Opheffer

Over de vloer

’s Nachts, op de terugweg van een film, reed ik op de fiets langs het huis van Esther. Vroeger zou ik hebben aangebeld. Tegenwoordig bel ik eerst even op met de mededeling dat ik voor de deur sta en of ik gelegen kom. Ik weet niet waarom ik dat doe, trouwens.

Medium opheffer 49 2012 feestje

Ik was welkom.

Esther had allemaal vrienden over de vloer.

Jonge mensen hebben allemaal kleine gezichten, viel me op.

Ik heb altijd moeite om te zeggen dat ik schrijver ben van beroep. Maar gelukkig werd ik door een paar vrienden van Esther herkend.

De jongeren deden een spel – wat me eerst als idioot voorkwam (ik moet hier meteen weg, dacht ik) maar dat me wel intrigeerde. Esther had ze gevraagd om iets mee te nemen wat hun leven typeerde of had veranderd en ze moesten daarover vertellen.

‘Ik heb ook iets bij me’, zei ik meteen, en dat was ook zo. Ik toonde mijn vulpen. Maar daarover straks.

Ik luisterde naar de verhalen.

Merel had een tekening bij zich ‘die mijn oma had gemaakt van mijn vader op zijn sterfbed’. (Alleen deze zin al, vond ik poëzie.) Het verbaasde me enigszins dat niemand de tragiek van die zin herkende. Merel vertelde dat die tekening haar dierbaar was; toen haar vader stierf was zij in Amerika, en ze zag hem pas toen hij dood was.

Toen kwam Frans. Hij had moeite om te laten zien wat hij bij zich had, maar hij liet een videocameraatje zien en zei: ‘Zoals jullie weten stotter ik. Dus wilde ik niet zo graag praten. Daarom verberg ik me altijd achter een camera. Jullie weten dat ik cameraman ben van beroep, maar in mijn vrije tijd houd ik ook van de camera. De camera heeft echt mijn leven veranderd. Vroeger dacht ik eerst: ik zie iets, nu hoef ik niet te praten. Maar ik zie steeds meer hoe een camera ons leven bepaalt. Door de rangschikking van beelden krijgen we allemaal een beeld van de werkelijkheid, en ik heb steeds meer door hoe we de werkelijkheid vormgeven middels een camera. Niemand van ons, behalve ik, is in Syrië geweest. Jullie kennen Syrië via mijn camera.’ Inderdaad stotterde Frans, maar ik genoot van zijn verhaal. Daarna kreeg de vriendin van Frans het woord: Donna. Ze had een oude agenda meegenomen van zichzelf uit 2007. Ze zei: ‘Ik heb hier aangestreept wanneer en met wie ik voor het eerst met iemand naar bed ben geweest. Kijk… hier staat het… 5 mei, bevrijdingsdag, met Aernout.’ Ze liet ons de dag en de tekst zien en vervolgde: ‘En hieronder staat: zeer gelukkig. Ik was die dag ook zeer gelukkig. Ik dacht: eindelijk heb ik meegemaakt wat ik wilde meemaken, namelijk met iemand naar bed gaan. Ik voelde me erg volwassen. Maar die datum markeert ook een weerzinwekkende tijd. Want Aernout bleek niet de liefde van mijn leven. Het leek er wel op of hij me met opzet ongelukkig wilde maken. Als ik nu naar die agenda kijk en naar Frans, mijn huidige liefde, weet ik dat ik nu pas echt gelukkig ben.’

Ik vond alle verhalen mooi. Ik dacht: wat ken ik de jeugd slecht. Ik ken ze uit de krant. Ze drinken te veel, ze naaien zich suf, maar wat zijn er aardige, artistieke jongelui.

Ik voelde de ouderdom in mijn klamme botten trekken.

‘En wat heb jij bij je?’ vroeg Esther.

Ik toonde mijn vulpen.

Ik vertelde over mijn eerste gedicht dat gepubliceerd werd, ‘geschreven met deze vulpen die ik van mijn moeder had gekregen’.

Het was verzonnen, maar ik was ook maar komen binnenvallen.

Ten slotte kwam er een meisje dat Eva heette. Ze tilde haar bloes op en zei: ‘Ik ben zwanger.’