Over de liefde voor woorden

WAT HET VERSCHIL is tussen fictie en nonfictie doet er doorgaans niet toe, als een auteur maar de voor zijn onderwerp passende vorm kiest. Het verschil wordt pas van belang wanneer de schrijver zich in genre vergist; het zit dan vooral in de functie van details. In een roman werkt een detail vaak als een soort vergrootglas, althans het pregnante of synoptische detail, het kan ook een beeld zijn, dat als het ware voor het geheel spreekt; in een verslag dient het detail meer als bewijs van de echtheid, vandaar soms de cumulatie van feiten en details.

Het boek van Simon Winchester, De gekwelde woordenaar, is hoewel het voor het belangrijkste deel over de geschiedenis van een woordenboek, de beroemde Oxford English Dictionary, gaat, bedoeld als roman; zoveel maakt de pakkend bedoelde ondertitel van de vertaling, ‘Een verhaal over moord, waanzin en de liefde voor woorden’, wel duidelijk. En laat ik maar meteen zeggen: juist de romaneske delen vormen de zwakke stee van het boek. Bijvoorbeeld die over het verleden en de geestesziekte van de moordenaar waarop de Nederlandse titel zinspeelt, die trouwens meer over de inhoud zegt dan de oorspronkelijke: The Surgeon of Crowthorne. Crowthorne is een dorp, tachtig kilometer van Oxford, waar het krankzinnigengesticht ligt dat bijna veertig jaar een moordenaar huisvest. Het betreft een door de oorlog geestesziek geworden Amerikaanse legerarts die in 1872 in een Londense achterbuurt een arbeider doodschiet, niet per ongeluk maar wel de verkeerde man. Vanuit de inrichting levert de moordenaar gedurende dertig jaar duizenden bijdragen aan het project van het allesomvattende Engelse woordenboek dat tussen 1888 en 1927 in twaalf boekdelen zou verschijnen. DE JEUGD IN Ceylon, de traumatische belevenissen in de Amerikaanse Burgeroorlog, het fatale uitstapje naar Europa en de ziektegeschiedenis van deze William Chester Minor zijn goed gedocumenteerde hoofdstukken die het de lezer mogelijk maken zich een vrij compleet beeld van de gespleten hoofdpersoon te vormen, wat nog niet wil zeggen dat men hem daardoor beter begrijpt. Maar het blijven invuloefeningen omdat het min of meer bekende stof is, waar de schrijver weinig van weet te maken. Hij stopt ze vol met feitelijke details, maar hij betoont zich even gretig zodra hij de kans krijgt de levensloop van andere personages te schetsen of andere interessante dwarsstraten in te schieten. Maar wat mij betreft kan hij weer geen details genoeg geven waar het gaat om de curieuze geschiedenis van het woordenboek. Zeventig jaar nam de realisatie van het imperiale plan in beslag. Het was dan ook een woordenboek waarin niet alleen de definitie van alle woorden werd gegeven, maar ook het levensverhaal van elk woord door de letterlijke weergave van zoveel mogelijk vindplaatsen. Voor die citaten werd een leger van vrijwillige correspondenten geworven - een waarlijk democratische onderneming, die overigens als een militaire operatie werd geleid. Een van de vruchtbaarste leveranciers werd Minor, wiens identiteit pas mettertijd ter ore kwam van de hoofdredacteur van het woordenboek, de bezeten autodidactische filoloog Murray. De lotsverbondenheid van beide mannen - de een die zijn leven aan dat ene boek wijdde, de ander die, hoewel ongeneeslijk verklaard, voor zijn verziekte leven compensatie vond in de boekhouding van citaten - is een van de meest geslaagde draden in het boek. Ook de voorgeschiedenis van het woordenboek - de eenmansonderneming van de schrijver Samuel Johnson in de achttiende eeuw - wordt door Winchester tot in de finesses beschreven. Om die reden lees je geschiedenisverhalen, waarvoor stijl, maat en dosering dan wel minimale vereisten zijn, maar alles staat in dienst van wat er verteld wordt: als het onderwerp de lezer niet interesseert, houden kunstgrepen alleen zijn aandacht niet vast. Als Winchester de buitenwijk van Londen beschrijft waar de excentrieke Minor in de winter van 1872 een arm gezin van zijn hoofd beroofde, mag hij in een terzijde zeggen: 'Dit was dickensiaans Londen in hoofdletters’, maar Dickens had een betere milieuschets gegeven. Had Winchester, gebruik makend van de afstand in tijd, maar voluit zijn eigen onderzoekingen in het spel gebracht, het zou de geschiedenis van het woordenboek verlevendigd en de romanachtige inleving in de levensgeschiedenis van zijn personages misschien wat geobjectiveerd hebben. NU IS ER van dezelfde Winchester vorig jaar een ander boek vertaald waarin juist de sterkere kanten van zijn aanpak aan bod komen, De rivier in het midden van de wereld. Daarvan geeft de ondertitel, 'Een reis naar de bronnen van de Yangzi en terug in de tijd’, wel precies aan waar het boek over gaat. De auteur is hier volop in zijn verslag aanwezig en dat is alleen maar dienstig om de ware hoofdpersoon, ’s werelds grootste rivier, die China van oost naar west, van Tibet tot Shanghai, helemaal doorkruist, alle recht te doen. Al langer was Winchester, iemand die kennelijk een bereisde Roel is en bovendien van alle markten thuis, van plan om over de Yangzi een boek te schrijven. Hoe hij dat moest aanpakken werd hem ingegeven door de vondst van een rolschildering van de rivier. Op de zijderol hadden de eigenaren door de eeuwen heen de rivier van commentaar voorzien. Dat bracht Winchester op het idee de rivier vanuit de Gele Zee stroomopwaarts te volgen, welke tocht tevens een reis door de tijd zou zijn. En inderdaad zijn de eerste duizenden kilometers vooral getekend - lees: verwoest - door wat zich in het recente verleden in China heeft afgespeeld. Meer naar het westen in de richting van het hooggelegen Tibet - geen rivier met zo'n enorm verval - is de tijd goeddeels stil blijven staan. Het is werkelijk fascinerend die tocht langs memorabele en deplorabele plaatsen te volgen. Van elke wending in de loop van de rivier vertelt Winchester, die alleen vergezeld werd door een struise Chinese tante die van wanten wist, alles wat hij erover gelezen of gehoord heeft, waarbij uiteraard de verhouding tussen China en Engeland in het verleden, de wandaden van de Japanse bezetters, de idiotieën van de Culturele Revolutie, alsook de zwemkunsten van Mao en zijn vroegere Grote Mars ter sprake komen. Dat is allemaal vooral een kwestie van doseren, van details dus ook. Terecht besteedt Winchester twee grote hoofdstukken aan China’s 'nieuwe grote muur’, het megalomane project van een stuwdam in de Yangzi, in de engte de Drie Kloven bij de mega-stad Chongking. Bijna twee miljoen mensen moeten daarvoor verkassen, nu het plan na driekwart eeuw - het duurde alleen al vijftig jaar voordat ingenieurs, politici en militairen een juiste lokatie hadden gevonden - zijn voltooiing nadert. Winchester wordt kennelijk door het formaat van dingen aangetrokken: zoals hij voor het andere boek ’s werelds grootste woorden koos, pakte hij eerder de grootste rivier bij de kop. Maar hij heeft gevoel voor verhoudingen, behalve in zijn dankbetuigingen, want in dat soort kokette plichtplegingen heeft hij een tik van de Amerikaanse boekenmolen gekregen. In beide boeken beslaan de bedankjes diverse pagina’s, gelukkig worden ze gecompenseerd door de nodige pagina’s 'aanbevolen literatuur’.