Over genade

Het begon ermee dat ik naar een toneelstuk ging, Strange Interlude, met Ariane Schluter in een geweldige hoofdrol. Ze speelt een vrouw in verschillende stadia van haar leven, van dat ze in de twintig is tot in de vijftig zo ongeveer. Eigenlijk een vreselijk loeder is het, deze Nina Leeds, egocentrisch, manipulatief, voortdurend bezig de mannen om haar heen cirkelende te houden. Drie zijn het er: haar echtgenoot, haar minnaar en de huisvriend die al zijn hele leven verliefd op haar is.

Het is een lang stuk, bijna vier uur, lang genoeg om je aan de taal te laten wennen, aan het kunstmatige van de setting, en aan het eigenaardige effect dat de schrijver, Eugene O’Neill, heeft ingebouwd door de acteurs van zowel een tekst als een innerlijke stem te voorzien. Dus ze spreken tegen elkaar, de personages, maar ook ‘off the record’, met hun gezicht naar jou, de toeschouwer. Ik vind het vaak een zwaktebod, zo’n voice-over, houd er meer van als er nog iets te raden valt, maar hier werkt het goed: niet ironiserend, maar de wreedheid van het stuk nog verder uitvergrotend.

Uitvergroting, dat is wat het kijken naar toneel als het goed is zo’n intense aangelegenheid maakt, en nog iets. Daar kwam ik op omdat ik merkte dat ik me in de tweede pauze van het stuk steeds meer zorgen begon te maken. Hoe moet dit aflopen? Het kan niet anders of deze vrouw gaat genadeloos afgestraft worden. Hoe krijgt ze het voor elkaar, deze Nina, dat die drie mannen zich maar blijven schikken in de rol die ze hen toebedeelt? Het ene moment is ze neurotisch, koud, en dan weer sexy, vlinderend, op hakken, al te bereid haar benen te spreiden. Ze is zo mooi, zo angstaanjagend verleidelijk. En zo ondermijnend leugenachtig. Wanneer slaan ze haar tegen de vlakte, of laten ze haar gewoon eindelijk stikken, en eenzaam sterven?

En toen dacht ik dus dat dat het fijne van een toneelstuk is, of een film, een boek. Dat het een afloop heeft. Dat de schrijver iets heeft bedacht waarnaar je in het echte leven altijd maar moet gissen. Hoe moet dit aflopen? Hoe vaak denk ik het niet, gewoon, over mezelf, m’n leven, op weg naar huis, werk, ik zie mezelf slaloms maken, de rem niet kunnen vinden, over de kop gaan, bloedend op de tramrails liggen, starend naar een grauw behang onder een te dunne deken.

Als er zoiets bestaat als gerechtigheid, kan het alleen maar slecht aflopen voor Nina. Ik weet niet hoeveel genade de schrijver voor haar in petto heeft. Na de tweede pauze bleek de pijnlijkste scène nog te moeten komen: de zoon die zijn moeder betrapt met haar minnaar. Haar grootste en enige zorg erna is het om iedere verdenking uit zijn hoofd te bannen. En ook dat lukt haar, de heks. Zij blijft in zijn ogen voor eeuwig onaangetast, en het lijkt erop dat dat voor haar voldoende is. Geen geweten dat op onverwachte momenten op de deur komt kloppen. Voor wie het niet weet, is het nooit gebeurd.

Terwijl ik dit aan het schrijven was, kreeg ik een berichtje van een vriend. Dat hij vrijdag La Traviata zag; ‘Zat er met tranen in de ogen, hoe vind je die.’ Ik voelde geen tranen bij het zien van Strange Interlude, wel vanochtend, tijdens het ontbijt. Ik las in de Volkskrant de reportage van Maud Effting die een tijdje meeliep op een afdeling palliatieve zorg, waar pijn wordt bestreden en verzacht. Zij combineert in dit stuk nuchtere feitelijke journalistiek met een beproefde literaire techniek: het introduceren van een personage – ‘de lange magere man van kamer 20’ –, het vergroten van zijn menselijkheid – Jan Piet Schreijer is 57, psychiatrisch verpleegkundige, heeft sinds twee jaar lymfeklierkanker, en steeds meer pijn; zoveel pijn dat hij het thuis niet meer uithoudt – om hem tot slot te laten sterven. En wel op maandagochtend, om kwart voor tien.

Ik ken Jan Piet Schreijer tegen die tijd als een aardige man. Een open man, schrijft Effting. ‘Eerlijk. Zorgzaam. Een sterke persoonlijkheid.’ Ik zie hem voor me, hij is mijn overbuurman, mijn bloemist. Die ik er evenmin als Schreijer van verdenk zijn hele leven drie vrouwen alle kanten op te hebben gemanipuleerd, zijn kinderen te hebben belogen.

Ik smeer mijn toast, ieder woord vreet zich een weg naar binnen.

De verpleegkundig specialist: ‘We gaan meneer Schreijer sederen. Vanochtend is de pijn voor hem ondraaglijk geworden. We hebben geen opties meer.’

In zijn vrije tijd leidde Jan Piet Schreijer atletiekwedstrijden.

De arts: ‘Mensen hebben een geïdealiseerd beeld van doodgaan. Dat het rustig en mooi moet gaan.’

Misschien is huilen een groot woord. Laat ik het zo zeggen: ik lees het met tranen in de ogen, hoe vind je die. Jan Piet Schreijer krijgt zijn verdiende afloop. Met een vrouw die zijn hand vasthoudt, ‘Rustig maar’, een dochter die met een doek zijn lippen bevochtigt, ‘Zo pap’, en een zoon die aan de andere kant van het bed staat. Te staan, stel ik mij voor.