Rogi Wieg

Over de rand

Rogi Wieg
De kam
De Arbeiderspers, 113 blz., € 17,95

Rogi Wieg is als een schilder die geen genoegen meer neemt met de randen van het doek. Hij begint met het schilderen van zijn hoofd. Daar hoort een lichaam bij, en wanneer hij het lichaam van een omgeving wil voorzien raakt hij de randen van het doek. Hij besluit over de randen heen te gaan, en schildert rustig verder op de muur. Over de deur, over de vloer, over de tafelpoot. Pas wanneer hij afstand neemt om te zien wat hij heeft gemaakt ziet hij dat hij een kamer in de kamer heeft geschilderd. Op de deur heeft hij de deur afgebeeld. Op de tafel een tafel.

De maker weet niet meer waar zijn werk ophoudt en waar het leven begint. Aan welke tafel moet hij gaan zitten? Wanneer hij naar buiten wil gaan weet hij niet of hij door een echte of door een zelfgemaakte deuropening over de drempel stapt.

Leven en werk vormen in De kam niet zozeer een geheel als wel een slagveld. De dichter trekt in zijn gedichten ten strijde tegen zichzelf als maker. Hij wil behalve scheppen ook leven, en in de werkelijkheid staan. Maar hij kent geen andere manier dan dichten.

In het gedicht Verdomme laat de dichter – of moet ik zeggen de ‘niet-dichter’ – zien waar de strijd toe kan leiden. Al dichtend is hij het dichten moe:

Overdag slaap ik vaak,

zoals Proust, maar ’s nachts schrijf ik

niet aan een temps perdu, maar slaap ik verder.

Hij relativeert zijn eigen belangrijkheid met grote zelfspot. Pijn en ironie gaan hand in hand. Ook andere tegenpolen laat de dichter naast en door elkaar bestaan. Hij laat zien dat liefhebben ook eisen stellen is, in het gedicht Goed, waarin ‘goed’ niet is wat het lijkt:

Als je het met mij doet, wil ik dat je aan mij denkt.

Als je het niet met mij doet, wil ik dat je aan mij denkt.

Als je het niet doet, wil ik dat je aan mij denkt.

Als je fruit schilt, of de televisie aanzet, de krant openvouwt,

hoef je even niet aan mij te denken. Als je plaatsneemt in

een schommelstoel met een kop thee

en je uitkijkt over de tuin die we niet hebben,

nou vergeet mij dan even. Ik zeg dit uit liefde, omdat ik mijzelf opoffer.

Als je daarna verdergaat, wil ik nog meer dat je aan me denkt.

Doe dit als enige voor mij. En vergeet me omdat ik zoveel van je vraag.

Goed?

De dichter vraagt zijn geliefde in spagaat door het leven te gaan. Toch klinkt het niet onredelijk omdat de toon van Wieg zo beheerst is. Hij schrijft als een oude wijze man die terugblikkend op zijn leven alle tijd heeft om zijn inzichten op papier te zetten. Maar wat hij schrijft geeft vaak blijk van een maniakale levensdrift met buitensporige verwachtingen. Wieg wil het onderste uit de kan van liefde, van het leven, maar ook van de dood.

In I.M. Rogi Wieg noemt hij zichzelf een zwaargewonde tijger zonder strepen, ‘geen tijger meer van William Blake, geen goddelijke symmetrie.’

Het wordt niet beter, ik ben een

losgeschoten, rottende knie in het bos, een stuk

heup van niemand, dus hoor ik thuis in een zak

die naar een lab wordt gebracht voor identificatie,

geen naam, een nummer is genoeg. Ik wil geen

geklets over nabestaanden en hun pijn. Het is hun

zaak. Ik plantte een bloembol, er kwam een gekke

tulp uit, deze werd een ijzeren staaf die omboog en

roestte. Zo’n stuk metaal hoort in de grond.

Dat het niet larmoyant wordt in deze gedichten is opmerkelijk. De stijl van Wieg is er te elegant voor. Zijn vergelijkingen zijn beelden op zich, die een eigen entiteit worden binnen een gedicht. Zodra ze er staan, vraagt de dichter zich af of ze wel compleet zijn, en voegt er vaak nog iets aan toe. Zo is ‘ver weg’ in het gedicht Hoe arrogant, hoe waarachtig niet zomaar een afstand, maar ‘ver weg, zoals bomen ver weg van de kust zijn waar de zee begint’. De dichter balanceert op de rand van het sentimentele. Hij kan sentimenteel ‘o’ verzuchten zonder sentimenteel te zijn.

Ik ben niet sentimenteel, maar benader

het meeste met oprecht gevoel, o, hoe arrogant,

hoe waarachtig.

Wieg toont in De kam verscheidene versies van zichzelf. Wieg is in de gedichten kleinzoon, zoon en vader; ‘de ik kan soms een slager zijn, of de rossige zwerver, maar ook ik’. Zijn lyrisch ik strijdt om voorrang met zijn meer persoonsgebonden ik en hij presteert het om zowel dichter als niet-dichter te zijn:

De ik is soms de ander,

en de ander soms de ik,

maar veelal komt de ik

het dichtste bij de ander.

Ik zie mijn hand die ik schrijft

in een vers. En ik ben iets wat

gaat lijken op de ik die spreekt,

wanneer ik woorden zeg, of eet.

Hij pakt zijn penseel en schildert zichzelf weg uit de voorstelling.