Over ezels en renpaarden

Roland Barthes beschreef het ooit zo mooi in zijn Mythologies: over de Tour de France wordt hoofdzakelijk in mythische termen gepraat. Op de grootste wielerkoers is louter de poëtica van de vergrotende trap van toepassing. Sneller, zwaarder, krachtiger. De renners zijn de mythische helden die een bergcol bedwingen zoals Hercules de minotaurus in het stof deed bijten, het zijn godenzonen die tijdens de tijdrit sneller zijn dan Achilles, die het duwen en trekken in het peloton overleven als ging het om de slag bij Marathon.

Leefde Roland Barthes nog maar. Dan had hij kunnen beschrijven hoe praten over de Tour verworden is tot het meespelen in een klucht. Er bestaan, als je voormalig Tourwinnaar Bernard Hinault moet geloven, ezels die renpaarden willen worden. Zij hebben verboden middelen nodig voor het sneller, zwaarder, krachtiger. De echte helden winnen de koers der koersen op mineraalwater. Die helden zijn uitgestorven.
Voor de ezels moet doping worden aangesleept. En dan begint de klucht pas goed. Wordt een renner betrapt, dan weet hij van niets en heet het steevast dat een doortrapte concurrent ‘iets’ in zijn voedsel heeft gedaan. In 1990 had een hele wielerploeg 'iets’ verkeerds gegeten. Dit jaar is er sprake van de overtreffende trap van de klucht. Hele ladingen doping zijn zomaar, ongemerkt in een begeleidingswagen terechtgekomen. Niemand snapt hoe het kan.
De helden zijn ezels geworden die huilend de Tour verlaten.