken, in één opzicht is deze conferentie in Stockholm een onomstotelijk succes: het legt de basis voor de vele klimaat- en milieutoppen die nog zullen volgen.

Nadat Mansholt besluit dat het roer om moet bijt een collega hem toe: ‘Sicco, je wordt toch zeker geen hippie?’

‘Het kan anders!’ Met deze simpele slogan gaat de pvda de Tweede- Kamerverkiezingen van 1972 in. Lijsttrekker Joop den Uyl heeft alle vertrouwen in een mooie uitslag. Hij gelooft dat Nederlanders verandering willen, dat ze net als hij zien dat de huidige weg doodloopt. Het kan niet alleen anders, het móet anders, als we tenminste een leefbare planeet willen achterlaten voor toekomstige generaties.

Op het verkiezingsaffiche van d’66 staat naast een foto van Hans van Mierlo de leus ‘Eerlijk delen in een schoon land’. De Progressieve Volkspartij is er, tot frustratie van Van Mierlo, niet gekomen, maar de ‘progressieve drie’ – de pvda, d’66 en de ppr – hebben wel een gezamenlijk verkiezingsprogramma opgesteld: Keerpunt 1972. De inhoud is minder revolutionair dan het advies van de commissie-Mansholt. Met geen woord wordt er gerept over het bruto nationaal nut. De kapitalismekritiek is afgezwakt.

Toch is de invloed van de Club van Rome nog steeds zichtbaar. Neem alleen al deze paragraaf: ‘De tijd van produktie ter wille van de produktie is definitief voorbij. Een ekonomische groei die leidt tot steeds meer goederen die steeds sneller vernieuwd moeten worden, tot meer auto’s op steeds grotere wegen, brengt een steeds grotere aanslag op onze schaarse ruimte en ons leefmilieu met zich mee. Tegelijkertijd worden de natuurlijke hulpbronnen bedreigd. Bij de verdeling van de opbrengsten zijn het de knapsten, de rijksten en de machtigsten, die het meest profiteren. Het produktieproces zal ondergeschikt worden gemaakt aan de voorwaarden voor een menswaardig bestaan in een leefbaar milieu voor iedereen. Radikale ingrepen in de huidige vorm van vrije ondernemingsgewijze produktie, met name beheersing van de partikuliere investeringen, zijn onvermijdelijk.’

Het is onmiskenbaar een breuk met het eendimensionale streven naar méér. In het hoofdstuk ‘leefomgeving’ krijgt dit keerpunt meer vorm. Zo mag Schiphol, de luchthaven waarvan de passagiersaantallen tussen 1960 en 1972 zijn vervijfvoudigd tot 6,3 miljoen, vanwege de milieuoverlast niet verder uitbreiden. Als de progressieve partijen hun zin krijgen, wordt er ‘paal en perk gesteld aan de auto-explosie in stedelijke gebieden’ en komt er een ‘prioriteitenverschuiving van wegenaanleg naar investeringen in het openbaar vervoer’. Ook beloven ze wetten tegen bodemverontreiniging en regelgeving om ‘kringloopproduktie’ te stimuleren. En omdat we zuinig moeten zijn met de beperkte voorraden fossiele brandstoffen wordt ‘reklame die het verbruik van elektriciteit en aardgas stimuleert onmiddellijk verboden’. Geheel in de geest van het Grenzen aan de groei-rapport is er ook uitvoerig aandacht voor overbevolking, al is dat toch vooral een kwestie die op mondiaal niveau aangepakt moet worden.

Den Uyl krijgt de gelegenheid om zijn plannen ten uitvoer te brengen. Op 11 mei 1973 staat hij met zijn kabinet op het bordes. De pvda is met 43 zetels de grootste partij geworden, maar omdat de progressieve drie geen meerderheid hebben is er na lang formeren een akkoord bereikt met de christen-democratische partijen arp en kvp. Jan Pronk wordt minister van Ontwikkelingssamenwerking en Sicco Mansholt zal fungeren als informele adviseur van de regering. Eindelijk kan er worden gewerkt aan de oplossing van het Grote Nieuwe Probleem.

Maar nog voordat zijn nieuwe regering goed en wel op stoom kan komen, ziet premier Den Uyl zich geconfronteerd met een crisis. Uit wraak voor de steun aan Israël tijdens de Jom Kipoer-oorlog straffen de Arabische landen de Verenigde Staten en Nederland met een olieboycot. Met als gevolg dat de naoorlogse periode van onafgebroken economische groei, aangejaagd door goedkope aardolie uit het Midden-Oosten, met een schok ten einde komt.

Den Uyl beschouwt de oliecrisis als een bevestiging van de waarschuwingen van de Club van Rome. De grondstofschaarste laat zich al gelden. In één klap wordt duidelijk hoe afhankelijk Nederland is van brandstoffen die elders uit de bodem worden gehaald, en hoe kwetsbaar dit onze economie maakt. De versbakken minister-president ziet zich genoodzaakt om moeilijke maatregelen te nemen: de autoloze zondag wordt ingevoerd, benzine gaat op de bon, de maximumsnelheid op de snelwegen wordt verlaagd en burgers krijgen het dringende advies om de verwarming lager te zetten.

Via radio en televisie spreekt Den Uyl de Nederlanders toe. Het decor is sober, zijn toon vaderlijk, de boodschap ernstig: ‘We moeten beseffen met elkaar dat we niet kunnen voortgaan met het verbruik van beperkte voorraden brandstoffen en grondstoffen zoals we dat in de laatste kwarteeuw hebben gedaan. Zo bezien keert de wereld van voor de oliecrisis niet terug. We zullen ons blijvend moeten instellen op een levensgedrag met een zuiniger gebruik van grondstoffen en energie. Daardoor zal ons bestaan veranderen. Bepaalde uitzichten vallen weg. Maar ons bestaan hoeft er niet ongelukkiger op te worden.’

Januari 2022. Overstroming na extreem zware regenval in het zuidoosten van Brazilië, Juatuba, Minas Gerais © Douglas Magno / AFP / ANP

1992

We zijn de grenzen al gepasseerd, concluderen de MIT-wetenschappers in een nieuw rapport. Maar hun boodschap valt niet in goede aarde. Toch houdt Donella Meadows hoop op een duurzaamheidsrevolutie.

Tijdens de rit van Schiphol naar Bilthoven kijkt Donella Meadows haar ogen uit. De egaal groene weilanden staan vol met koeien en schapen en er is geen berg of heuvel in zicht. Over de brede snelwegen glijdt een eindeloze stoet auto’s – de enige plek waar ze het verkeer ooit drukker heeft gezien is Bangkok. Samen met Dennis Meadows, haar ex-man wiens achternaam ze heeft aangehouden, is Donella in mei 1992 op weg naar het hoofdkantoor van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (rivm) voor een presentatie van hun nieuwste boek: De grenzen voorbij. Beyond the Limits, zoals de oorspronkelijke titel luidt, is een vervolg op het rapport dat Donella en vooral Dennis twintig jaar eerder wereldfaam had bezorgd.

Donella is onder de indruk van het rivm, ‘een onderzoekscentrum dat de beste milieuanalyses ter wereld doet’. Bert de Vries, onderzoeker bij het rivm en een vriend van Donella en Dennis, heeft met enkele collega’s geholpen bij milieuanalyses voor het nieuwe boek. Op het kantoor in Bilthoven staan de Amerikaanse bezoekers al gauw over de computerschermen gebogen, discussiërend over de technische details. Voor Donella is het een verademing, na alle vluchtige media-optredens op de internationale boektour. ‘Stel je voor dat ieder land zo goed zijn grenzen zou analyseren als Nederland!’

In de leeggeruimde kantine houdt Dennis Meadows een toespraak waarin hij uitlegt dat we ‘de grenzen van de duurzaamheid al overschreden’ hebben. Na afloop overhandigt hij een boekexemplaar aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. ‘Er heerste een uitgelaten en geëngageerde sfeer’, herinnert Bert de Vries zich. ‘Voor mij was het Grenzen aan de groei-rapport een belangrijke inspiratiebron. Dat gold voor veel collega’s bij het rivm. We keken op tegen de auteurs, dat waren toch een beetje beroemdheden.’

De aanwezige pers heeft vooral aandacht voor Dennis. Donella voelt zich ‘onzichtbaar’, schrijft ze later in een nieuwsbrief aan vrienden en familie. ‘Iedereen verwees naar professor Meadows en mevrouw Meadows, alsof ze zich niet konden voorstellen dat ik ook een professor zou kunnen zijn.’ Wat veel journalisten niet weten is dat de tekst in beide rapporten grotendeels uit de pen kwam van Donella. Naast een uitmuntend wetenschapper is ze een begenadigd schrijver, iemand die complexe zaken toegankelijk weet uit te leggen. Het is aan haar te danken dat de uitkomsten van het computermodel zo’n enorm publiek wisten te bereiken.

Luister naar de podcast: Jaap Tielbeke in gesprek met Kees van den Bosch.

Donella ‘Dana’ Meadows (1941) groeide op in Illinois, met witbrood voor lunch en ingeblikte bonen als avondeten. Voor haar zestiende verjaardag kreeg ze van haar vader een roestige auto en in de zomervakantie had ze een baantje bij het lokale winkelcentrum. In haar vrije tijd speelde ze softbal en kaartspelletjes. ‘Iedereen die ik kende leefde op die manier’, zou ze later schrijven. ‘Ik wist niet dat er zoiets bestond als lifestyle.’

Pas op de universiteit ontdekte ze dat er dingen waren als artisjokken en opera. Ze studeerde scheikunde en leerde over alle chemische toevoegingen in haar eten. ‘Voor het eerst in mijn leven begon ik bewuste keuzes te maken als consument, in plaats van me te laten leiden door gewoonte.’ Donella was een getalenteerde student. Voordat ze de overstap maakte naar Harvard werkte ze als lab-instructeur aan een hogeschool in Minnesota, waar ze begin jaren zestig Dennis Meadows leerde kennen. Ze werden verliefd en trouwden niet veel later.

Een reis naar Azië opende haar de ogen. In Londen kochten Dennis en Donella een tot camper omgebouwde landrover die ze via Joegoslavië, Bulgarije, Turkije, Iran, Afghanistan en Pakistan naar India reden. Het zorgde voor een ‘kwantumsprong’ in hun eigen levensstijl, schrijft Donella. ‘In India werden we vegetarisch omdat het moeilijk was om vlees te vinden. In moslimlanden konden we geen alcohol kopen. Onze kleding moest simpel en praktisch zijn. Een warme douche werd een ongekende luxe. Wekenlang hadden we geen toegang tot televisie, radio of zelfs kranten. Meestal leefden we zoals de dorpelingen om ons heen, en we kwamen er achter dat we perfect gelukkig waren.’ Eenmaal terug zag Donella de absurditeit van de Amerikaanse levensstijl waarin succes gelijkstaat aan materiële consumptie.

Een ander inzicht dat ze opdeed tijdens de reis was hoe urgent het is ‘om anticonceptie te stimuleren’. Paul Ehrlich, auteur van The Population Bomb, had een vergelijkbare revelatie in India. ‘Op intellectueel niveau begreep ik de bevolkingsexplosie al langer’, schrijft hij op de eerste pagina van zijn beroemde boek. ‘Op emotioneel niveau begon ik het te begrijpen op een hete stinkende nacht in Delhi.’ Met zijn vrouw en dochter baande hij zich een weg door de krioelende mensenmassa in een sloppenwijk, op weg naar hun hotel. Wat hij zag vond hij allemaal behoorlijk angstwekkend: ‘Etende mensen, wassende mensen, slapende mensen. Mensen die discussiëren en schreeuwen. Mensen die hun bedelende handen door het taxiraam duwen. Mensen die poepen en plassen. Mensen die zich vastklampen aan bussen. Mensen die dieren hoeden. Mensen, mensen, mensen.’

Dennis Meadows herkent wel wat in die ervaring. ‘Als je opgroeit in een welvarend westers land en je reist vervolgens naar India, een plek waar miljoenen mensen in armoede leven, dan doet dat wat met je’, vertelt hij. Hij kende Paul Ehrlich en zijn vrouw Anne persoonlijk en hij was onder de indruk van hun boek. ‘Zij kaartten het probleem van overbevolking aan, maar hadden nog geen onderliggend model. Met De grenzen aan de groei leverden wij eigenlijk de wetenschappelijke onderbouwing van hun opvattingen.’

Toen Dennis door Jay Forrester werd gevraagd om aan het Massachusetts Institute of Technology het Club van Rome-project te leiden, haalde hij Donella bij zijn team, niet omdat ze getrouwd waren, maar omdat hij een wetenschapper zocht die het deel over demografie voor haar rekening kon nemen. ‘Dat was het meest complexe deel van het model’, zegt Dennis. ‘Dana heeft dat gebouwd.’

Op de de Earth Summit in Rio de Janeiro, van 3 tot 14 juni 1992, registreerde een bevolkingsklok de toename van de wereldbevolking en de afname van productieve grond, naar VN-schattingen © UN Photo / Michos Tzovaras
Severn Cullis-Suzuki (12) houdt een speech tijdens de top in Rio © United Nations / YouTube
De Amerikaanse president George Bush ondertekent de Earth Pledge met zijn vrouw Barbara © J. David Ake / AFP / ANP
Een deelnemer tekent de Earth Pledge: hij belooft naar zijn beste vermogen te zullen handelen om ‘te helpen van de aarde een veilig en gastvrij thuis te maken voor de huidige en toekomstige generaties’ © UN Photo / Michos Tzovaras
Wetenschapper Donella Meadows © donellameadows.org
De VN-conferentie over Milieu en Ontwikkeling (UNCED) © UN Photo / Michos Tzovaras
Nederlandse afgevaardigden tijdens de speech van Severn Cullis-Suzuki © United Nations / YouTube

Na de verschijning van De grenzen aan de groei in 1972 werd het moeilijk om hun eigen ecologische voetafdruk nog binnen de perken te houden. Donella en Dennis vlogen de wereld over om te vertellen over hun bevindingen. Ze praatten met regeringsleiders, gingen in discussie met wetenschappers en gaven eindeloos veel media-optredens. In 1973 waren ze eregasten bij een etentje in het Haagse Hotel Des Indes, georganiseerd door het kabinet-Den Uyl. Dennis Meadows herinnert zich maar weinig van dat bezoek. ‘Er waren honderden van dat soort speeches en diners. Ik weet nog wel dat ik jullie koningin heb ontmoet, een aardige vrouw.’

Het jonge stel was totaal overvallen door het succes van het wetenschappelijke werk, zegt Dennis. ‘Ik was jong en naïef’, zegt hij. ‘De inhoud leek me allemaal zo voor de hand liggend. Ik was bang dat het saai zou zijn. Maar het bleek dat het voor veel mensen helemaal niet voor de hand lag.’ Saai was het evenmin. De media smulden van de doemscenario’s en klopten ze stevig op. Het milieubewustzijn dat in de jaren zestig ontkiemde, en een boost kreeg door de Club van Rome, kwam in de daaropvolgende decennia tot volle bloei.

De groene beweging lobbyde met succes voor strengere regels om vervuiling tegen te gaan. In veel westerse landen klaarden de luchten op en werden de rivieren schoner. Toen het kabinet-Den Uyl de Oosterscheldekering moest bouwen kozen ze in 1974 voor een doorlaatbare dam. Die constructie was weliswaar duurder, maar beperkte de schade aan de ecosystemen. Het was een teken dat politici meer oog hadden gekregen voor de natuur. Tijdens de Duitse verkiezingen van 1983 wonnen Die Grünen 27 zetels. Terwijl de verontreiniging in Europa en Amerika steeds minder zichtbaar werd, bleef de economie groeien.

Ondanks de enorme impact van het mit-rapport werd de kernboodschap dus genegeerd. Van het temmen van de ongebreidelde groei kwam weinig terecht, zelfs niet in ‘gidsland’ Nederland. De zorgen over het milieu werden in het kabinet-Den Uyl snel naar de achtergrond verdreven door kwesties als begrotingstekorten en werkgelegenheid. Nadat de schrik van de eerste oliecrisis was weggeëbd, bleek dat er van acute schaarste geen sprake was. Er kwam nog wel een ‘nota inzake selectieve groei’, waarin het ministerie van Economische Zaken onderzocht hoe een gezonde arbeidsmarkt verenigd kon worden met een gezond milieu, maar de theoretische analyse over de grenzen aan de groei bleek makkelijker dan de politieke vertaalslag. ‘We werden op een gegeven moment ingehaald door de werkelijkheid’, vertelt Jan Pronk, onder Den Uyl minister van Ontwikkelingssamenwerking. ‘Het kapitalisme was te sterk.’

‘In 1972 dacht ik dat het simpel was’, zegt Dennis Meadows. ‘Je doet onderzoek als wetenschapper, je identificeert een probleem, maakt een computermodel en presenteert de bevindingen in een rapport. Dat rapport geef je aan belangrijke figuren, die lezen het en denken: mijn hemel, ik heb het al die tijd bij het verkeerde eind gehad, ik ga het helemaal anders doen. Nou, dat is een sprookje. Zo werkt verandering niet, in ieder geval niet in de politiek. Een politicus zei me ooit: “Oké, je hebt ons verteld wat we zouden moeten doen. Maar je hebt ons niet verteld hoe we herkozen kunnen worden als we dat eenmaal hebben gedaan.”’

Tien jaar lang had Jørgen Randers, de Noorse wetenschapper die als promovendus bij het mit-team kwam, de wereld rondgereisd om presentaties te geven over het Grenzen aan de groei-rapport. Totdat hij begin jaren tachtig de moed opgaf. ‘Ik had het idee dat we te vroeg waren’, vertelt hij. ‘De wereld was nog niet klaar om dit te horen.’ Hij keerde terug naar Noorwegen, waar hij voorzitter werd van een businessschool en toetrad tot de bestuursraden van verschillende bedrijven. Pas wanneer hij in 1991 een telefoontje krijgt van Donella Meadows begint het weer te kriebelen. Of het niet tijd wordt voor een update van De grenzen aan de groei? Niet in opdracht van de Club van Rome, deze keer, maar gewoon omdat de wereld behoefte heeft aan een nieuwe wake-upcall. Randers neemt een paar weken onbetaald verlof en reist naar New England in de VS om Dennis en Donella te helpen met schrijven.

Het plan is aanvankelijk om de computermodellen te laten draaien met actuele gegevens. Maar Donella merkt al gauw dat zo’n simpele update niet genoeg is. ‘Dit zijn andere tijden, we hebben een nieuwe en sterkere boodschap, er is veel meer informatie en ik ben een veel betere schrijver dan twintig jaar geleden’, schrijft ze. Beyond the Limits wordt dus een compleet nieuw boek, geschreven door drie van de vier hoofdauteurs van het originele rapport.

Alleen Bill Behrens heeft weinig zin om zich met het project te bemoeien. Een paar jaar na het uitkomen van De grenzen aan de groei had hij de universiteit vaarwel gezegd en was de bossen ingetrokken, waar hij begon met het bouwen van ‘impactloze’ ecohuizen. ‘Zodra ik doorhad dat de mensheid moest veranderen, vond ik dat ik mijn eigen leven ook moest omgooien’, vertelt hij. ‘Ik wilde niet alleen verandering bestuderen, maar verandering teweegbrengen met mijn eigen handen. Ik probeerde te begrijpen wat het op persoonlijk niveau betekent om te leven binnen de grenzen van de planeet.’

Behrens laat zich niet overhalen tot een terugkeer bij het oude team, al komt hij nog wel een avond langs voor een reünie in Durham, een plaatsje in New Hampshire waar Dennis Meadows woont en Jørgen Randers logeert. ‘That was fun!’ noteert Donella na afloop in haar nieuwsbrief. ‘Het was sowieso leuk om de hele maand te werken met Dennis en Jørgen.’ In de weekenden rijdt ze regelmatig vanaf haar boerderij in Vermont, waar ze na de scheiding bleef wonen, naar Dennis’ huis om samen aan de tekst en berekeningen te schaven. Waren ze twintig jaar geleden nog afhankelijk van een log apparaat dat de kamer vulde, nu kunnen ze het computermodel draaien op hun Macintosh-computers. Met floppydisks wisselen ze de verschillende documenten uit.

Als de proefdruk is ingeleverd twijfelt Donella of mensen wel zullen luisteren. De centrale boodschap is er een die ‘de wereld niet graag wil horen’, vreest ze: ‘dat de menselijke economie structureel onhandelbaar is geworden, de duurzame grenzen heeft overschreden en de verkeerde waarden centraal stelt’.

Een maand later, als de laatste correcties zijn doorgevoerd, is ze alweer een stuk hoopvoller. ‘Ik bid dat we deze keer de gelegenheid kunnen aangrijpen om de wereldwijde discussie om te buigen naar de werkelijk centrale kwesties van armoede en milieu, van solidariteit met alle mensen en een goed beheer van onze natuurlijke hulpbronnen, van vooruitgang en waar het ons brengt, van hoeveel genoeg is – in plaats van dwaze afleidingen over groei of geen groei, over de betrouwbaarheid van onze computermodellen of over hoe technologie en vrije markten alle problemen kunnen oplossen. Er is een kans. Met genoeg stemmen op de juiste plaatsen is er een kans om verandering teweeg te brengen in de politieke arena.’

Willen mensen de boodschap ‘dat de menselijke economie structureel onhandelbaar is geworden’ wel horen?

Helaas veroorzaakt De grenzen voorbij lang niet zoveel reuring als de voorganger. Terwijl de zaken er in veel opzichten slechter voorstaan dan twintig jaar geleden. Omdat er niets is veranderd aan de trend van exponentiële groei, zijn we sommige milieugrenzen al gepasseerd. In grote delen van de wereld is de bodem geërodeerd, flora en fauna verdwijnen in een angstaanjagend tempo en ons energieverbruik groeit harder dan ooit tevoren. In 1972 was de voornaamste zorg nog dat de aardolie daardoor schaars zou worden, inmiddels doemt er een nieuwe grens op: het broeikaseffect. Wat in De grenzen aan de groei slechts terloops werd aangestipt, wordt in De grenzen voorbij erkend als een serieuze dreiging: de toenemende CO2-uitstoot, door de onmatige consumptie van fossiele brandstoffen en het neermaaien van bossen, zorgt voor de opwarming van de aarde.

Toch zijn de auteurs deze keer iets terughoudender in toon, beducht als ze zijn om in dezelfde val te trappen als twintig jaar geleden. Toen werden hun bevindingen overal gepresenteerd als een aankondiging van de Apocalyps, terwijl ze toch duidelijk hadden geschreven dat dit scenario’s zijn die laten zien wat er kán gebeuren, niet wat er zál gebeuren. We kunnen nog steeds kiezen voor een duurzame toekomst, benadrukken Dennis en Donella in elke presentatie die ze nu geven. Overshoot is een feit, maar als we verstandig handelen kunnen we collapse nog voorkomen.

Zoals Donella al vreesde is het geen verhaal waar de wereld om staat te springen. In Amerika verkoopt Beyond the Limits de eerste maanden achttienduizend exemplaren en ook in Nederland zijn de verkoopaantallen slechts een fractie van die van het oorspronkelijke rapport. Waar De grenzen aan de groei nog in minstens dertig talen verscheen, krijgt de opvolger slechts vijftien vertalingen. Misschien komt het doordat hun boodschap niet wezenlijk anders is dan twintig jaar eerder. Het computermodel, de opbouw van het boek, de belangrijkste conclusies, het is allemaal grofweg hetzelfde gebleven. Het schokeffect is weg.

Misschien komt het ook doordat de inhoud van De grenzen voorbij niet strookt met de optimistische tijdgeest. In 1992 verklaart de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama de geschiedenis ten einde in zijn iconische boek The End of History and the Last Man. De Berlijnse Muur is gevallen, de Sovjet-Unie geïmplodeerd en het democratisch kapitalisme lijkt het enige overgebleven model. In Nederland heeft Joop den Uyl, wiens tweede kabinet er nooit zou komen, het stokje als pvda-leider in 1986 overgedragen aan Wim Kok, de vakbondsman die zich zal ontpoppen tot een pragmaticus zonder ‘ideologische veren’. En ook elders nemen de sociaal-democraten de afslag naar de ‘Derde Weg’. Ze geloven nog steeds dat de staat een belangrijke rol heeft om de sociale rechtvaardigheid te bevorderen, maar geven meer ruimte aan de markt om groei aan te jagen, ondernemerschap te stimuleren en welvaart te scheppen.

Het kan verklaren waarom grote Amerikaanse uitgeverijen, ondanks het verkoopsucces van het eerste rapport, niet staan te springen om de weinig vrolijk stemmende opvolger uit te geven. In haar nieuwsbrief citeert Donella uit een paar afwijzingsbrieven. ‘De auteurs schrijven goed en gepassioneerd, maar dit idee lijkt me een beetje vergezocht’, vindt de een. En een ander: ‘Het lijkt vooral een verdediging van de oude Grenzen en verkent nauwelijks onbekend terrein. Het eerste boek was opvallend vanwege de frisse visie en aanpak; hier lijken ze niet veel verder te komen dan: “We zeiden het toch.”’

Ook in Nederland is de ontvangst in de media een stuk sceptischer. We moeten dit soort ‘rampenscenario’s met een flinke korrel zout nemen’, schrijft De Telegraaf. Beweerde de Club van Rome twintig jaar geleden immers niet dat de wereldvoorraad goud, lood en kwik zo onderhand uitgeput zou moeten zijn? ‘Heeft u daar ooit iets van gemerkt? Laten we daarom optimistisch zijn.’ Aan het beeld dat ‘Meadows en de zijnen’ in 1972 schetsten ‘mankeerde veel’, constateert ook NRC Handelsblad. Het nieuwe rapport is niet iets ‘waar de wereld nu op heeft zitten te wachten’, aldus een recensent in Het Parool. De eerste hoofdstukken zijn een ‘oppervlakkige en niet erg originele opsomming van de meest urgente wereldproblemen’ en als het aankomt op oplossingen komen de auteurs niet verder dan ‘wollig-optimistische teksten’.

De eerste weken na de verschijning wordt Beyond the Limits in de Verenigde Staten goeddeels genegeerd. ‘De media zijn de afgelopen twintig jaar enorm veranderd’, schrijft Donella. ‘Het probleem is deze keer dat hun aandachtsspanne compleet lijkt ingestort.’ Er is geen tijd om uit te leggen hoe hun model in elkaar steekt, hoe terugkoppelingsmechanismen werken en waarom een scenario iets anders is dan een voorspelling. ‘O, ze vonden het heel interessant hoor’, krijgt Donella naar eigen zeggen te horen van een tv-redacteur, ‘maar ze gaan er op dit moment niets mee doen. Ze wachten op een olielek of zo, dan hebben ze een nieuwshaakje.’

Op de Amerikaanse radio moet Donella in debat met iemand van een conservatieve denktank die haar constant onderbreekt om klimaatverandering en het gat in de ozonlaag te bagatelliseren. ‘Het duurde niet lang voordat hij me vergeleek met Marx en me ervan beschuldigde dat ik de wereld communistisch wilde maken.’ Donella kan er niet bij met haar hoofd, zo veel moedwillig onbegrip. Het is tekenend voor de kortzichtigheid en sensatiebelustheid van de pers, vindt ze. Een diepgravend inhoudelijk debat legt het af tegen oppervlakkige relletjes. Entertainment gaat boven waarheidsvinding.

En dan te bedenken dat Donella de meest optimistische van het stel is. Jørgen Randers heeft er al geen vertrouwen meer in dat mensen naar hun waarschuwingen zullen luisteren. Volgens hem is een ineenstorting van de industriële beschaving onvermijdelijk. Ook Dennis Meadows begint daar steeds meer van overtuigd te raken. Van zijn optimisme uit 1972 is niets meer over. We zijn niet in staat om de mondiale milieuproblemen op te lossen, denkt hij nu. Ontbossing en watervervuiling kun je nog op lokaal niveau aanpakken. Het kost geld en inspanning, maar de resultaten zijn direct tastbaar. Mondiale problemen als klimaatverandering kennen daarentegen geen eenduidige oplossing. Ze vragen onmiddellijke offers, terwijl de baten zich pas later of elders manifesteren. ‘Zulke problemen, waarvoor de hele wereld moet samenwerken om ze op te lossen, worden meestal niet opgelost’, zegt hij.

Donella blijft geloven in de goedheid van de mens, ook na de teleurstellende ontvangst van De grenzen voorbij. In haar nieuwsbrieven en columns voor landelijke kranten schrijft ze niet alleen over de ellende in de wereld, maar heeft ze ook oog voor de aantrekkelijke alternatieven die op kleine schaal in de praktijk worden gebracht. Dat is wat ze zelf probeert op haar boerderij, Cobb Hill. Geheel in de geest van het think globally, act locally-adagium heeft ze in de groene heuvels van New England een leefgemeenschap gesticht met gelijkgestemden. Ze verbouwen hun eigen groenten, houden schapen en leven zo veel mogelijk volgens de principes van duurzaamheid. Ondertussen werkt Donella aan boeken en doceert ze op Dartmouth College, een Ivy League-universiteit in New Hampshire. Op haar kantoordeur heeft ze een bordje gehangen: ‘Als ik wist dat de wereld morgen ten einde zou komen, zou ik vandaag een boom planten.’

Met een beetje politieke wil is de mensheid bovendien best in staat een ondergang af te wenden, gelooft Donella. Neem het gat in de ozonlaag. In 1987 waren alle VN-leden het eens geworden over het Montrealprotocol, een internationaal verdrag over het uitfaseren van gassen die schadelijk zijn voor de ozonlaag. Het is een bewijs dat het kan, grensoverschrijdende samenwerking om de mondiale milieuproblemen aan te pakken. ‘Het Montrealprotocol was een historisch akkoord’, aldus De grenzen voorbij. ‘Het ging veel verder dan wat milieudeskundigen in die tijd als politiek haalbaar achtten.’ Wat we nodig hebben, is een soortgelijk akkoord voor het klimaat.

November 2021. Een cocaveld en resten van bomen in het Colombiaanse Amazonegebied in het departement Guaviare © Raul Arboleda / AFP / ANP

Het is muisstil in de zaal als de twaalfjarige Severn Cullis-Suzuki achter de microfoon staat. Ze heeft meer dan tienduizend kilometer gereisd, van Vancouver naar Rio de Janeiro, ‘to tell you adults you must change your ways’. Ze vecht voor haar toekomst en die van de generaties na haar, zegt ze. Ademloos luisteren tientallen gedelegeerden, de meesten via een koptelefoon voor de simultaanvertaling, naar haar toespraak. ‘Vergeet niet waarom jullie op dit soort conferenties samenkomen. Voor wie jullie dit doen’, zegt de jeugdige milieuactivist.

Het applaus houdt meer dan een minuut aan. ‘Bedankt dat je ons eraan herinnert dat we niet alleen verantwoordelijk zijn voor onze woorden, maar ook voor onze daden’, zegt de voorzitter van de Earth Summit. Terwijl Dennis en Donella de wereld rondreizen ter promotie van Beyond the Limits, hebben staatshoofden zich in juni 1992 verzameld in Rio de Janeiro om de planeet voor de ondergang te behoeden.

Vanaf dag één heerst er een aanstekelijke energie in het conferentiecentrum, ziet Jan Pronk, die als minister van Ontwikkelingssamenwerking co-voorzitter is van de Nederlandse delegatie. Jongeren zijn in groten getale afgereisd naar Brazilië, net als groene actiegroepen. De vele aanwezige journalisten lijken oprecht begaan met de zaak. ‘Sinds 1972 heb ik de nodige conferenties bijgewoond, maar dit had ik niet eerder meegemaakt’, vertelt hij. De wandelgangen krioelen van lobbyisten en diplomaten, hun oren gedrukt tegen de nieuwste gadget: een draagbare telefoon. ‘Dat gaf een sfeer van actiegerichtheid.’

Het optimisme is groot en de verwachtingen zijn hooggespannen. ‘Na de Koude Oorlog overheerste wereldwijd de opluchting’, zegt Pronk. ‘Het geld dat voorheen werd besteed aan veiligheid en de wapenwedloop konden we nu besteden aan de bestrijding van armoede en de bescherming van het milieu. We hadden de energie én de middelen voor een heel andere aanpak.’

De spanningen tussen Oost en West mogen dan afgenomen zijn, de tegenstelling tussen Noord en Zuid blijkt hardnekkig. De geïndustrialiseerde landen, die menen dat zij veel vooruitgang hebben geboekt in het tegengaan van milieuvervuiling, botsen met de ontwikkelingslanden, die vinden dat de rijke vervuilers nog veel meer moeten doen. Aan Pronk de niet eenvoudige taak om de onderhandelingen te leiden over de financiële steun die arme landen zouden moeten krijgen om milieuproblemen aan te pakken. ‘Het Zuiden wil natuurlijk altijd meer – en geef ze eens ongelijk – terwijl vooral de Amerikanen op de rem staan’, zegt Pronk. ‘Uiteindelijk kwamen we overeen dat milieusteun niet ten koste mocht gaan van de sociaal-economische ontwikkelingshulp.’

Waar in Stockholm nog vaak vertegenwoordigers uit lagere rangen de honneurs waarnamen, sturen de meeste landen nu een regeringsleider naar Rio. ‘Dit is een historische bijeenkomst’, spreekt president George H.W. Bush de Earth Summit toe. ‘Twintig jaar geleden spraken sommigen van grenzen aan de groei, maar vandaag beseffen we dat groei een motor is van verandering en een vriend van het milieu.’

Jan Pronk blijft ervan overtuigd dat er grenzen aan de groei bestaan, maar in Rio vinden zulke opvattingen nauwelijks nog weerklank. ‘De wereld was meer bezig met het tegengaan van de negatieve neveneffecten van groei dan dat het groeisysteem zelf nog in vraag werd gesteld. Het kapitalisme bloeide als nooit tevoren, er was een groot geloof in technologische vooruitgang. De jaren negentig waren het decennium waarin het neoliberalisme alle kansen kreeg.’

Rio is de eerste internationale top waarop wereldleiders zich buigen over ‘het klimaat’. Een paar jaar eerder, in 1988, is het Intergovernmental Panel on Climate Change opgericht. Het ipcc is een bureau van de VN dat wetenschappelijke studies naar klimaatverandering verzamelt en evalueert. In 1990 verscheen hun eerste overzichtsrapport. De wetenschappers zijn er vrij zeker van dat de menselijke activiteit de concentratie broeikasgassen aanzienlijk verhoogt en dat dit leidt tot stijgende temperaturen. Wat daarvan de precieze gevolgen zullen zijn is nog onzeker, maar waarschijnlijk staat ons een hoop ellende te wachten als er geen actie wordt ondernomen.

Daarom moet de uitstoot van broeikasgassen gereduceerd worden, spreken de landen af tijdens de conferentie in 1992. Rio is de geboortegrond van de United Nations Framework Convention on Climate Change, het klimaatverdrag dat een raamwerk optuigt voor de jaarlijkse internationale onderhandelingen over klimaatbeleid. Het is, in retrospectief, misschien wel de belangrijkste uitkomst van de conferentie.

Harde internationale afspraken over CO2-vermindering komen er niet in Brazilië, vooral omdat de VS, veruit de grootste uitstoter, weigeren een juridisch bindende tekst te ondertekenen. Wel komt er een Verklaring van Rio, met 27 beginselen die door 178 landen onderschreven worden. ‘Mensen staan centraal in de zorg voor duurzame ontwikkeling. Zij hebben recht op een gezond en productief leven in harmonie met de natuur’, zo luidt het eerste beginsel. De algemene, om niet te zeggen vage, verklaring wordt aangevuld door de gedetailleerdere Agenda 21, een duurzaam actieplan voor de 21ste eeuw. Al is niemand daar onverdeeld gelukkig mee. Volgens het Noorden ontbreekt het thema van de bevolkingsexplosie in het Zuiden. Volgens het Zuiden is er te weinig aandacht voor de overconsumptie in het Noorden.

Toch vertrekt Pronk met een goed gevoel uit Brazilië. ‘Agenda 21 vind ik nog altijd een goed stuk’, zegt hij nu. ‘Het is vooruitstrevend en wordt voorafgegaan door een lijst beginselen die stuk voor stuk goed doordacht zijn. Het erkent dat milieuvraagstukken in samenhang moeten worden gezien met ontwikkelingsvraagstukken – die holistische aanpak was een doorbraak.’

Bij de buitenwacht overheerst teleurstelling. Het regent vooral fraaie voornemens, maar zonder afdwingbare afspraken is het maar de vraag wat daarvan terecht zal komen, constateren veel commentatoren. ‘Het is vooral een media-event geworden’, schrijft adjunct-hoofdredacteur Pieter Broertjes in de Volkskrant. ‘Het belangrijkste verschil tussen Rio en Stockholm, is dat nu cynisme overheerst, waar toen nog hoop was. Na de schok van de Club van Rome was de verklaring van Stockholm een fris geluid in de strijd tegen milieuvervuiling. Twintig jaar later is het milieubesef weliswaar toegenomen, de daden ontbreken nog.’

Jan Pronk blijft overtuigd van de grenzen aan de groei, maar op de VN-top vinden zulke opvattingen nauwelijks nog weerklank

Donella Meadows weigert mee te gaan in het cynisme. Ondanks het gebrek aan ambitie bij overheden was de top in Rio zeker geen tijdverspilling, schrijft ze in haar column. Want de acties van overheden zijn slechts een deel van het verhaal. ‘Op het niveau van mensen was de Earth Summit een succes.’ De conferentie kaartte de juiste kwesties aan en doordat het een mediaspektakel was, drongen die kwesties ook door tot in de huiskamers van burgers en de bestuurskamers van bedrijven. Het creëerde bewustwording en ‘dat is geen geringe prestatie’.

Het is tekenend voor het onvermoeibare idealisme van Donella. Ze blijft zich inspannen voor een duurzame wereld, al weet ze dat het een enorme opgave zal zijn. ‘We hebben het namelijk over een echte revolutie: geen politieke ommekeer zoals de Franse Revolutie, maar een veel ingrijpender omwenteling zoals de agrarische en de industriële revolutie’, zo staat te lezen in het laatste hoofdstuk van De grenzen voorbij. Hoewel het in de wij-vorm is geschreven, zijn dit de pagina’s waarop Donella haar hart laat spreken. Ze heeft het over solidariteit, gemeenschapsgevoel, leiderschap, bescheidenheid, visie en elkaar liefhebben. ‘Ineenstorting is onvermijdelijk als mensen niet leren zichzelf en anderen met compassie te bezien.’

Dat is ook de strekking van haar lezing die ze in mei 1992 geeft op het rivm-kantoor, memoreert gastheer Bert de Vries. ‘Dennis hield een puur wetenschappelijke voordracht met allerlei cijfers en figuren, terwijl Donella vanuit het gevoel sprak.’ Persoonlijk vindt De Vries het een krachtig verhaal, maar hij merkt dat veel van zijn hoofdzakelijk mannelijke collega’s niet goed weten wat ze aan moeten met een vrouw die praat over vertrouwen en liefde. ‘Daar werd toch een beetje spottend over gedaan. Het was allemaal wel erg soft.’

Donella houdt een onbevredigend gevoel over aan haar bezoek aan Nederland. Ze proeft dat ze niet helemaal serieus wordt genomen. Had ze moeten benadrukken dat ze heus een serieuze wetenschapper is? Ze is niet zo ijdel dat ze zo nodig in het centrum van de aandacht moet staan, maar ze is ervan overtuigd dat juist de ‘zachte’ krachten, waar veel mannelijke collega’s voor terugschrikken, hard nodig zijn om het pessimisme te bestrijden. De droge feiten alleen zijn nooit genoeg, weet Donella, de duurzaamheidsrevolutie vergt een kentering van ons wereldbeeld.

November 2021. Bij een BMW-fabriek in Shenyang in de noordoostelijke Chinese provincie Liaoning staan de nieuw geproduceerde auto’s op een rij op de sneeuw © STR / AFP / ANP

2002

Optimistische dwarsdenkers verzetten zich tegen het gesomber van de milieubeweging. Van de onheilstijdingen van de Club van Rome is niets terechtgekomen, toch? Ondertussen maken klimaatwetenschappers zich steeds grotere zorgen.

Bjørn Lomborg beschouwt zichzelf als een sceptische milieuvriend. Een vriend, omdat hij heus begaan is met het milieu. Sceptisch, omdat hij – op z’n zachtst gezegd – bedenkingen heeft bij de klaagzang van de groene beweging. Lange tijd geloofde de Deense politicoloog dat de wereld naar de knoppen ging. Als student was hij lid van Greenpeace en de verontrustende berichten in het ledenblaadje maakten diepe indruk op hem. Verwoeste regenwouden, uitstervende dieren, uitgeputte akkers – de mensheid is bezig haar eigen graf te graven, daar was hij van overtuigd.

Totdat hij in februari 1997 een lang interview tegenkomt met de Amerikaanse econoom Julian Simon. ‘The Doomslayer’ is de kop boven het artikel in technologieblad Wired. Al die bangmakerij is compleet ongegrond, want in allerlei opzichten gaat het beter dan ooit, beweert de vrijemarktdenker met droge ogen. De vrees van Thomas Malthus en Paul Ehrlich dat bevolkingsgroei zou leiden tot honger en armoede? Het tegenovergestelde is waar. De angst van de Club van Rome dat natuurlijke hulpbronnen uitgeput raken? Nergens voor nodig, we leven in overvloed. ‘Binnen een eeuw of twee hebben de meeste mensen op aarde net zo’n hoge levensstandaard als het Westen vandaag’, voorspelt Simon.

Lomborg weet niet wat hij leest. Dit staat haaks op zijn wereldbeeld. Kan het zijn dat de apocalyptische verhalen van de milieubeweging op drijfzand berusten? Simon draagt allerlei cijfers en statistieken aan om zijn punt te onderbouwen en Lomborg is weliswaar geen milieu-expert, maar weet als politicoloog wel raad met statistieken. Hij verzamelt een groepje geïnteresseerde studenten en besteedt een paar werkgroepen aan het zorgvuldig ontleden van Simons beweringen. Wat blijkt? Niet alles wat de econoom vertelt klopt, maar zijn centrale stelling blijft overeind.

Wanneer hij die bevindingen optekent in een artikelenreeks voor het Deense dagblad Politiken verbaast Lomborg zich over de felle reacties uit de groene hoek. Direct schieten de natuurbeschermers en ecologen in een defensieve kramp en lanceren ze tegenaanvallen om Lomborgs geloofwaardigheid te ondermijnen. Ze willen het goede nieuws niet horen, lijkt het wel. Maar de cijfers liegen niet, toch?

Het Grenzen aan de groei-rapport is een favoriet doelwit van Lomborg. De Club van Rome staat symbool voor de paniekzaaierij waar hij zich tegen verzet. In 2002, dertig jaar na het verschijnen van hun eerste rapport, schrijft Lomborg met een collega een artikel in het invloedrijke tijdschrift Foreign Policy waarin ze er fijntjes op wijzen dat geen van de alarmerende voorspellingen is uitgekomen. ‘Cruciale mineralen zoals goud, zilver, koper, tin, zink, kwik, lood, wolfraam en olie zouden onderhand uitgeput moeten zijn. Maar dat zijn ze niet.’ De prognoses uit de opvolger De grenzen voorbij hebben de tand des tijds evenmin doorstaan. Hun waarschuwing dat voedselproductie zou afnemen is gelogenstraft door de realiteit: de gemiddelde calorie-inname per hoofd van de bevolking nam tussen 1994 en 2000 juist toe.

Het grootste probleem is niet eens de gebrekkige methodologie, stelt Lomborg. ‘De echte zwakte is de onderliggende aanname dat onze planeet een eindige voorraad essentiële grondstoffen heeft (zoals olie, water en graan) die niet vervangen kunnen worden.’ Zo werkt het volgens hem namelijk niet. Door economische ontwikkeling en technologische innovatie ontdekken we telkens nieuwe voorraden en betere alternatieven. Wat Meadows en zijn team onderschatten is de vindingrijkheid van de mens. ‘In plaats van ons druk te maken over de grenzen aan de groei, is de mensheid er meer bij gebaat als we ons richten op de echte bedreigingen van groei en welvaart: niet bevolkingsgroei of grondstofschaarste, maar corruptie, handelsbelemmeringen en oorlog.’

Kort daarvoor heeft Lomborg naam gemaakt met The Skeptical Environmentalist (2001), een doorwrocht maar toegankelijk boek met bijna drieduizend eindnoten, waarin hij de sombere scenario’s van de groene beweging ontkracht. Het Wereldnatuurfonds en Greenpeace waarschuwen voor ontbossing, maar vergeten te vermelden dat het wereldwijde bosareaal sinds 1950 grofweg gelijk is gebleven. Ze maken zich zorgen om pesticiden, maar negeren dat bestrijdingsmiddelen een hongersnood hebben afgewend. Ze wijzen economische groei aan als boosdoener, maar hoe verklaren ze dan dat juist rijkere landen schonere luchten en rivieren hebben? ‘Ecologische ontwikkeling komt vaak voort uit economische ontwikkeling’, schrijft Lomborg. ‘Alleen als we rijk genoeg zijn kunnen we ons de relatieve luxe veroorloven om zorg te dragen voor ons milieu.’

Het boek leest haast als een fotonegatief van het eerste rapport van de Club van Rome: de grafieken die Lomborg opvoert stemmen optimistisch en waar Meadows en zijn team vooral mogelijke toekomstscenario’s toonden, kijkt de Deense politicoloog liever naar de feiten van het verleden. Wat hij daar ziet is een berg bewijs van een ongekend succesverhaal. We leven steeds langer en gezonder en zijn rijker en beter opgeleid. We zijn hard op weg om armoede en honger uit te roeien. Hij wil niet beweren dat er niets meer te verbeteren valt, maar we moeten niet voorbijgaan aan de ongekende vooruitgang die de mensheid de afgelopen twee eeuwen heeft geboekt. De grootste fout die we kunnen maken is dat we tornen aan de motor achter deze voorspoed: economische groei.

Iemand die gelooft dat er grenzen zijn aan de groei zal counteren dat in het verleden behaalde resultaten geen garantie zijn voor de toekomst. Misschien nadert de menselijke beschaving haar hoogtepunt en ligt de ineenstorting om de hoek. Dat is bijvoorbeeld hoe Paul Ehrlich zich verweert tegen de kritiek op zijn boek. Nee, het Verenigd Koninkrijk is niet van de aardbodem verdwenen, zoals hij in The Population Bomb met gevoel voor provocatie had voorspeld. Een massale hongersnood of Derde Wereldoorlog kwam er evenmin. Maar dat betekent niet dat zijn analyse onjuist was, houdt Ehrlich vol. Verwar uitstel niet met afstel, vroeg of laat krijgen we de rekening gepresenteerd.

Voor Lomborg is het een vorm van valsspelen: door constant de doelpalen te verplaatsen kunnen de doemdenkers nooit op hun uitspraken worden afgerekend. Daar maken ook de auteurs van het Grenzen aan de groei-rapport zich schuldig aan, vindt hij. In plaats van hun fouten toe te geven, stelden ze in hun update dat het bewijs voor hun gelijk zich nog moet manifesteren.

Lomborg roept graag de legendarische weddenschap in herinnering tussen Julian Simon, de econoom die hem de ogen opende, en Paul Ehrlich, zijn favoriete schietschijf. Ehrlich was ervan overtuigd dat de prijzen van chroom, koper, nikkel, tin en wolfraam tussen 1980 en 1990 zouden stijgen. Als de vraag naar deze eindige edelmetalen zou toenemen, zouden ze immers schaarser en dus duurder worden. Mocht hij het fout hebben, dan zou Ehrlich het prijsverschil aan Simon betalen. Zo kon het gebeuren dat de econoom een cheque in de bus kreeg ter waarde van 576,07 dollar. Ondanks een ongeremde groei van de wereldbevolking waren de prijzen van de door Ehrlich uitgekozen metalen stuk voor stuk gedaald. Volgens Simon was het een bewijs van de kracht van de markt en innovatie. ‘De doemprofeten hadden verloren’, concludeert Lomborg met onverhuld genoegen.

Waar Julian Simon bekendstond als een knorrige conservatief, profileert Lomborg zich als een vegetarische progressieveling die besloten heeft de feiten serieus te nemen en er niet omheen kan dat het een stuk minder erg is dan menige bezorgde burger denkt. Het maakt hem tot een geliefd tegengeluid in de media. The Skeptical Environmentalist, dat verschijnt bij een universitaire uitgeverij, wordt een bestseller en krijgt lovende besprekingen in The Economist en The Wall Street Journal. Dit boek is ‘het belangrijkste werk over het milieu sinds het verschijnen van zijn ultieme tegenhanger, Rachel Carsons Silent Spring, uit 1962’, schrijft de recensent van The Washington Post.

Hoewel een Nederlandse vertaling uitblijft, krijgt Lomborg ook hier de nodige aandacht. ‘Sceptici in het milieudebat zijn er al langer, maar het verfrissende van de Deense statisticus is dat hij geen deel uitmaakt van de verbitterde, rechtse oude-mannenbrigade die het aanzien van die groep bepaalt’, schrijft de Volkskrant in een profiel. Elsevier-wetenschapsjournalist Simon Rozendaal, zelf ook vaak kritisch op de groene beweging, verklaart zich fan en wijdt meerdere artikelen aan zijn Deense medestander. Negeer de lokroep van onheilsprofeten, is de teneur, iedere keer weer weet de mens de zogenaamde grenzen te verleggen.

Speciale VN-gezant Jan Pronk (rechts), hanteert een scheerapparaat op zonne-energie. De wereldtop over duurzame ontwikkeling in Johannesburg wordt gehouden van 26 augustus tot 4 september 2002 © Howard Burditt / Reuters
Secretaris-generaal Kofi Annan (links) met premier Jan Peter Balkenende, tijdens de wereldtop © UN Photo / Evan Schneider
De Deense politicoloog Bjørn Lomborg, auteur van The Skeptical Environmentalist
President Hugo Chavez van Venezuela op de VN-top in Johannesburg © Philippe Desmazes / AFP / ANP
Topcoördinator Jan Pronk (links) op de tweede dag, waarbij de afgevaardigden zich concentreerden op de landbouw en de problemen die de enorme subsidies aan Europese en Amerikaanse boeren veroorzaken voor producenten in de derde wereld © Pedro Ugarte / AFP / ANP
Welkomstceremonie op 25 augustus door Zuid-Afrikaanse dansers in het Ubuntu (Friendship) Village in Johannesburg. © Philippe Desmazes / AFP / ANP

Hoe vaak hij zulke aantijgingen wel niet heeft moeten weerleggen, Dennis Meadows is de tel ondertussen kwijtgeraakt. Het is een hardnekkig misverstand, vertelt hij, dat zijn team voorspellingen deed over de toekomst. Het is onzin dat het Grenzen aan de groei-rapport beweerde dat de goudvoorraad in 1981 op zou raken, zoals Lomborg het doet voorkomen. Of dat we in 1990 zonder zink zouden zitten. Het enige wat ze schreven is dat de toen bekende voorraden ontoereikend waren bij een exponentieel groeiende vraag. Dat was een feitelijke rekensom, geen voorspelling. ‘De meeste mensen die ons boek bekritiseren hebben het duidelijk niet gelezen’, zegt Meadows. ‘Al geldt dat helaas ook voor sommigen die ons boek de hemel in prezen.’

Een model is altijd een versimpelde weergave van de werkelijkheid, benadrukt hij. Dat is de kracht en de beperking. Het World3-model was nooit bedoeld om te voorspellen wanneer welke grondstof op zou raken. Het schetste enkel verschillende paden voor de toekomst. Welke daarvan het dichtst de werkelijkheid zou benaderen, is helemaal afhankelijk van de keuzes die de mensheid maakt. De computer is geen glazen bol, zegt Meadows. ‘Het gaat om algemene patronen. Ik kan niet precies voorspellen wanneer we welke ecologische grens overschrijden, maar die grenzen zijn er wel en als we erdoorheen schieten kan het systeem in elkaar storten.’

Het werkelijk vernieuwende, zegt co-auteur Jørgen Randers, is dat hun rapport de wereld benaderde als één complex systeem. ‘Toen ik Jay Forresters wereldmodel voor het eerst zag viel alles op z’n plek. Opeens begreep ik wat ik al veel langer had moeten begrijpen. Ik groeide op aan de rand van Oslo, nabij eindeloze bossen. Ik weet nog dat ik mijn vader vroeg waar de rook uit de uitlaat van zijn Mercedes heen ging. Hij haalde zijn schouders op en zei: “De lucht in.” Het revolutionaire van systeemdenken is dat je de wereld niet ziet als een oneindig grote plek, maar als een kleine, kwetsbare golfbal die in de eindeloze ruimte hangt. Eigenlijk heb je niet eens een computermodel nodig om dat te begrijpen.’

Toch beklijft bij het grote publiek zo’n drie decennia later de indruk dat hun waarschuwingen achterhaald zijn. Intuïtief lijken optimisten als Bjørn Lomborg het gelijk aan hun zijde te hebben. De gemiddelde Nederlander had het sinds de jaren zeventig nóg beter gekregen. Bij veel gezinnen stonden er niet één maar twee auto’s op de oprit. En in plaats van de caravan mee te slepen naar Frankrijk kon je nu voor een schappelijke prijs naar de zon vliegen. Jan Modaal kreeg niet alleen een televisie, maar ook een eigen computer, mobiele telefoon en internetverbinding. ‘Wie dertig jaar later om zich heen kijkt, ziet dat het doemscenario niet is uitgekomen, terwijl de wereld is blijven groeien en consumeren’, schrijft de Volkskrant in het voorjaar van 2002. ‘Kennelijk klopte het computermodel van Meadows en Forrester niet, of waren de gegevens waarmee ze hun magische rekenmodules hadden gevoed onjuist.’

Zaten ze inderdaad fout? Als dat zo is, weigeren de auteurs dat in ieder geval te erkennen. In 2004 publiceren ze, met wat vertraging, Limits to Growth: The 30-Year Update. ‘Veel van wat we dertig jaar geleden schreven in De grenzen aan de groei blijft waar’, aldus Jørgen Randers en Dennis Meadows. De update verschilt nauwelijks van de twee voorgangers. Opnieuw leggen ze uit waarom onbeteugelde groei uitdraait op de instorting van een systeem en rekenen ze verschillende scenario’s door. Net als in De grenzen voorbij waarschuwen ze dat we sommige planetaire grenzen al zijn gepasseerd. Al er iets is veranderd, dan is het dat ze nóg somberder zijn geworden over de hachelijke toestand van de mensheid. ‘De data, de computer en onze eigen ervaring vertellen ons dat de mogelijke paden richting een duurzame toekomst alleen maar smaller zijn geworden sinds we in 1972 voor het eerst wezen op de grenzen aan de groei.’

Het optimisme van Donella Meadows wordt node gemist. Haar naam staat nog wel als auteur op het omslag, maar ze is begin 2001 overleden aan een hersenvliesontsteking. ‘Kort voor haar dood beloofden we Dana Meadows dat we The 30-Year Update zouden afmaken’, schrijven haar co-auteurs in het voorwoord. ‘Ze was zorgzaam, medelevend en volhardend in haar geloof in de mensheid. Ze baseerde haar hele levenswerk op de overtuiging dat als ze mensen maar genoeg juiste informatie verschafte, die mensen uiteindelijk zouden kiezen voor de wijze, vooruitziende en humane oplossingen. Dana heeft haar hele leven voor dit ideaal gewerkt.’

De twee overgebleven auteurs zijn daar minder van overtuigd. Hun update geeft ook weinig reden tot optimisme. Terwijl er in de afgelopen dertig jaar op het eerste gezicht de nodige vooruitgang is geboekt. Het water in de Rijn is aanzienlijk minder smerig dan in de jaren zeventig, de voedselproductie is opgeschroefd, verontreinigde bodems zijn schoongemaakt en auto’s werden schoner en efficiënter. Volgens Lomborg is dit het bewijs dat de mit-wetenschappers overdreven pessimistisch waren, maar wat hij niet erkent is dat veel van de vooruitgang die hij viert, werd geboekt doordát milieuactivisten waarschuwden dat het mis zou gaan.

Zonder de Club van Rome, die nog altijd bestaat maar het succes van het eerste rapport nooit wist te evenaren, was het milieubeleid van het kabinet-Den Uyl (1973-1977) ongetwijfeld een stuk zwakker geweest. Zonder Silent Spring van Rachel Carson was er waarschijnlijk niet zulke strenge regelgeving gekomen rond pesticiden. En zonder de angst dat een bevolkingsexplosie voor massale hongersnood zou zorgen, waren de landbouwopbrengsten misschien minder hard omhoog geschoten. Het zijn, in de woorden van Meadows en Randers, ‘self-defeating prophecies’ gebleken.

Ondanks deze successen is de crisis allerminst afgewend, concludeert The 30-Year Update. Integendeel. Was de zorg in de jaren zeventig dat de natuurlijke hulpbronnen zouden opdrogen, ondertussen wordt duidelijk dat vervuiling misschien wel een grotere bedreiging vormt. De graanoogsten explodeerden, maar de natuur verdween. Er was olie genoeg, maar het verbranden daarvan leidde tot de ontwrichting van het klimaat. De ene grens werd opgerekt, met als gevolg dat de andere werd overschreden.

Bjørn Lomborg: de CO2-uitstoot terugdringen? Zorg eerst voor schoon drinkwater. Negeer de hysterische ecofanaten

Urenlang luistert Jan Pronk naar de anti-imperialistische tirades van de Venezolaanse president Hugo Chávez. Hij is door secretarisgeneraal Kofi Annan aangesteld als speciale VN-gezant voor duurzame ontwikkeling en in die hoedanigheid reist Pronk de wereld rond om regeringsleiders te overtuigen in 2002 naar Johannesburg te komen voor een nieuwe grote duurzaamheidsconferentie. Chávez wil er aanvankelijk niets van weten. De VN staan gelijk aan de VS, vindt hij, en veel andere ontwikkelingslanden zijn dezelfde mening toegedaan. De verkiezingswinst van George W. Bush heeft de internationale verhoudingen er niet bepaald beter op gemaakt. Bij het Witte Huis komt Pronk niet verder dan het ministerie van Buitenlandse Zaken; de president zou toch niet naar Zuid-Afrika komen. Met Chávez, die als leider van de groep voor ontwikkelingslanden een sleutelrol heeft, boekt hij meer succes. De socialist belooft aanwezig te zijn.

Het voorzichtige optimisme dat in Rio de Janeiro nog heerste – de hoop dat de wereld na het einde van de Koude Oorlog zou samenkomen om grensoverschrijdende problemen op te lossen – heeft een flinke knauw gekregen door de terroristische aanval op de Twin Towers. Dat is voelbaar in Johannesburg. De angst voor aanslagen is zo groot dat de wijken met mooie hotels waar de internationale delegaties verblijven met hekken zijn afgesloten. ‘Aan de andere kant van die hekken stonden dan de mensen over wie het op de conferentie ging’, memoreert Pronk. ‘Mensen die leefden in armoede, die honger leden en geen dak boven hun hoofd hadden. Dat had iets wrangs. We spraken óver hen, maar wel zonder hen.’

Het toverwoord in Johannesburg is ‘duurzaamheid’, een begrip dat erg rekbaar blijkt. In 1987 kreeg het de beroemde definitie in het rapport Our Common Future. ‘Duurzame ontwikkeling’, schreef de commissie onder leiding van de Noorse premier Gro Harlem Brundtland, ‘is een ontwikkeling die tegemoetkomt aan de noden van het heden, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien in het gedrang te brengen.’ Oftewel: houd rekening met degenen die na ons komen.

Op de Earth Summit in Rio in 1992 was het daarbij vooral over het milieu gegaan. De afspraken die in Brazilië waren gemaakt werden weliswaar niet allemaal nagekomen, maar vormden wel een goede basis voor een stevige duurzaamheidsagenda. In Johannesburg wordt die agenda verder verbreed. Naast de ecologische kant heeft duurzaamheid nadrukkelijk een sociale en economische dimensie gekregen. Op de straten rondom het conferentiecentrum demonstreert een bonte waaier van actiegroepen, van andersglobalisten tot natuurbeschermers en van Afrikaanse boeren tot Palestijnse mensenrechtenactivisten.

Naar de smaak van Bjørn Lomborg gaat het in Johannesburg nog steeds te veel over het milieu. Hij grijpt de VN-top aan om zijn vaste riedel af te draaien op de opiniepagina van The New York Times. Negeer de hysterische ecofanaten, als we de wereld willen verbeteren moeten we onze prioriteiten op orde krijgen, is de strekking van zijn betoog: ‘De nadruk moet liggen op ontwikkeling, niet op duurzaamheid.’ Volgens Lomborg moeten we eerst zorgen voor schoon drinkwater en betere gezondheidszorg in arme landen, voordat we uit alle macht de CO2-uitstoot terugdringen of beestjes beschermen. Vrij naar Bertolt Brecht: eerst komt het vreten, dan het milieu.

Het idee dat economische groei en duurzaamheid op gespannen voet staan raakt in rap tempo uit de mode. Het grensdenken is compleet verdreven door een geloof in ‘groene groei’. ‘Economische groei is onontbeerlijk voor armoedebestrijding en het marktmechanisme is hiervoor het beste middel’, schrijft de Wereldbank in een rapport dat kort voor de conferentie in Johannesburg verschijnt. Een ander teken aan de wand is de prominente aanwezigheid van het bedrijfsleven op de milieutop. In het conferentiecentrum heeft bmw zijn eigen paviljoen waar de Duitse autofabrikant de nieuwste, ‘duurzame’ modellen showt. Aan de lopende band worden er ‘partnerschappen’ afgesloten tussen staten, bedrijven en ngo’s, waarbij het onderscheid tussen zinvolle beloftes en ordinaire greenwashing soms lastig te maken is. Jan Pronk ziet het allemaal met lede ogen aan: ‘Een partnerschap hoeft natuurlijk niet verkeerd te zijn, maar mijn vrees was dat zulke vrijblijvende convenanten in de plaats zouden komen van regelgeving. Die vrees is bewaarheid geworden.’

‘De massale topontmoeting van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling, gehouden in Johannesburg, is vandaag gestorven in goede bedoelingen, vage plannen en vrijblijvende afspraken’, maakt NRC Handelsblad op 4 september 2002 de balans op. ‘Het is het lot van een top die in feite slecht was voorbereid en die zo’n beetje alle wereldvraagstukken tot onderwerp had: van zonne-energie tot water en riolering, van culturele en religieuze waarden tot mensenrechten, van de gezondheidszorg tot de landbouw.’ Het was simpelweg ‘te complex’, vindt ook The New York Times. De duurzaamheidsagenda was verbreed, maar daardoor ook verwaterd.

Na afloop van de conferentie loopt Pronk in de wandelgangen Hugo Chávez tegen het lijf. De Venezolaan is razend. Ik ben hier voor niets naartoe gekomen, tiert hij. Ik dacht dat we zouden onderhandelen, maar het enige wat er gebeurde was hol gepraat. ‘Ik begreep zijn frustratie wel’, zegt Pronk. ‘Het VN-systeem werd ondermijnd door de onwil van grote landen.’ De conferentie in Johannesburg liep uit op een sof, moet hij vaststellen. ‘In de jaren negentig liepen we misschien achter de feiten aan, maar we liepen wel in de juiste richting. Er waren internationale conferenties waarin wereldleiders zich gezamenlijk bogen over mondiale vraagstukken, zoals klimaat, mensenrechten, biodiversiteit of sociale ongelijkheid. Dat is in 2002 gestopt. Toen zijn al die zaken ondergeschikt gemaakt aan veiligheid. Na 9/11 werd home security topprioriteit.’

November 2021. Droge, gebarsten grond bij de Zawita-dam, op twintig kilometer van de Noord-Iraakse stad Dohuk in de Koerdische Autonome Regio © Ismael Adnan / AFP / ANP

Er is één milieuprobleem dat bij uitstek schreeuwt om een internationale aanpak: de opwarming van de aarde. In The Skeptical Environmentalist wijdt Bjørn Lomborg een extra lang hoofdstuk aan global warming. Volgens hem is het de ‘nieuwe troefkaart’ van groene fanatici. De mensheid mag het dan in allerlei opzichten beter hebben gekregen, als klimaatverandering echt zo’n groot probleem is als veel bezorgde wetenschappers beweren, dan ontkomen we er alsnog niet aan onze levensstijl grondig te herzien. Gelukkig heeft Lomborg goed nieuws: u kunt rustig slapen, want zo’n vaart zal het allemaal niet lopen.

Dat er twijfel gezaaid wordt over de geloofwaardigheid van de klimaatwetenschap is niet nieuw. Al sinds het verschijnen van het eerste ipcc-rapport zijn er dwarse ingenieurs en geologen die, al dan niet met financiële steun van de fossiele industrie, de opwarming van de aarde afdoen als een fabeltje. Maar Lomborgs scepticisme is een stuk geraffineerder. Hij ontkent niet dat de mens verantwoordelijk is voor een versterking van het broeikaseffect, maar onderstreept hoe moeilijk het is om de precieze effecten vast te stellen en hoeveel onzekerheden er vervat zitten in de computermodellen. De waarschuwingen van het ipcc schildert hij af als onwaarschijnlijke worstcasescenario’s. Net als het Grenzen aan de groei-model hebben zulke prognoses de neiging technologische innovatie te onderschatten, denkt Lomborg.

In de media wordt Lomborg warm onthaald als een frisse en vrolijke dwarsdenker. Terwijl zijn goednieuwsshow onder wetenschappers van meet af aan omstreden is. Natuurlijk is de mensheid er de laatste paar eeuwen ontegenzeggelijk op vooruitgegaan, maar dat betekent nog niet dat de milieuzorgen allemaal overdreven zijn, zoals de Deense politicoloog beweert. Om ons gerust te stellen, moet hij wel erg selectief en manipulatief te werk gaan, constateren critici.

In zijn thuisland had de Deense Ecologische Raad direct na de publicatie van zijn boek verschillende onafhankelijke experts gevraagd om Lomborgs claims te checken. Alle achttien deskundigen, uit allerlei disciplines, waren kritisch op Lomborgs rammelende methodologie en boude conclusies. Het wetenschapstijdschrift The Scientific American wijdde een speciaal nummer aan de ‘misleidende wiskunde’ van Lomborg. Ook de wetenschappers waarop hij zich zegt te baseren, beklagen zich erover dat Lomborg een valse voorstelling van zaken schetst, schrijft de hoofdredacteur in het voorwoord. ‘Zelfs wanneer zijn statistische analyses steekhoudend zijn, slaan zijn interpretaties de plank mis.’

Terwijl Bjørn Lomborg milieuorganisaties verwijt angst te zaaien door telkens uit te gaan van het somberste scenario, doet hij zelf precies het omgekeerde: steevast de nadruk leggen op de meest gunstige afloop als ‘bewijs’ dat we ons druk maken om niks. Hij is, kortom, alleen sceptisch wanneer het hem uitkomt. Natuurlijk zitten er onzekerheden vervat in klimaatmodellen, maar alleen met statistisch gegoochel kan Lomborg volhouden dat de opwarming van de aarde een ‘beperkt en beheersbaar probleem’ is. De ellenlange notenlijst oogt imponerend, maar wie die uitpluist ziet dat hij veel verwijst naar secundaire literatuur. De peerreview-artikelen die hij wel aanhaalt citeert hij selectief en andere bronnen zijn achterhaald.

Een aantal wetenschappers dringt er bij zijn uitgeverij, het prestigieuze Cambridge University Press, op aan om The Skeptical Environmentalist uit de handel te nemen, omdat het niet aan de wetenschappelijke standaarden voldoet. Tot dat oordeel komt ook de Deense Commissie voor Wetenschappelijke Oneerlijkheid, die Lomborgs bestseller onder de loep heeft genomen. De auteur is duidelijk bevooroordeeld in de presentatie van data, concludeert de commissie. Opmerkelijk genoeg is dat geen reden om hem te berispen voor misleiding of grove nalatigheid. Daarvoor heeft zijn boek ironisch genoeg te weinig wetenschappelijke pretentie. Lomborg erkent immers zelf dat hij ‘geen expert is op het gebied van milieuproblematiek’. ‘Dat zijn de meest ware woorden die in het boek staan’, merkt een klimaatwetenschapper sardonisch op in The Scientific American.

Lomborg gaat de polemiek maar al te graag aan. Hij schrijft een lange weerlegging van de aantijging in The Scientific American, publiceert verhitte briefwisselingen met tegenstanders en gaat in beroep tegen de uitspraak van de Deense wetenschapscommissie (met succes: de veroordeling wordt ingetrokken omdat er fouten zijn gemaakt tijdens de behandeling van de zaak).

In 2010, als de kruitdampen zijn opgetrokken, zal milieueconoom Jeroen van den Bergh terugblikken op de affaire. Zijn uitgebreide overzichtsartikel, waarin hij alle kritieken op The Skeptical Environmentalist en Lomborgs weerwoord afweegt, eindigt met een niet mis te verstane uitsmijter: ‘Dit boek gaat de geschiedenis in als een onbetrouwbare bron van informatie en argumentatie, als een van de meest hevig bekritiseerde teksten die ooit zijn verschenen bij een academische uitgeverij.’

The 30-Year Update: ‘Het is onzinnig om groei af te doen als goed of slecht. Groei van wat? Betaald door wie?’

Dat The Skeptical Environmentalist zo’n schandaalsucces kon worden is illustratief voor het milieudebat rond de eeuwwisseling. Na de bewustwordingsgolf van de jaren zeventig heeft duurzaamheid definitief een plek verworven in het maatschappelijk debat. Vrijwel niemand zal meer beweren dat natuurbescherming en klimaatbeleid er niet toe doen. Maar hardop dromen over een radicale omwenteling, zoals begin jaren zeventig alom gebeurde, doen alleen nog activisten die zich in de marge bevinden. Waar politici als Hans van Mierlo en Joop den Uyl vonden dat de overheid moest ingrijpen om een ecologische levensstijl te verbinden met een egalitaire samenleving, wijst Lomborg op de verworvenheden van ons economisch model. Net als veel regeringsleiders gelooft hij hardnekkig in groene groei. ‘We zijn vooral rijker en rijker geworden door onze markteconomie en niet doordat we ons zorgen hebben gemaakt.’

Minstens zo veelzeggend is dat de verschijning van The 30-Year Update van Limits to Growth nagenoeg onopgemerkt voorbijgaat. De verkoopcijfers vallen in het niet bij die van het oorspronkelijke rapport. Zelfs Beyond the Limits verkocht tien jaar eerder aanzienlijk beter. Er verschijnt geen Nederlandse vertaling en kranten besteden amper aandacht aan het boek. Men zit kennelijk niet te wachten op systeemwetenschappers die opnieuw waarschuwen dat we, ondanks of misschien wel dankzij onze groeiende welvaart, nog steeds op ramkoers liggen.

De boodschap van De grenzen aan de groei raakt steeds verder in ongenade, al komt dat ook doordat er vaak een karikatuur van wordt gemaakt, zegt Jørgen Randers. ‘Constant zijn we afgeschilderd als die mit-idioten die economische groei willen stoppen’, zucht hij. ‘Dan heb je er dus niets van begrepen.’ Hij zal de eerste zijn om te erkennen dat er in bepaalde landen economische groei nodig is om armoede de wereld uit te helpen. Maar het blind najagen ervan is geen medicijn tegen de ellende, maar zorgt juist voor nieuwe sociale en ecologische problemen. ‘Het is onzinnig om groei af te doen als goed of slecht’, schrijven Meadows en Randers in The 30-Year Update. ‘We moeten vragen: groei van wat? Voor wie? Tegen welke kosten? Betaald door wie? Wat zijn de behoeften en wat is de beste manier om die te bevredigen? Hoeveel is genoeg?’

Januari 2022. Boten verzamelen olie op zee ten noorden van Lima. De lekkage van de tanker Mare Doricum bij de La Pampilla-raffinaderij werd veroorzaakt door abnormale golven na de vulkanische uitbarsting in Tonga © Cris Bouroncle / AFP / ANP

2022

Omdat we dwars door het ecologische plafond zijn geschoten, begint het geloof in ‘groene groei’ te wankelen. Kan een comeback van het grensdenken het tij nog keren?

‘Is groene groei mogelijk?’ Ieder collegejaar schrijft Kate Raworth de vraag op het schoolbord en ziet vervolgens hoe de ideologische scheidslijnen zich aftekenen in haar klaslokaal op de Universiteit van Oxford. Sommige studenten, vooral degenen die hopen op een baan in de private sector, scharen zich vol overtuiging in het ja-kamp. Anderen, doorgaans de idealistische wereldverbeteraars, sluiten zich enigszins beschroomd aan bij het nee-blok. De daaropvolgende discussie kan er verhit aan toegaan, met stevige claims over en weer. Vertwijfelde studenten die aan het einde van de les naar hun docent kijken voor het juiste antwoord komen bedrogen uit.

Als ontwikkelingseconoom bij Oxfam had Raworth zichzelf jarenlang het hoofd gebroken over deze vraag. Een belangrijkere kwestie is er in haar vakgebied nauwelijks denkbaar. Maar ze kwam er niet uit. Ze stuitte op twee schijnbaar onverenigbare waarheden: ‘1) Geen enkel land heeft ooit een einde gemaakt aan menselijke deprivatie zonder een groeiende economie. 2) Geen enkel land met een groeiende economie heeft ooit een einde gemaakt aan ecologische degradatie.’

Na lang peinzen vond ze een ingenieuze uitweg uit haar spagaat: we moeten loskomen van het religieuze geloof in economische groei, zonder het volledig naar de verdomhoek te verwijzen. Laten we ernaar streven om zowel menselijke deprivatie als ecologische degradatie tegen te gaan, ongeacht of de economie daardoor groeit of krimpt. Laten we, kortom, agnostisch zijn over groei.

Het is een welgemikte trap tegen een heilig huisje. Veel neoklassieke vakgenoten beschouwen het bruto binnenlands product als belangrijkste meetlat voor succes, maar Raworth vergelijkt het bbp met een koekoeksjong. Het heeft zich als een klaploper genesteld in het hart van de economische wetenschap en overvleugelt nu alle andere waarden. Om een duurzame en rechtvaardige economie te creëren moeten we stoppen de koekoek te voeden en de indringer uit het nest trappen. Dat vergt een grondige herziening van alle economische lesboeken, want scholieren en studenten krijgen nog steeds ingeprent dat groei het summum bonum is.

Raworth weet wel wat er in de plaats moet komen van die achterhaalde wijsheid: een donut. Ze ontwikkelde een model met twee concentrische cirkels dat lijkt op het gefrituurde suikerbroodje met een gat in het midden. De binnenste ring vormt de sociale drempel, bestaande uit basisbehoeften als voedse l, drinkwater, huisvesting en gezondheidszorg. De buitenste ring staat symbool voor het ecologische plafond, de grenzen aan de draagkracht van onze planeet. Daartussen bevindt zich de sweet spot: een economie die voorziet in een waardig menselijk bestaan, zonder het milieu ernstig aan te tasten.

Het ministerie van Economische Zaken komt zitplekken tekort als Raworth begin 2018 een lezing komt geven in Den Haag. Haar boek Doughnut Economics (2017) is een regelrechte hit, de Nederlandse vertaling (Donuteconomie) ligt net in de winkels en de uit Oxford overgekomen bestsellerauteur wordt onthaald als een intellectuele rockster. Dat haar boodschap aanslaat bij het grote publiek is ze inmiddels wel gewend, al haar optredens zijn steevast uitverkocht, maar dat er zoveel animo bestaat onder ambtenaren en beleidsmakers verbaast haar. Dat was namelijk niet per se de doelgroep voor dit boek, vertelt ze. ‘Iedere week komt er wel een adviesrapport uit, ik wilde juist een stapje terug doen en naar het grote plaatje kijken; geen beleidsplannen voor de komende regeerperiode, maar een visie voor de komende eeuw. Kennelijk hebben een hoop ambtenaren daar ook behoefte aan.’

Voor het ontwerp van haar donut ging ze te rade bij wetenschappers uit allerlei disciplines, van ecologen tot sociologen en van geologen tot psychologen. De economie is namelijk te belangrijk om over te laten aan economen, vindt ze. Een van haar grootste inspiratiebronnen is Donella Meadows. ‘Je hebt toch zo’n spelletje: welke beroemdheden zou je uitnodigen voor je droomdiner? Nou, Donella zou boven aan mijn gastenlijst staan. Ze is een soort mentor die ik helaas nooit heb mogen ontmoeten. Haar boek Thinking in Systems blies me compleet van mijn sokken. Ik leerde over positieve en negatieve terugkoppelingsmechanismen, over perceptievertragingen en reactievertragingen, over overshoot en collapse. Waarom kwam dit nooit aan bod tijdens mijn economielessen? De vraag of groei altijd wenselijk of noodzakelijk is werd simpelweg niet gesteld. Dat vond ik frustrerend.’

Economen hebben de neiging de natuur te behandelen als iets wat ten dienste staat van de mens. Dat antropocentrische wereldbeeld zit volgens Raworth al vervat in het economische jargon. Bossen en mineralen heten ‘hulpbronnen’. Milieuvervuiling of klimaatontwrichting zijn ‘externaliteiten’. We roepen ‘CO2-markten’ in het leven om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en hangen een prijskaartje aan ecosystemen onder het mom van ‘natuurlijk kapitaal’. Zulke woorden doen ertoe, schrijft ze in Donuteconomie: ‘Economie is de moedertaal van de politiek, de grammatica van het publieke debat en het denkkader dat vorm geeft aan de maatschappij.’

Wie het gesprek wil veranderen, moet terug naar de tekentafel. ‘Het machtigste instrument in de economie is geld noch algebra’, schrijft Raworth. ‘Het is een potlood. Want met een potlood kun je de wereld veranderen.’ Daarom richt ze zich, net als Donella Meadows, in begrijpelijke taal tot het brede publiek. Geen lawine van getallen en formules, zoals in menig economieboek, maar heldere zinnen en diagrammen die in één oogopslag duidelijk zijn. De economie is onderdeel van het web des levens. Dat is wat ze wil laten zien met haar twee cirkels.

Hoofdonderzoeker Jørgen Randers tijdens de presentatie in mei 2012 in Rotterdam van het nieuwe rapport aan de Club van Rome: 2052 © Jerry Lampen / ANP
De Britse econoom Kate Raworth in De Balie in Amsterdam, juni 2018 © Jan Boeve / ANP
De Zweedse milieuwetenschapper Johan Rockström in Breaking Bounderies © Netflix 2021
Beeld uit de documentaire Breaking Bounderies © Netflix 2021
Milieudemonstranten verbonden aan Extinction Rebellion protesteren tegen het plan van Shell om onderwater seismische onderzoeken uit te voeren langs de Zuid-Afrikaanse oostkust, op Muizenberg Beach in Kaapstad, december 2021 © Rodger Bosch / AFP / ANP

Het grote publiek mag dan smullen van de donut, veel academische collega’s weten niet goed wat ze aan moeten met Raworths sweeping statements. Ze zou een karikatuur maken van het vakgebied, veel van de ideeën die ze als baanbrekend presenteert worden allang besproken op economiefaculteiten. Vrijwel iedere econoom zal erkennen dat het bbp een onvolmaakte maatstaaf is waar we ons niet op moeten blindstaren. Dat het milieu een ‘externaliteit’ heet en olie een ‘hulpbron’ betekent niet dat economen geen oog hebben voor de uitputting van de aarde. Toen hoogleraar Bas Jacobs door De Telegraaf naar zijn favoriete boeken van 2017 werd gevraagd, gaf hij Donuteconomie als ‘anti-tip’. Dat vond hij namelijk ‘het intellectueel armoedigste en meest ergerniswekkende economieboek’ van het jaar. Sandra Phlippen, hoofdeconoom bij ABN AMRO, werd ‘misselijk en verdrietig’ van Raworths populistische retoriek, schreef ze in haar column voor het Algemeen Dagblad.

‘Misschien heeft het te maken met de Nederlandse directheid, maar de weerstand was hier nog feller dan elders’, vertelt Raworth. ‘Op de universiteit in Tilburg was ik uitgenodigd voor een paneldiscussie. Na mijn presentatie vroeg mijn opponent zich hardop af of ik wel een echte econoom was. Dat vond ik zo’n veelzeggende reactie. Waarom begin je meteen over mijn geloofwaardigheid? Laten we het over de ideeën hebben. En waarom zo defensief? Mijn aanval is niet persoonlijk, ik bevraag enkel een aantal fundamentele aannames.’

Een van de hoekstenen van de neoklassieke economie is het concept van de homo economicus. De mens zou een calculerend wezen zijn dat constant bezig is zijn eigenbelang te optimaliseren. Hele mathematische modellen zijn rond deze aanname gebouwd, die de economie een schijn van objectiviteit en zekerheid moeten geven, terwijl psychologen en sociologen er allang op hebben gewezen dat wij in werkelijkheid helemaal niet zo in elkaar steken. De homo economicus mag dan een verzinsel zijn, zolang we ingeprent krijgen dat dit onze ware aard is, gaan we ons er op den duur vanzelf naar gedragen. Voor Kate Raworth toont dit de kracht van ideeën. Instemmend citeert ze de econoom Paul Samuelson: ‘Het maakt mij niet uit wie de wetten van een land schrijft – of wie de verhandelingen voor specialisten vervaardigt – zolang ik maar de economische handboeken kan schrijven.’

Als Raworth het economiecurriculum een make-over mocht geven, zou het Grenzen aan de groei-rapport een prominente plek krijgen. ‘Wat zo krachtig is aan het werk van het mit-team, is dat het een compleet ander vertrekpunt heeft’, zegt ze. ‘Het begint niet met de gangbare rekeneenheden van de economie, maar met de materiële wereld – grondstoffen en afvalstromen. Toen ik het las besefte ik pas hoe vreemd het eigenlijk is dat dit geen centrale variabelen zijn in de economische wetenschap. Terwijl de boodschap zo alarmerend was.’

De reflex van veel mainstream economen was om die waarschuwing weg te wuiven, zeker nadat het bleek mee te vallen met de gevreesde grondstofschaarste. De markt had het probleem opgelost, precies zoals zij hadden voorspeld. Waar deze critici gemakshalve aan voorbij gingen was dat de systeemwetenschappers nog een andere factor aanwezen die kan leiden tot de ondergang: vervuiling. ‘Wat het World3-model over vervuiling te melden had bleek zijn tijd ver vooruit te zijn’, schrijft Raworth in Donuteconomie. ‘Vandaag de dag kunnen we het probleem echter veel specifieker aanduiden, en onderscheiden we verschillende vormen van ecologische degradatie, van klimaatverandering en chemische vervuiling tot verzuring van de oceanen en afnemende biodiversiteit.’

‘Dit is het belangrijkste wetenschappelijke inzicht van onze tijd.’ Het hoogbejaarde gezicht van Sir David Attenborough kijkt recht in de camera. De legendarische documentairemaker loopt al een tijdje mee en naarmate het einde van zijn loopbaan dichterbij komt is zijn toon alarmerender geworden. De natuur holt hard achteruit. Nog even en de Amazone en het Groot Barrièrerif zijn alleen nog maar te bewonderen op archiefbeelden. In zijn recentste Netflix-documentaire Breaking Boundaries luidt Attenborough nog maar eens de noodklok. Voor de verandering speelt deze keer een mens de hoofdrol: Johan Rockström.

De Zweedse milieuwetenschapper is de grote man achter het concept van ‘planetaire grenzen’. Samen met een groep aardwetenschappers bracht hij in 2009 het ecologische plafond in kaart. Waar de mit-wetenschappers begin jaren zeventig bewezen dát er grenzen bestaan aan de groei, probeert Rockström zo goed mogelijk te bepalen waar de grenzen van ons aardsysteem dan liggen. Negen limieten heeft hij tot dusverre geïdentificeerd. Wanneer we deze overschrijden dreigt een ecologische aftakeling die het voortbestaan van de menselijke beschaving in gevaar kan brengen. David Attenborough kan het belang van Rockströms bevindingen niet genoeg onderstrepen. ‘Het laat je op een totaal andere manier naar de wereld kijken.’

Wie op die manier naar de wereld kijkt, heeft alle reden om in paniek te raken. Vier van de negen planetaire grenzen hebben we al overschreden. We bevinden ons in de gevarenzone bij het klimaat en landgebruik en zitten nog dieper in het rood als het gaat om de biodiversiteit en de kringlopen van fosfor en stikstof. Het meest verontrustende is nog wel dat we, als we ons te lang boven het ecologische plafond begeven, kantelpunten passeren waardoor de milieuontwrichting in een stroomversnelling terecht kan komen. Dat zou een terugkeer naar de ‘veilige zone’ onmogelijk maken.

Dat betekent niet dat we al verloren zijn. Na de kijker een uur lang te hebben geconfronteerd met de ontnuchterende feiten, komt Breaking Boundaries met een ontsnappingsroute. ‘Johan biedt hoop’, zegt Attenborough over Rockström, want nu we weten waar de grenzen ongeveer liggen, kunnen we bijsturen om een crash te vermijden, zoals we deden bij het dichten van het gat in de ozonlaag ‘Het gaat er nu om dat het hele groeimodel rondom de planetaire grenzen georganiseerd moet worden’, aldus Rockström.

Dat is precies wat Kate Raworth beoogt met haar donut. ‘Toen ik Rockströms diagram voor het eerst zag wist ik meteen dat dit de basis moest vormen voor een nieuwe economie’, zegt ze. ‘Dat verhaal moet niet beginnen met rekensommen en statistieken, maar met de natuur en de mensheid. De economie is ingebed in de levende wereld.’

ViceThat Society Will Collapse This Century. New Research Shows We’re on Schedule.’ The Guardian: ‘Yep, it’s bleak, says the expert who tested 1970s end-of-the-world prediction.’ In de zomer van 2021 duiken er ineens koppen op die qua alarmisme niet onderdoen voor die van vijftig jaar eerder. De nieuwsberichten gaan over een Nederlands-Amerikaanse duurzaamheidsonderzoeker die is nagegaan of de waarschuwingen van Meadows en de zijnen nog steeds waarde hebben. Nou, ja dus.

Tijdens haar opleiding econometrie aan de Vrije Universiteit leerde Gaya Herrington blindelings vertrouwen op mathematische modellen. Net als veel studiegenoten kreeg ze na het behalen van haar diploma een baan in de financiële sector. Eerst bij een commerciële bank die tijdens de kredietcrisis van 2008 kopje-onder ging en later bij De Nederlandsche Bank, waar ze onderzoek deed naar de stabiliteit van het financiële stelsel. ‘Het was mijn taak om risico’s te beoordelen, maar ik merkte dat de modellen die we daarvoor gebruikten heel geïsoleerd waren. We zagen niet hoe verschillende risico’s onderling met elkaar samenhangen, waardoor we ze onderschatten.’

Teleurgesteld in de economische wetenschap besloot Herrington terug te keren naar de collegebanken. Ze meldde zich aan voor een master sustainability aan de Universiteit van Harvard, waar ze voor het eerst in aanraking kwam met een heel ander model: het wereldmodel van Jay Forrester dat door het mit-team van Meadows was gebruikt voor het Grenzen aan de groei-rapport. ‘Dat vond ik razend interessant. Zo’n model is veel beter in staat om complexe systemen te bestuderen.’

Maar hoe accuraat was het World3-model, dat in 2004 een laatste upgrade had gekregen, eigenlijk nog? Hoe verhoudt de werkelijkheid zich tot de verschillende scenario’s die decennia geleden uit de computer rolden? Tot Herringtons verbazing had niemand dat recentelijk onderzocht. ‘Toen besloot ik dat zelf maar te gaan doen.’

Naast haar baan als consultant bij kpmg zette ze zich in de avonduren aan het onderzoek. De cijfers over demografie waren eenvoudig te vinden, maar die over vervuiling waren moeilijker te achterhalen. ‘Ik schrok ervan hoe slecht dat wordt bijgehouden’, zegt Herrington. ‘Hoe weet je hoe groot het probleem is als je het zo slecht in kaart brengt?’ Met pijn en moeite wist ze voldoende empirische data te verzamelen om een zinvolle evaluatie te kunnen maken. In november 2020 publiceerde ze een wetenschappelijk paper in The Journal of Industrial Ecology met de uitkomsten, die na een paar maanden ook de reguliere pers bereikten. Het World3-model bleek aardig te kloppen.

Een van de twee scenario’s die de werkelijkheid tot nu toe het dichtst benaderen, is het Comprehensive Technology-scenario, met extreem optimistische aannames over technologische innovatie. Bewijst haar studie dan het gelijk van de techno-optimisten? ‘Het lijkt me niet erg waarschijnlijk dat we dit pad blijven volgen’, zegt Herrington. ‘Het gaat er bijvoorbeeld van uit dat de wereldwijde CO2-uitstoot na 2020 snel begint te dalen en dat er technologische doorbraken komen waarvan de hele wereld meeprofiteert. Ik vind het ongelooflijk riskant om daarop te gokken. Het is bijna een religieuze houding.’

En vergeet niet, waarschuwt Herrington, dat zelfs in dit ‘optimistische’ scenario de groei niet eindeloos door kan gaan. Een vrije val wordt weliswaar vermeden, maar er komt wel degelijk een neergang. ‘Het is een zwaktebod om dit te zien als best mogelijke uitkomst’, zegt ze. ‘Is dat werkelijk wat we willen, dat Elon Musk naar de maan kan en uitstervende bijen worden vervangen door bestuivingsrobots? Uiteindelijk is technologie gewoon een middel. Het maakt nogal een verschil of innovatie wordt ingezet om meer fossiele brandstoffen te winnen of om duurzame energie op te wekken.’

Mochten de rooskleurige aannames van het Comprehensive Technology-scenario inderdaad te mooi zijn om waar te zijn, dan kan het nog veel slechter aflopen. Het andere scenario dat akelig dicht in de buurt komt van de huidige koers is Business As Usual-2, waarin vervuiling de voornaamste reden is voor de ineenstorting van het systeem. ‘Dat betekent niet dat de mensheid uitsterft’, zegt Herrington, ‘maar wel dat ons welvaartsniveau hard daalt. Zolang we economische groei als ultiem doel blijven zien is dat volgens mij waarop we afstevenen.’

Voor de zekerheid herhaalt Herrington het nog maar eens: een waarschuwing is géén voorspelling. Onze ondergang staat niet in de sterren geschreven, we kunnen er nog voor kiezen om het groeitraject te verlaten. Maar dat wordt wel steeds moeilijker, want het Stabilized World-scenario, waarin de mensheid een plateau bereikt waarop het aangenaam toeven is, ligt het verst af van ons huidige pad, blijkt uit Herringtons studie. ‘Zo’n toekomst is nog niet onbereikbaar geworden’, zegt ze. ‘Alleen moeten we wel haast maken. Met geleidelijke verandering redden we het niet meer.’

Voorlopig is de overtuiging dat we ons uit de klimaatcrisis kunnen innoveren nog steeds alomtegenwoordig. Agnostici als Kate Raworth vormen een kleine minderheid in vergelijking met de groeigelovigen. Dat deze groei ‘duurzaam’ of ‘groen’ moet zijn, zal bijna niemand meer betwisten, maar aan het woordje dat volgt op deze fraaie adjectieven durven maar weinigen te tornen. Bij de presentatie van de Europese Green Deal benadrukte commissievoorzitter Ursula von der Leyen dat dit een ‘nieuwe groeistrategie’ is. Premier Mark Rutte noemde de bevindingen van het laatste ipcc-rapport ‘zeer zorgelijk’, maar hij zag in de klimaattransitie ook een ‘enorme kans’ voor Nederland. Als wij een koploper worden in groene innovatie kan dat de economische groei aanjagen.

De meest uitgesproken predikers van het geloof in groene groei zijn de ‘ecomodernisten’, een bont gezelschap duurzaamheidsdenkers die elkaar, à la Bjørn Lomborg, vooral vinden in hun weerzin tegen de klassieke milieubeweging. Aanhangers van het ecomodernisme zijn ervan overtuigd dat onze onstilbare honger naar méér geen vloek maar een zegen is. We moeten alleen zoeken naar manieren om onze economische activiteit te ‘ontkoppelen’ van de ecologische impact. Door energie op te wekken zonder broeikasgassen uit te stoten, bijvoorbeeld, en te consumeren zonder grondstoffen uit te putten.

Pleidooien voor een einde aan de groei vinden ze ronduit immoreel. Een krimpende economie zal niet zorgen voor de broodnodige doorbraaktechnologie. En laten we niet vergeten dat economische groei miljoenen mensen uit de armoede heeft getild. Willen we de minderbedeelde inwoners van Afrika en Azië het ontwikkelingspad ontzeggen dat de Europeanen en Amerikanen zoveel voorspoed heeft gebracht? Net als Lomborg geloven ecomodernisten dat economische groei juist een medicijn is tegen de teloorgang van het milieu. Pas als landen rijk genoeg zijn ontluikt er een milieubewustzijn en hebben ze genoeg geld om te vergroenen.

Het probleem met dit verhaal, werpt Raworth tegen, is dat het een fabeltje is. Voor lokale milieuproblemen snijdt het misschien nog wel hout. Het klopt dat westerse landen meer aandacht kregen voor natuurbescherming en luchtkwaliteit naarmate ze welvarender werden. Maar op mondiale schaal is zo’n patroon niet te ontwaren. Dat is ook niet zo gek: de vervuilende fabrieken die in 1952 zorgden voor de Great Smog in Londen, zijn verhuisd naar China, de productiekamer van de wereld, waar miljoenen mensen inmiddels met ernstige luchtvervuiling kampen.

De enige momenten waarop er tot nu toe een dip waar te nemen was in de mondiale CO2-uitstoot, was kort na een economische recessie. Maar wanneer de wereldeconomie daarna weer op stoom kwam, veerde ook de uitstoot van broeikasgassen weer op, zo zagen we na de financiële crisis van 2008 en de covid-lockdown in 2020. En tegelijkertijd groeide onze materiële voetafdruk – de totale hoeveelheid grondstoffen die nodig is om aan de wereldconsumptie te voldoen – tussen 2000 en 2017 met meer dan zeventig procent. De ‘ontkoppeling’ waar ecomodernisten zo vurig op hopen, gaat voorlopig lang niet hard genoeg om binnen de planetaire grenzen te blijven.

Januari 2022. De koeltorens van de bruinkoolgestookte elektriciteitscentrale van de Duitse energiegigant RWE weerspiegeld in een plas water in Neurath, West-Duitsland © Ina Fassbender / AFP / ANP

Stel je een toekomst voor waarin niemand iets tekort hoeft te komen en iedereen kan genieten van het leven. Een samenleving waarin honger en armoede praktisch zijn uitgeroeid en iedere burger toegang heeft tot goede gezondheidszorg en uitmuntend onderwijs, waarin we meer vrije tijd hebben, niet worden doodgegooid met reclame voor nutteloze troep, de natuur floreert en autobezit een overbodige luxe is, omdat er betrouwbaar en betaalbaar openbaar vervoer is. Om deze utopie te realiseren, hebben we helemaal geen economische groei nodig.

Dat is althans de stelling van Jason Hickel in zijn boek Less is More: How Degrowth Will Save the World (2020). De economisch antropoloog is misschien wel het bekendste uithangbord van de groei-atheïsten. Groene groei is een illusie, menen aanhangers van de ‘degrowth-beweging’. Om de ecologische crisis te bezweren zullen we, zeker in welvarende landen, op sommige vlakken moeten ‘ontgroeien’. Zolang we onze energieconsumptie en ons materiaalverbruik niet aan banden leggen, zullen we nooit binnen de planetaire grenzen komen.

Als kind van artsen groeide Hickel op in een plattelandsdorpje in Swaziland, een klein land dat ligt ingeklemd tussen Zuid-Afrika en Mozambique. Daar zag hij hoe mensonterend armoede is. ‘We hadden drie uur per dag elektriciteit en leidden een heel eenvoudig leven, zonder veel bezittingen’, vertelt hij. ‘Toen ik voor mijn studie naar de Verenigde Staten verhuisde werd ik opeens geconfronteerd met een totaal andere levensstijl, met suv’s, glimmende winkelcentra en eindeloze snelwegen. Ik vond het schokkend. Hoe kon er zo veel ongelijkheid bestaan in de wereld?’

Aanvankelijk geloofde hij dat arme landen als Swaziland met een beetje ontwikkelingshulp zouden meeprofiteren van de welvaart die het geglobaliseerde kapitalisme genereert. Inmiddels denkt hij daar heel anders over. ‘Het dominante narratief is dat kapitalistische groei heeft gezorgd voor hogere levensstandaarden, maar zo simpel ligt het niet’, zegt Hickel. ‘De enige momenten in de geschiedenis waarop groei gepaard ging met een verbetering van leefomstandigheden, was wanneer er progressieve krachten waren die investeerden in gezondheidszorg en onderwijs. Dát is de motor achter de vooruitgang. Kijk naar Costa Rica, daar leven mensen gemiddeld langer dan in de Verenigde Staten, terwijl het bbp per hoofd van de bevolking veel lager ligt.’

Voor de duidelijkheid: ‘degrowthers’ betogen niet dat groei overal moet worden afgezworen. Het bbp van Swaziland zal moeten stijgen om alle inwoners in hun basisbehoeften te kunnen voorzien, erkent Hickel. ‘Je hebt natuurlijk middelen nodig om te investeren in publieke voorzieningen, maar daarvoor heb je geen eindeloze groei nodig. Er is geen empirisch bewijs dat er een intrinsieke koppeling bestaat tussen welzijn en economische groei. Dat is belangrijk om te onderstrepen.’

Hickel is bevriend met Raworth en vindt dat ze ‘fantastisch werk verricht’, maar hij heeft één wezenlijk punt van kritiek. ‘We kunnen het ons niet veroorloven om agnostisch te zijn over groei’, zegt hij. ‘Eigenlijk blijkt dat ook uit haar donutmodel. Rijke landen zijn al door het ecologische plafond geschoten, dat betekent dus dat de materiële consumptie en het energieverbruik daar moeten krimpen. Alles wijst erop dat het bbp hierdoor zal dalen. Daar moet je je op voorbereiden. Als een economie gefixeerd is op eindeloze groei en die groei komt ten einde, dan veroorzaakt dat chaos en ellende.’

Maar als we onze economie anders inrichten, hoeft ontgroeien helemaal geen beangstigend vooruitzicht te zijn, gelooft Hickel. ‘We hebben de capaciteit om armoede de wereld uit te helpen en toch lijden nog steeds honderden miljoenen mensen honger. Waarom? Omdat een groot deel van de rijkdom blijft hangen bij een select groepje miljardairs. De oplossing voor onze ecologische en humanitaire problemen is niet nóg meer buitensporige welvaart creëren, maar een eerlijkere verdeling van de welvaart.’

Het is goed om te bedenken welke vooruitgang er wél is geboekt, in termen van ecologisch bewustzijn

Vergeleken met de oude garde richt de nieuwe generatie grensdenkers haar pijlen vooral op economische groei en minder op de groeiende wereldbevolking. ‘In de jaren zeventig was Amerika een voorloper als het ging om de promotie van geboortebeperking. Nu is het een taboe-onderwerp’, zegt Dennis Meadows.

Waar iemand als Paul Ehrlich de bevolkingsexplosie aanwees als de grondoorzaak van al het ecologische leed, ziet iemand als Jason Hickel het vooral als een afleidingsmanoeuvre, waar bovendien neokoloniale kantjes aan kleven, want de beschuldigende vinger wijst al snel naar armere landen met hoge geboortecijfers, terwijl dat wrang genoeg vaak landen zijn met een kleine ecologische voetafdruk. We kunnen het beter hebben over de overconsumptie in het Westen, vindt Hickel. De rijkste tien procent van de wereldbevolking was immers verantwoordelijk voor meer dan de helft van de totale CO2-uitstoot tussen 1990 en 2015.

Voor Kate Raworth is het ‘zonneklaar’ dat de omvang van de wereldbevolking ertoe doet. ‘Hoe meer mensen er zijn, des te meer hulpbronnen er nodig zijn om in de behoeften van iedereen te voorzien’, schrijft ze in Donuteconomie. Maar het goede nieuws is dat de groei van de wereldbevolking sinds de jaren zeventig is afgevlakt. Niet doordat er verplichte sterilisatieprogramma’s zijn gekomen in ontwikkelingslanden, zoals Ehrlich ruim vijftig jaar geleden voorstelde, maar doordat de levensomstandigheden in veel van die landen verbeterd zijn. De beste manier om de ‘bevolkingsbom’ te ontmantelen is zorgen dat zo veel mogelijk mensen boven het sociale fundament van de donut uitgetild worden, zodat vrouwen gelijke rechten krijgen en iedereen toegang heeft tot goede gezondheidszorg, onderwijs en anticonceptiemiddelen.

Maar daarmee is de hamvraag nog niet beantwoord. Is er genoeg donut voor ons allemaal? Terwijl we in Nederland dwars door het ecologische plafond schieten, zakken er in India nog miljoenen mensen door de humanitaire bodem. Is het überhaupt mogelijk om tien miljard wereldburgers een aangenaam leven te gunnen zonder de planetaire grenzen te overschrijden?

Een studie die begin 2020 verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift Global Environmental Change probeert een antwoord te geven op deze vraag. De conclusie? Ja, in theorie is het mogelijk om iedereen een fatsoenlijk leven te gunnen. In dat scenario moet de mondiale energieconsumptie in 2050 wel gehalveerd zijn, wat een compleet andere inrichting van onze economie en samenleving vergt. ‘Zo’n wereld vereist een massale uitrol van geavanceerde technologieën in alle sectoren, evenals radicale veranderingen aan de vraagzijde om de consumptie – ongeacht het inkomen – terug te brengen tot een toereikend niveau’, aldus de onderzoekers.

Joop den Uyl had het al scherp gezien: het creëren van een duurzame wereld is onlosmakelijk verbonden met het verdelingsvraagstuk, zowel op nationaal als op mondiaal niveau. Willen we de mensen die in armoede leven de mogelijkheid bieden hun levensstandaard te verhogen, dan zullen de inwoners van de welvarendste landen waarschijnlijk moeten inleveren. Publieke voorzieningen zouden in de plaats moeten komen van private consumptie, kringloopproductie moet worden gestimuleerd en het is aan de overheid om paal en perk te stellen aan onze excessieve koopzucht – een beetje zoals de ‘progressieve drie’ al voorstelden in Keerpunt 1972.

Je hoeft geen cynicus te zijn om zo’n keerpunt af te serveren als onrealistische luchtfietserij. De meest optimistische idealist zal erkennen dat het niet erg waarschijnlijk is dat rijke Europeanen en Amerikanen spontaan soberder beginnen te leven om hun minderbedeelde medemens een beter bestaan te gunnen. Een politicus die een gooi wil doen naar de macht zal wel gek zijn om kiezers te vertellen dat er een eind moet komen aan goedkope vliegreisjes of dat we minder vlees op de barbecue moeten gooien. Onze consumptiedrang laat zich niet zo gemakkelijk temmen.

Betekent dit dat een democratische duurzaamheidsrevolutie gedoemd is te mislukken? ‘Het lijkt inderdaad onwaarschijnlijk’, zegt Jason Hickel. ‘Maar er zijn genoeg aanwijzingen dat er meer draagvlak voor is dan we misschien denken. Kijk maar naar de opiniepeilingen.’ Hij wijst op een enquête van de Universiteit van Yale uit 2018. Daaruit blijkt dat zeventig procent van de Amerikanen instemt met de stelling dat milieubescherming belangrijker is dan groei. Een internationale overzichtsstudie uit datzelfde jaar schetst een vergelijkbaar beeld: veel ondervraagden geloven weliswaar dat economische groei niet ten koste hoeft te gaan van het milieu, maar ‘als mensen moesten kiezen, gaven de meeste enquêtes en landen prioriteit aan milieubescherming’.

September 2021. De Dode Zee, nabij de zuidelijke Israëlische nederzetting van Ein Tamar. Het water zakt elk jaar ongeveer een meter terug en laat een maanlandschap achter, wit van het zout en vol gapende gaten. De Dode Zee heeft sinds 1960 een derde van zijn oppervlakte verloren © Menahem Kahana / AFP / ANP

Er zijn tekenen dat er langzaamaan iets begint te kantelen. Los van elkaar lijken het misschien onbeduidende gebeurtenissen, maar zet ze op een rijtje en er tekent zich een trend af.

  • Nobelprijswinnende economen als Joseph Stiglitz en Amartya Sen hebben zich uitgesproken voor een alternatief voor het bruto binnenlands product dat meer oog heeft voor ecologische en humanitaire waarden.
  • In Nederland houdt het Centraal Bureau voor de Statistiek sinds 2018 de Monitor Brede Welvaart bij, waarin er niet alleen naar economische indicatoren wordt gekeken, maar ook naar de stand van de natuur, de kwaliteit van het onderwijs en het geluksgevoel van burgers.
  • De Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern haalde in 2019 internationaal de krantenkoppen toen ze verklaarde dat haar regering bij het samenstellen van de nieuwe begroting voortaan kijkt naar het nationale welzijn in plaats van het bbp.
  • In 2018 organiseerden tien Europarlementariërs uit verschillende fracties – van de groenen en socialisten tot aan de conservatieven en liberalen – een conferentie over het ‘postgroeidenken’.
  • Elfduizend wetenschappers ondertekenden eind 2019 een brandbrief over de ‘climate emergency’. ‘Ons doel moet verschuiven van het nastreven van bbp-groei naar het ondersteunen van ecosystemen en het verbeteren van menselijk welzijn’, stond erin.
  • Het Europees Milieuagentschap constateerde vorig jaar dat ‘een langdurige, absolute ontkoppeling van economische groei en milieudruk op wereldschaal zeer onwaarschijnlijk is’. Als alternatieven noemde de briefing het donutmodel en de degrowth-beweging, die ‘waardevolle inzichten’ zouden bieden.

En zo zijn er nog tal van voorbeelden. Na decennia waarin het groei-evangelie nagenoeg onbetwist was, zien we een revival van het grensdenken.

Die heropleving is mede te danken aan het succes van de donut, die al in verschillende regio’s, steden en landen wordt omarmd. Zo gebruikt Costa Rica Raworths model om een ‘regeneratieve economie’ te creëren en kwamen in Amsterdam ambtenaren en beleidsmakers van verschillende afdelingen bijeen om een stadsdonut te kneden. Hoe dat precies in de praktijk moet worden gebracht is nog vaag, maar Kate Raworth maakt zich daar niet veel zorgen over. ‘We staan pas aan het begin. We zien een nieuw paradigma dat tot wasdom probeert te komen binnen een oud paradigma. Dat gaat onvermijdelijk met horten en stoten.’

Met wat goede wil zou je hierin de kiemen kunnen ontwaren van de duurzaamheidsrevolutie waar Donella Meadows van droomde, al valt te betwijfelen of het allemaal snel genoeg gaat. Vijftig jaar na het verschijnen van het Grenzen aan de groei-rapport worstelen politici nog altijd met het Grote Probleem, dat allang niet meer nieuw mag heten.

Soms lijkt het of we in het milieudebat al een halve eeuw in cirkels draaien. Wetenschappers die waarschuwen dat we op ramkoers liggen komen te boek te staan als paniekzaaiers, mede doordat media hun bevindingen platslaan in ronkende berichten over een aanstaande Apocalyps, om vervolgens ruim baan te geven aan dwarsdenkers die beweren dat de wereld juist niet naar de knoppen gaat. Op internationale conferenties beloven wereldleiders stevige actie, maar eenmaal terug in eigen land botsen ze op de politieke realiteit. In plaats van moeilijke keuzes te maken, gokken beleidsmakers liever op technologische doorbraken.

Soms is het ook goed om te bedenken welke vooruitgang er wél is geboekt. Niet in termen van materiële welvaart, maar in termen van ecologisch bewustzijn. Dat er überhaupt stikstofnormen en klimaatdoelen bestaan, is te danken aan de slechtnieuwsboodschappers. Dat er ideeën rondzingen die kunnen dienen als bouwblokken voor een duurzamere economie, is de verdienste van denkers die niet bang zijn om uitgemaakt te worden voor ‘radicaal’. Dat hun denkbeelden langzaamaan doorsijpelen in de politieke arena, komt doordat bezorgde burgers op allerlei manieren druk uitoefenen. De toestand van de mensheid is er sinds 1972 niet minder hachelijk op geworden, maar we weten wat we moeten doen om hem te verbeteren.

Deze week verschijnt bij uitgeverij Das Mag We waren gewaarschuwd. Naast een licht uitgebreide versie van deze tekst bevat het boek een inleiding waarin Jaap Tielbeke dieper ingaat op het hoe en waarom, en een slotessay waarin hij de balans opmaakt. Het afgelopen jaar dook hij in de archieven, las hij relevante rapporten en boeken en sprak hij met allerlei betrokkenen, onder wie de wetenschappers uit het oorspronkelijke MIT-team. Met dank aan Simon Dequeker voor de onderzoeksassistentie. Een uitvoerigere verantwoording en bronnenlijst is te vinden in We waren gewaarschuwd.

Dit artikel is verschenen in De Groene Amsterdammer Nr. 7 / 2022