Over dingen

Soms, als ik overmatig veel gegeten heb, krijg ik pijn in m’n maag. Heb ik er dan ook te veel bij gedronken, dan krijg ik er hoofdpijn bij. Ik bestrijd een en ander wel met maagtabletten en aspirine, maar toch denk ik vaak: dit zijn rechtvaardige klachten. Rechtvaardig omdat ik de klachten zelf had kunnen voorkomen. Had ik normaal gegeten en gedronken, dan was er niets aan de hand geweest.

Over rechtvaardige pijn

Nu heb ik ook andere pijnen. Nu ben ik geneigd om die pijnen ook toe te schrijven aan mijn eigen schuld. Dat is natuurlijk belachelijk, maar ik merk dat ik er niets aan kan doen. Ik verdraag daarom vaak de pijn, want die is immers mijn schuld. Zo heb ik nu pijn in mijn rug. Al maanden. Maar ik doe er niets aan omdat ik denk dat die pijn wordt veroorzaakt door mijn dikte. Hij is dus mijn eigen schuld – en dus doe ik er niets aan. Maar hij wordt nu ondraaglijk. Ik heb genoeg geleden. Anders geformuleerd: mijn lijden overstijgt nu mijn schuld. Wat moet ik nu doen? Ik heb besloten toch eerst de oorzaak aan te pakken: mijn dikte. En pas daarna de pijn.

Over een dekentje

Laatst investeerde ik enig geld in een kussen om op te slapen, maar van Marscha kreeg ik een dekentje. Aan dat dekentje heb ik heel veel. Ik gebruik het te pas en te onpas. Ik probeer de verwarming laag te houden en dat lukt met dat dekentje. Soms zit ik op het dekentje omdat het prettig is voor mijn kont en vandaag heb ik het dekentje om mijn rug (en buik) gebonden omdat ik pijn aan m’n rug had. Aldus raakte ik steeds meer gehecht aan mijn dekentje. Oude mannen zie je vaak met zo’n dekentje. Tegen de reuma en om de prostaat warm te houden. Ik word vermoedelijk zo’n oude man. Altijd een dekentje bij me – tegen oprukkende koude. En zo keer ik weer terug naar mijn kindertijd. Ik schijn vroeger ook altijd een dekentje te hebben gehad. Ik rook er altijd aan. Dat dekentje moest altijd bij me blijven. Nu denk ik dit: hoe meer ik naar mijn dekentje verlang, hoe dichter ik bij de dood ben. Dus wil ik dat dekentje eigenlijk niet meer. Maar ik kom er niet meer van af. Het is een cadeau van Marscha. Ik vind het mooi. Het beschermt me tegen de koude. Wat wil een mens nog meer.

Over uitvindingen en onderwijs

Bijna alle uitvindingen dienden een onderwijskundig doel. Toen Edison de gloeilamp had uitgevonden, zag hij voor zich dat de mensen bij lamplicht zouden leren. Bij de televisie was het niet anders: nu zou iedereen alle grote toneelstukken en films kunnen zien, plus dat hoogleraren via de televisie aan iedereen college konden geven. Toen internet in de mode kwam, hoorde ik hetzelfde. De grote ontwikkelingen in die uitvinding kwamen echter door de amusementsindustrie die onmiddellijk van zo’n ontwikkeling gebruik ging maken. De gloeilamp werd populair toen de stad gezelliger werd door de vele lampen. Televisie werd pas interessant toen er programma’s waren waarom je kon lachen. En de porno-industrie zorgde voor intensief gebruik van de webcam. Er worden meer vagina’s getoond dan wiskundige statistieken. Je kunt het succes van een uitvinding meten aan de amusementswaarde. Omgekeerd: probeer maar eens een onderwijskundige uitvinding te noemen. Het schoolbord misschien, het krijtje, daar houdt het eigenlijk al bij op. Toen ik leraar was (1976) zei de inspectie dat het zo knap van mij was dat ik les gaf zonder het schoolbord te gebruiken – het schoolbord vonden ze achterhaald, terwijl ik het nog steeds een meesterlijke uitvinding vind.

Waar heb je meer aan en waarom: een computer, of een potlood en wat papier?