Over grenzen

‘GRENZEN HEBBEN een lang leven’, zei Claudio Magris ooit in een lezing. ‘Ze maskeren zich, maar herleven voortdurend en woekeren voort als kankercellen. De vloek van grenzen is dat ze als onoverschrijdbaar worden beschouwd.’

Als iets de Italiaanse cultuurfilosoof en schrijver Magris fascineert, dan zijn het grenzen. Misschien komt dat, zegt hij daar zelf meteen bij, omdat hij is geboren en getogen in Triëst, de provinciestad die een snijpunt vormt tussen Oost en West en Noord en Zuid. Tussen de West-Europese en Midden-Europese cultuur en tussen de Alpen en de zee. Ooit gaf Triëst de Donaumonarchie toegang tot de Middellandse Zee en de Balkan. Magris maakte zelf mee hoe een paar kilometer van Triëst het IJzeren Gordijn werd opgetrokken. Hij woonde in de meest oostelijke havenstad van Italië; verderop lag het communistische Joegoslavië, een gebied dat hij als kind goed had gekend en dat nu terra incognita was geworden. Hij kon alleen nog in zijn herinnering de grens passeren. Hij voelde er zich een balling door.
Hij leefde, zoals hij het zelf noemde, aan de rand. In Triëst kon hij de tweezijdigheid en tweeslachtigheid van de grens ervaren: soms is de grens een ontmoetingspunt met het andere, soms is het een ondoordringbare barrière. Hij ervoer in Triëst, naar eigen zeggen, ‘de melancholie van het nulpunt’. En dat kan hij nog steeds voelen: de ideologische muren in Europa zijn afgebroken, maar binnen de kortste keren zijn even grimmige nationale en etnische muren opgericht.
Claudio Magris (1939) wordt als een van de grootste cultuurfilosofen van onze tijd beschouwd. Hij is een veelzijdig man. Zijn intellectuele carrière begon hij dertig jaar geleden als wonderkind. Toen hij amper 24 was publiceerde hij Der Habsburgse Mythos in der Östereichische Literatur, een studie naar de invloed van de mythe van Habsburg op de vorming van Midden-Europa. Na een studie over het Oost-Europese jodendom, met een prijs bekroond, volgde in 1986 Donau, dat hem wereldfaam bracht. Daarna schreef hij een aantal kleine romans over mensen die zich op breukvlakken van culturen en tijden moeten zien te redden. Hij is behalve geleerde en schrijver vertaler en dagbladmedewerker en zat ook nog enkele jaren in de Italiaanse senaat.
DONAU HIELD het midden tussen reisverslag, studie en roman. Het boek bevat de zoektocht van een niet benoemde hoofdpersoon en is een associatieve verkenningstocht naar de mythe van Midden-Europa zoals die in de literatuur weerspiegeld wordt. Een tocht die niet alleen langs steden en landschappen gaat, maar ook langs de onuitputtelijke boekenkast van de auteur. Donau volgt, hoe kan het ook anders, de loop van de rivier die, zou je kunnen zeggen, de telkens verlegde grenzen in Midden-Europa aaneenrijgt. In de minutieuze beschrijvingen van steden en landschappen en de verhalen van mensen die de hoofdpersoon hoort, wordt een snoer van petites histoires tegenover de bekende grote geschiedenis geplaatst. Magris is niet geïnteresseerd in de grote lijn, hij is geïnteresseerd in het detail.
Zijn onlangs in het Nederlands vertaalde boek Microcosmi, in Italië met de prestigieuze Premio Strega bekroond, lijkt in veel opzichten op Donau. Ook Microcosmi is reisverslag, beschouwing en verhalenbundel tegelijk. Ook in Microcosmi concentreert Magris zich op veronachtzaamde details. Alsof hij, net als in Donau, wil zeggen dat de dingen die streekgebonden en particulier zijn, beschermd moeten worden tegen de moderne massacultuur die alles uniform en gelijk maakt. Triëst is de navel van de landstreken die Magris beschrijft; de verhalen in Microcosmi spelen zich grotendeels af op grensgebied. Het gebied waar Italië, Slovenië, Oostenrijk en Kroatië dicht tegen elkaar aan schurken, de grens van een problematisch Midden-Europa, 'grandioos en zwaarmoedig laboratorium van het onbehagen in de cultuur’.
Magris reist langs de oostgrenzen van Italië en realiseert zich dat er tijdens de Eerste Wereldoorlog een slagveld is geweest. 'Misschien kun je’, denkt hij, 'alleen de dodelijke macht van de grenzen neutraliseren door altijd het gevoel te hebben dat je aan de andere kant staat en daarvoor hebt gekozen.’ Magris reist door Zuid-Tirol en is zich ervan bewust dat daar overal grenzen lopen. Grenzen uit de Oudheid en uit de Middeleeuwen en van nu. Tirol is een en al grens, Tirol scheidt en verenigt. Hoe kun je Tirol dan als een eenheid ervaren? Anders gezegd: hoe kun je denken dat grenzen een identiteit afbakenen? Is een grens niet altijd kunstmatig, hoe gruwelijk de realiteit ervan soms ook is?
MICROCOSMI bestaat uit negen episoden die elk over een bepaalde plek handelen. Café San Marco en het stadspark in Triëst. De lagunen van Grado. De heuvels van Piëmont. De verlaten eilandjes in de Kroatische Kvarner. Het winterse Zuid-Tirol. Het zijn vrijwel stuk voor stuk plekken die je op de kaart moet nazoeken wil je ze kunnen lokaliseren. Net als in Donau tekent Magris de verhalen op van de mensen die hij ontmoet en vergast hij de lezer op zijn duizelingwekkende eruditie. Maar het zijn de plekken die de werkelijke hoofdpersonages van de episoden zijn. Magris is een flaneur in de zin van Walter Benjamin: iemand die vrijelijk, zonder vooropgezet doel ronddwaalt en juist omdat hij geen doel heeft dingen ziet die door anderen over het hoofd worden gezien.
En Magris gaat ook nog eens op plekken kijken waar veel mensen zich niet wagen. Dat leidt, behalve tot het beschrijven van zulk soort microkosmossen, ook tot vermanende opmerkingen als: 'Er bestaat een provinciaal Italië zonder dorpsveten en vaak met meer leven en intelligentie dan de zogeheten grote centra, die zichzelf beschouwen als premièrebioscopen en soms oude, afgedankte filmstudio’s zijn.’
Hij wil in Microcosmi een wereld ontsluiten die aan het verdwijnen is - als ze al niet echt verdwijnt, verdwijnt ze wel uit het gezichtsveld. 'Reizen’, schrijft hij, 'is ook een hopeloze guerrilla tegen het vergeten, een terugtrekkende beweging; stilstaan om de vorm van een vergane stronk te observeren die nog niet helemaal is verdwenen, het profiel van een uiteenvallende duin, sporen van bewoning in een oud huis.’ Voor de verhalen die de reiziger optekent, geldt hetzelfde: dat zijn 'verdwaalde voetnoten bij de Algemene Geschiedenis’.
NATUURLIJK zeggen alle mensen en plekken die Magris beschrijft, al die microkosmossen, iets over de wereld en de grote, alomvattende geschiedenis. Ze zeggen vooral dat je moeilijk over nationale identiteit en landsaard kunt spreken. Als je de details bestudeert zie je al een lappendeken, wat voor mozaïek moet het geheel dan wel niet zijn? Uiteindelijk is Microcosmi een pleidooi voor het erkennen van veelvormigheid. Dat blijkt bijvoorbeeld al uit de eerste episode waarin Café San Marco wordt opgevoerd, het café waar Magris in Triëst ook in werkelijkheid vaak zit te schrijven.
Café San Marco wordt voorgesteld als een Ark van Noach waar plaats is voor iedereen, voor elk paar. De tafeltjes waar ooit beroemde literatoren aan zaten, worden beschreven. De toeristen die op de vlucht zijn voor de regen, de bejaarde dames, de zwervers, de obers. De maskers aan de muur, de gerestaureerde plafondschildering, de bar met zijn glanzende schaaltjes fruit en flessen champagne. Café San Marco wordt kortom geschilderd in al zijn vitale en warmbloedige verscheidenheid en juist daarin, in zijn pluriformiteit, weerspiegelt Café San Marco het wezen van het echte café.
En dan wordt Magris weer even belerend en maakt hij expliciet wat uit zijn beschrijving al blijkt: 'Gelegenheden waar zich niet meer dan één stam ophoudt zijn pseudo-cafés, het doet er weinig toe of het gaat om nette dames, veelbelovende jongeren, alternatieve groepen of welingelichte intellectuelen. Elke vorm van inteelt is verstikkend; ook colleges, universitaire campussen, exclusieve clubs, heersende klassen, politieke bijeenkomsten en culturele symposia zijn een ontkenning van het leven, dat een zeehaven is.’