Het Concertgebouw van het nieuws

Over de toekomst van de serieuze journalistiek

H.J.A. Hofland toetst zijn opvattingen over de krant aan twee hooggeleerde mediadeskundigen, tevens publicisten: Warna Oosterbaan en Frank van Vree, middels zeven stellingen. ‘Voordeel van de krant is dat je die gewoon kunt kopen voor één of twee euro, en later kun je er nog kleren van vouwen of vis in verpakken.’

‘IK BEN NIET ZO SNEL IN MINEUR’, bijt H.J.A. Hofland het spits af, ‘maar het ziet er niet vrolijk uit voor de gedrukte pers op de lange termijn.’ Hij vervolgt: ‘Er kan een regeneratie komen, of een nieuwe generatie komen die het licht ziet, maar zoals het er nu voorstaat – ik wil niet zeggen dat we een stervende bedrijfstak zijn, maar wel een flink krimpende – zoals het er nu voorstaat, ziet het er somber uit.’
Hofland is, als gelauwerd commentator en ‘journalist van de eeuw’, de verzinnebeelding van de kwaliteitsjournalistiek. Om zijn optimisme te behouden wil hij zijn analyse over de zorgwekkende toekomst van de krant (zoals ook verwoord in zijn inleiding bij dit nummer) graag toetsten aan de kennis van twee hooggeleerde mediadeskundigen: professor Frank van Vree is hoogleraar journalistiek en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam, en Warna Oosterbaan is redacteur van NRC Handelsblad, tot vorig jaar was hij bijzonder hoogleraar journalistiek en samenleving aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Van Vree publiceerde tal van boeken over (de geschiedenis van de) journalistiek; Oosterbaan schreef vorig jaar met Volkskrant-journalist Hans Wansink De krant moet kiezen: De toekomst van de kwaliteitsjournalistiek. We zitten aan de redactietafel van De Groene Amsterdammer en Hofland legt de heren zeven stellingen voor, in de aloude overtuiging dat een botsing van meningen tot waarheidsvinding leidt.

Stelling 1
Internet is wel de grootste garantie voor een algemene vrijheid van meningsuiting, maar tegelijkertijd een belemmering voor het goed functioneren van het politieke bedrijf.

‘In Amerika’, werpt Warna Oosterbaan tegen, ‘heeft het internet een belangrijke rol gespeeld bij het mobiliseren van politieke steun voor Obama. Daaruit kun je opmaken dat het de politiek ook kan helpen.’
Frank van Vree haalt de Irak-oorlog aan als illustratie van de positieve invloed van internet: ‘Al in 2002 begon de regering-Bush een geweldig offensief om de grote television networks voor zich te winnen en lieten ze cameramensen de invasie van 18 maart filmen alsof het Saving Private Ryan was, met embedded reporters. Heeft twee miljoen dollar gekost. Alle media lieten zich inpakken, tot de New York Times aan toe, die zich later daarvoor ook heeft geëxcuseerd. De eerste scheuren in dat promotieoffensief kwamen aan het licht op internet. Door zijn openheid en laagdrempeligheid heeft het een enorme potentie en kan het een versterking van het nieuws betekenen, van de democratie. Maar als je het hebt over het publieke domein en het maatschappelijke debat is internet nog een onvolwassen, chaotisch medium. Juist voor het publieke debat is de krant de juiste plek.’
Hofland: ‘De journalist hoort met redenen omkleed te zeggen dat Bush of Rumsfeld zich heeft laten leiden door een ideologie die nergens op stoelde en steunde op adviezen die verkeerd waren. Maar in de periode die aan de oorlog in Irak voorafging, stond negentig procent van de Amerikaanse publiciteit achter Bush. Alleen generaal Wesley Clark, de overwinnaar in Bosnië, was radicaal tegen de oorlog. Seymour Hersh was van begin af aan radicaal tegen. The Nation was radicaal tegen. Maar het feit dat onder meer de redactie van The New York Times zich heeft laten meeslepen door de overstelpende kracht van de officiële woordvoerders vind ik de pers kwalijk te nemen.
‘Sterker nog’, vult Van Vree aan, ‘er is voor de oorlog contact geweest tussen het Pentagon en een aantal grote networks, waarbij het ging over de levering van beeldmateriaal door het Pentagon. Dat zou een onderhoudender karakter hebben dan in de Eerste Golfoorlog, waarin mensen na een paar weken al genoeg hadden van de technische snufjes. Het ging daarbij gewoon om de markt, om kijkcijfers en advertenties. Internet heeft de propagandamachine verstoord.
Oosterbaan: ‘Nu zijn er een heleboel mensen die zeggen dat de “reaguurders” – we kennen ze allemaal – in Nederland de propagandamachine verstoren. Iedereen kent de handicap dat het op internet niet tot een geregelde gedachtewisseling wil komen, omdat er voortdurend mensen zijn die de vrijheid van het medium gebruiken om hun visie op de werkelijkheid te geven. En die is in het algemeen zeer onwelkom voor weldenkende mensen. Maar het is toch vreemd dat weldenkende mensen zich niet op deze fora begeven. Ze gaan niet op GeenStijl of op de site van De Telegraaf in debat met de mensen die alles wat links is beledigen. Dat is te betreuren. Aan de ene kant heb je de reaguurders, die de fora in Nederland lijken te hebben overgenomen, aan de andere kant heb je de weldenkende mensen, die zich hebben teruggetrokken in de domeinen van de betere tijdschriften en kranten.
‘Wat je leest op nu.jij.nl.!’ roept Hofland. ‘Jezus, wat daar een haat, onkunde en kwaadaardigheid te voorschijn komt, is ongelooflijk. Ik denk dat 75 procent tot het lompenproletariaat behoort.’

Stelling 2
Als gevolg van de verbreiding van
internet groeit een intellectueel lompenproletariaat dat in steeds sterkere mate de concurrent van de goed geïnformeerde openbare mening is.

Van Vree knikt instemmend: ‘Het is heel Nederlands dat de shockblogs, zoals ze heten, zo overheersen. Dat is niet overal zo. Maar het zijn randverschijnselen, ook letterlijk, want ze spelen zich op de rand van je scherm af. Je hoeft ze zelfs niet te zien. Ik ben meer geïnteresseerd in het publieke en politieke debat. Waarom zou internet niet de rol van kranten daarin kunnen overnemen? Waarom hebben we straks niet een aantal spraakmakende commentatoren, van het niveau van Henk Hofland, met een blog waar tienduizenden mensen per dag naartoe gaan om te kijken wat zijn opvatting is over bepaalde politieke vraagstukken?’
‘Dat gebeurt niet’, zegt Hofland beslist, ‘omdat de ontwikkeling van internet parallel loopt met een ontwikkeling in de politiek, en die komt erop neer dat, speciaal in Nederland, het politieke midden uit elkaar wordt getrokken. Van Pim Fortuyn via Rita Verdonk tot Geert Wilders is er een groeiende meerderheid die zich niet tot een partij maar tot een beweging rekent en opereert zonder expliciet partijprogramma, en enkel reageert op Anregungen, op gevoelens, op weerzin tegen moslims, tegen de moslims en de Koran.’
‘Maar’, vraagt Van Vree, ‘in hoeverre leg je dan een relatie tussen de enorme crisis in de politieke cultuur en de opkomst van de emotiedemocratie en de teruggang van kranten en serieuze journalistiek?’
Hofland: ‘Ik denk dat het een groot complex is. De bloggers en reaguurders zijn de mensen die zich niet aangesproken voelen door wat de kranten schrijven. En de kranten doen juist hun best zo veel mogelijk van hen als lezer te bereiken, door aandacht voor lifestyle, reizen en allerlei bijlagen – die kun je allemaal weggooien en dan pas houd je de echte krant over. Er is steeds meer vermaak en steeds minder informatie, analyse en daarop gestoelde opinie. Goed, de opinie is op internet ontzaglijk voorhanden…’
‘Van alle blogs wordt ongeveer één procent gelezen’, stelt Van Vree gerust.
Hofland: ‘God zij dank. Ze dienen natuurlijk vooral de mensen die zelf blogger zijn, die de burgerjournalist uithangen en denken: ik word over de hele wereld gelezen en we hebben niet meer dat tuig van een journaille nodig als intermediair. Daaruit ontstaat langzamerhand, door de afgang van de politiek en door degenen die daar gebruik van maken, zoals Fortuyn, een lompenproletariaat.’
‘Ik denk niet dat de crisis in de politiek te maken heeft met de opinievorming op het internet’, werpt Oosterbaan tegen. ‘Er ligt een voortschrijdende ontvoogding van de Nederlandse burgers ten grondslag aan deze ontwikkeling. En dat heeft negatieve en positieve gevolgen.’
Van Vree is het daar niet mee eens: ‘Het is fenomenaal wat er de laatste vijftien jaar in de Nederlandse journalistiek is gebeurd. Nederland heeft altijd de beste regionale dagbladpers van Europa gehad – als je ziet wat een kaalslag daar heeft plaatsgevonden! Wegener heeft korte metten met die traditie gemaakt. De uitgeverij is, in het voetspoor van Metro en Spits, begonnen met Hart van Nederland-achtige formules, denkend dat je daarmee de lezer kunt terugwinnen. Er is veel serieuze journalistiek ingeleverd. De weinige regionale kranten die het nu nog goed doen, zijn de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, niet van Wegener, en je ziet dat zulke kranten een veel rustiger toon aanslaan als het over politiek gaat. Ze zijn serieuzer, komen met achtergrond. Het toegeven aan de markt door media, ook door kranten, heeft wel degelijk geleid tot een verzwakking van de politieke cultuur. Ik vind dat niet per se ontvoogding.’
Oosterbaan: ‘Ik juich de houding “wij weten wat het beste voor u is”, die van oudsher bij politici en journalisten leefde, toe. Mijn krant en een aantal andere kranten geven zo min mogelijk toe aan de commercialisering. Maar de bevoogdende houding kan op steeds minder afname rekenen.’
Hofland (tussendoor): ‘Wij worden gehaat, langzamerhand.’
Van Vree: ‘Bij Wegener heeft media-adviseur Leon de Wolff college gegeven en gezegd: je moet mensen geven wat ze willen lezen. Dat hoeft geen ontvoogding te zijn. Om een prachtig voorbeeld te geven: een paar jaar geleden was er een bijeenkomst over kwaliteit en jeugd, waaraan vijftig ouderen en vijftig jongeren deelnamen, met achtergronden van vmbo tot universiteit. Ze lieten documentaire-items zien en vroegen, met drukknopjes, wat ze goede en slechte kwaliteit vonden. Wat bleek: jongeren en ouderen vonden hetzelfde. Jongeren weten precies wat goed is, ze willen er alleen niet voor betalen. Het is als met goed en slecht eten: we weten wel wat gezond is, alleen is slecht eten vaak lekkerder. Als je als krantenredacties mensen alleen maar voert met nieuwtjes over Paris Hilton, dan zullen mensen dat eerder lezen dan een wat moeilijker stuk over de internationale politiek.’
‘Daar krijg je’, concludeert Hofland, ‘toch zo langzamerhand een nieuwe klassenmaatschappij van, van de meerweters en de minderweters.’

Stelling 3
Door de digitale communicatie, nu versterkt door de crisis, wordt de economische grondslag van de serieuze gedrukte media aangetast. Het is in het algemeen belang dat deze media op een of andere manier door de overheid gesteund worden zonder dat hun onafhankelijkheid wordt bedreigd.

‘Ik ben’, zegt Van Vree, ‘geneigd meer in functies te denken. Het is duidelijk dat internet de positie van kranten ondermijnt, maar dat is slechts een van de oorzaken van de neergang van de pers. De neergang begon al in de jaren zeventig, met de uitbreiding van het aantal televisiekanalen en de opkomst van de huis-aan-huisbladen. Vanaf 1970 gaat er jaarlijks één procent van de krantenoplagen af. En nu komt alles samen: internet, de economische crisis, culturele veranderingen, ontlezing, de individualisering. Dat proces keer je niet meer. De brandende kwestie is: hoe garandeer je dat de kwaliteitsjournalistiek overeind blijft? Ik zou zeggen: niet de media moeten worden gesubsidieerd, maar goede journalistiek.’
‘Hoe stel je je dat concreet voor?’ vraagt Hofland.
Van Vree: ‘Dat er een fonds wordt gecreëerd waaraan de overheid bijdraagt, dat alle experimenten, ook in distributie en productie, ondersteunt. Kwaliteit is traditioneel verbonden met de gedrukte pers, maar ik zie niet in waarom multimediale en digitale media niet ook kwaliteitsjournalistiek kunnen leveren.’
Hofland gooit het over een andere boeg: ‘Weet je wat een groot voordeel van de krant is? Dat je geen apparaat nodig hebt om ’m te kunnen lezen, dat je niet een laptop in een kiosk moet kopen om ’m te lezen, dat je niet zo’n kreng onder je arm hoeft mee te nemen dat gestolen kan worden. Je kunt de krant gewoon kopen voor één of twee euro, en later kun je er nog kleren van vouwen of vis in verpakken.’
Oosterbaan spreekt Van Vree tegen: ‘Ik denk wel dat er een relatie is tussen de verschijningsvorm en de journalistieke kwaliteit. De papieren krant is een mooie organisatorische eenheid, die een totaalprogramma biedt, een samenstelsel van keuzen die elke dag door de redactie worden gemaakt, en de lezer vertelt: dit is belangrijk, dit is minder belangrijk. Op internet verkruimelt die samenhang, en daarmee een van de belangrijkste trekken van de kwaliteitsjournalistiek.’
Van Vree: ‘Het is de vraag of dat een kwestie van gewoonte is. Ik heb het idee dat we in een overgangsperiode zitten en dat op allerlei plekken nieuwe hiërarchieën ontstaan. Bij Wikipedia komen bijvoorbeeld steeds meer redacteuren, waardoor er een hiërarchie in kennis ontstaat, waarbij bijdragen van mensen worden verwijderd.’
‘Wie leest er op internet een stuk dat langer is dan driehonderd woorden?’ vraagt Oosterbaan retorisch. ‘Toch staan er in de krant veel stukken die langer zijn dan driehonderd woorden. Die zijn de essentie van de krant.’
Van Vree: ‘Ik ben ook best optimistisch over de toekomst van de kwaliteitsjournalistiek, alleen de economische basis is problematisch. Ik ben ervan overtuigd dat we multimediale nieuwsorganisaties zullen krijgen, en voor de grotere stukken komen er weekbijlagen of weekbladen. En dan krijg je doordeweeks dunne krantjes die je mee kunt nemen.’
Oosterbaan: ‘Maar hoe wordt dat economisch haalbaar? Voor een goede solide nieuwsorganisatie, die elke dag nieuws kan brengen en het nieuws kan beoordelen, heb je iets van honderdvijftig à tweehonderd mensen nodig. Met minder dan honderd wordt het wel heel ingewikkeld.’
Van Vree: ‘Ik vind het niet denkbeeldig dat we uiteindelijk naar een heel ander model gaan, van redacties van dertig, veertig mensen, misschien zelfs minder, die met gespecialiseerde bureaus met onderzoekers werken die materiaal leveren. De rol van kernredactie is het bij elkaar halen en kiezen.’

Stelling 4
De zogenaamde zwijgende meerderheid vormt in deze tijd het luidruchtigste deel van het volk.

Van Vree lacht om de plechtige wijze waarop Hofland de stelling voordraagt. ‘Ik heb het idee dat het erger was na de moord op Fortuyn, en zeker na die op Van Gogh. Terwijl iedereen riep dat je alles moest kunnen zeggen, deden steeds minder mensen dat, omdat ze bang waren voor klappen op hun hoofd. Ik vind dat een aantal media zich daarin niet bepaald voorbeeldig hebben gedragen.’
‘Alsjeblieft zeg!’ beaamt Hofland.
Van Vree: ‘NRC Handelsblad is een van de weinige kranten die een onafhankelijke positie innamen. Maar Nova en Pauw & Witteman gingen heel ver mee met het sentiment van de vox populi. Wat ik erg treurig vond, is het grote aantal journalisten dat schuldbekentenissen ging afleggen dat ze inderdaad te weinig oog hadden gehad voor de gewone man.
Oosterbaan vraagt naar een stuk dat Van Vree schreef voor Tussen de regels, een boek over de verslaggeving van de Volkskrant in de jaren na de Fortuyn-revolutie. Van Vree ontrafelde daarin de mythe van de linkse kerk. ‘Als je kijkt naar de Volkskrant en NRC Handelsblad in de jaren negentig’, licht hij toe, ‘dan zijn er honderden artikelen geschreven over de problemen in de achterstandsbuurten, de Volkskrant had in Delftshaven zelfs een eigen correspondent. Maar veel van die artikelen vielen dood, omdat het thema in de jaren negentig geen politieke urgentie had. En toen die er kwam, met Fortuyn, riep iedereen opeens: waarom wisten we dat niet eerder? Maar het stond al in de krant. Hetzelfde geldt voor de wachtlijsten in de zorg, voor de NS. Als krant kun je een heleboel zaken aansnijden, maar het doet niets als het niet in het politieke domein wordt opgepakt.’

Stelling 5
De uitspraak ‘Politiek is de kunst van
het mogelijke’ is een snel verouderende wijsheid.

Van Vree lacht opnieuw: ‘Ik zou hier graag enige toelichting bij hebben.’
‘Kijk’, legt Hofland uit, ‘je bent van mening dat de Koran verboden moet worden. Kan. Maar: hoe doe je het? Is het een politieke daad die veel effect sorteert, in de zin dat je ermee bereikt wat je beoogt? Daar gaat het om. Je kunt van mening zijn dat welk boek ook – Bijbel, Koran, Mahabarata – onwenselijk is. Maar verbieden? Het is er toch? Als je echt een bestseller wilt creëren, moet je de Koran verbieden.’
‘Je bedoelt’, vat Oosterbaan samen, ‘dat het in de politiek rendabel is geworden om totaal onmogelijke luchtballonnetjes op te laten.’
Van Vree, tegen Hofland: ‘Ik ben het wel met je eens, maar ook hiervoor geldt dat het een ontwikkeling is die al veel langer aan de gang is. Je kunt het al lezen bij Richard Sennett, in zijn boek The Fall of Public Man uit de jaren zeventig, waarin hij stelt dat politiek in toenemende mate vooral de kunst van overleven wordt, van imago, van de illusie van vertrouwen. Dat zie je in de Amerikaanse mediademocratie als eerste gebeuren, en ik denk dat we op het moment in Nederland daar ook volop in zijn beland.’
Hofland: ‘Maar als politicus moet je dan ook de invloed in acht nemen die via de media tot stand komt. Ik gooi er maar even Max Weber tegenaan: “Politik ist ein langsames Bohren von harter Brettern mit Leidenschaft und Augenmass zugleich.’ Dat is het: langzaam boren in hard hout. En als je zegt dat je de Koran wilt verbieden, is dat een slag in de lucht, niet eens in hard hout.’

Stelling 6
Het uiteenvallen van het traditionele politieke midden, het oude bestel, in combinatie met de toenemende invloed van internet, maakt de samenleving minder weerbaar tegen plotselinge ‘schokkende gebeurtenissen’, van grote rellen tot politieke moorden.

‘Toen Theo van Gogh vermoord werd’, licht Hofland toe, ‘was ik in Amerika. Ik kreeg daar heel goed verslag van wat er in Nederland op straat en in vergaderingen aan de hand was, en ik dacht: staatsgreep! Er komt straks een partij gekken en die gaan de macht in Den Haag grijpen. Twee columns geschreven, toen kwam ik terug, meteen de Avro over de vloer: “Kunt u dat toelichten?” Bijna had ik toch een staatsgreep op touw gezet.’
‘Vroeger vonden staatsgrepen plaats op grote pleinen en straten en jij vindt dat het nu naar internet is verplaatst?’ vraagt Oosterbaan.
‘Er is een theorie’, fluistert Hofland, ‘dat in Nederland nooit een staatsgreep plaatsvindt, omdat we hier geen grote balkons hebben.’
Van Vree, opeens ernstig: ‘Ik ben het met het laatste deel van je stelling wel eens, met het eerste deel niet. Ik denk dat het uiteenvallen van het politieke midden een gevolg is, niet een oorzaak. Dat de dynamiek van onze samenleving, waarvoor internet bijna de metafoor is geworden, de enorme omloopsnelheid van nieuws en berichten, mede ten grondslag ligt aan het uiteenvallen van het politieke midden.’
Oosterbaan: ‘Het probleem is: aan de ene kant wil je matigen, aan de andere kant heb je de journalistieke plicht om alles wat gebeurt in beeld te brengen, in schrille kleuren, zoals het zich ook in werkelijkheid voltrekt. Dat wringt wel eens. Het is een discussie die op elke krantenredactie speelt: wat doen we met Wilders? Want daar komt het op neer. Moeten we ook aan de laatste interventie van Wilders aandacht besteden of zullen we het deze keer maar rangschikken onder meer van hetzelfde?’
Van Vree: ‘Ik vind de economische crisis ook een mooi voorbeeld, want neutraler dan Wilders. De ongecontroleerde informatiestroom leidt tot koersval, tot een zichzelf versterkend effect, dat veel sneller gaat dan in de jaren dertig. De economische crisis brak toen in 1929 uit in Amerika, in Duitsland kwam hij als eerste in Europa, in 1930, maar in Nederland begon de crisis pas in 1932 een beetje uit te kristalliseren. Je ziet nu dat de open informatiestromen alles versnellen, maar ook dat de kranten en de serieuzere televisie- en radiojournalistiek door toelichting en interpretatie wel degelijk een matigende rol spelen.’
Oosterbaan: ‘Ik sprak met Kleinnijenhuis, hoogleraar communicatiewetenschap aan de Vrije Universiteit, die als eerste zei dat de media de crisis vergrootten. Als je voortdurend schrijft dat de spaartegoeden verdampen, dan verdampen ze ook. Maar wat je als redactie kunt doen, zei hij, is je bewust zijn van je verantwoordelijkheid en voortdurend laten zien wat er voor plannen zijn om de crisis te keren en hoe reëel het is. Anders versterk je de indruk dat de crisis een natuurverschijnsel is dat over ons heen komt. Dat is precies de belangrijke functie van kranten: behalve dat we nieuws brengen, leggen we het uit en plaatsen we het in een context. Als je argumenten zoekt voor de toekomst van bedrukt papier vind je die bij de kredietcrisis.’

Stelling 7
Verzwakking van de grote gedrukte media betekent inkrimping van de redacties, minder geld voor onderzoeksjournalistiek
en daarom grotere mogelijkheden voor corruptie, in alle geledingen van de samenleving.

De hooggeleerde heren kunnen hier kort over zijn: ze zijn het ermee eens. Maar ze willen het gesprek niet in mineur eindigen.
‘Internet heeft de zaken enorm gecompliceerd’, zegt Warna Oosterbaan. ‘Je kunt je moeilijk verzetten tegen de vooruitgang, maar de grootste uitdaging zal zijn hoe professionele nieuwsorganisaties, en dan bedoel ik redacties, het volgende stadium kunnen betreden. Dat er veel meer audiovisuele elementen een rol in zullen spelen staat vast. Maar ik blijf heilig geloven in het collectief dat een nieuwsorganisatie is en waarin mensen geleerd hebben vertrouwen te hebben. Dat bouw je niet op in één of twee jaar, daar gaat veel meer tijd overheen.’
‘Ik denk dat er een politieke en antropologische behoefte aan kwalitatief hoogstaande journalistiek bestaat’, zegt Frank van Vree, ‘in ieder geval bij een belangrijk deel van de bevolking. Ik maak vaak de vergelijking met muziek. Toen we de cd kregen in de jaren zeventig en tachtig zei iedereen: dat is de toekomst, je hoort het nog beter dan live. Dus werd voorspeld dat muzikanten daarvan zouden gaan leven. En wat blijkt nu, twintig jaar verder? Dat ze leven van de live-concerten. Transformatieprocessen lopen anders dan wij denken. Het kan dus heel goed dat een papieren krant met degelijke achtergrondartikelen een toekomst heeft.’
‘Dan worden we het Concertgebouw van het nieuws’, zegt Henk Hofland tevreden. ‘En dan doen we waar we voor op de wereld zijn: eerst de feiten opzoeken, dan uitmaken wat je ervan denkt in een grotere context en dat in zuiver Nederlands brutaal opschrijven.’