Wat gaat de Veiligheidsraad doen?

Over harten, geesten en beurzen

De Veiligheidsraad staat vlak voor de stemming over de tweede Amerikaans-Britse oorlogsresolutie, maar van standpuntbepaling op basis van politieke argumenten lijkt nauwelijks sprake. Of de raad voor of tegen een oorlog tegen Irak stemt, hangt veeleer af van economische motieven.

«We zullen ons standpunt pas bepalen na diepgaande consultatie van de overige leden van de Veiligheidsraad,» verklaarde het ministerie van Buitenlandse Zaken van Guinee enkele weken geleden. Normaal gesproken zou zo’n nietszeggende verklaring uit Cona kry niet eens het nieuws halen, maar ditmaal was ze voor Washington aanleiding onmiddellijk twee diplomaten af te vaardigen om de «stemming» in de Guinese hoofdstad te peilen. Want was Guinee van mening veranderd nadat het zich enkele dagen eerder, op de Frans-Afrikaanse top in Parijs, had aangesloten bij het Franse antioorlogsstandpunt?

Het is wel zeer toepasselijk dat uitgerekend deze maand, nu de Verenigde Staten en Groot-Brittannië in de Veiligheidsraad hun oorlogsresolutie tegen Irak in stemming willen brengen, de voorzittershamer in handen is van het straatarme Guinee. Het West-Afrikaanse land speelt geen diplomatieke of militaire rol van betekenis in de eigen regio, laat staan op het wereldtoneel. Toch heeft het in de Veiligheidsraad een even zware stem als de tijdelijke leden Duitsland, Spanje en Bulgarije, die hun standpunt al hebben bepaald. De sympathie van de Guinese bevolking gaat onmiskenbaar uit naar het Franse standpunt, maar in ruil voor een Amerikaans hulppakket is Conakry wellicht bereid zich van stemming te onthouden.

Hetzelfde geldt voor de tijdelijke leden Angola, Kameroen, Chili, Mexico en Pakis tan, die net als Guinee hun kruit tot het laatste ogenblik droog houden. Hun hart ligt bij Hans Blix en de Fransen. Er zijn zelfs berichten dat ze werken aan een gezamenlijk compromisvoorstel waarin de inspecteurs nog een maand de tijd krijgen. De «middel ste zes» weten dat ze een Amerikaanse oorlog in Irak niet kunnen tegenhouden, net zo min als de permanente leden Frankrijk of Rusland dat kunnen, zelfs als ze van hun vetorecht gebruik maken. Om die reden berichten de Nederlandse media over het algemeen geringschattend over de schermutselingen in de Veiligheidsraad, de rapportages van Blix en de machtsstrijd tussen Jacques Chirac en George Bush.

Wat zich onttrekt aan deze kokerblik is dat de strijd allang niet meer gaat om een eventuele oorlog tegen Irak, maar om de toekomst van de raad zelf. De inzet is het prestige van de Verenigde Staten als zelfverklaarde politieman van de wereld, een rol die het land niet kan vervullen zonder stilzwijgende steun van de Verenigde Naties of op z’n minst een grote, min of meer evenwichtige «coalitie van bereidwilligen» die geneigd is Washington te volgen indien het de Veiligheidsraad links laat liggen. Als de aangekondigde resolutie (waaraan tot het laatste moment wordt gesleuteld door de Britten) geen meerderheid van negen stemmen haalt, betekent dat een klap voor Bush, een wellicht fatale nederlaag voor zijn bondgenoot Blair en een nieuw hoofdstuk in de internationale betrekkingen.

De tegenstanders spelen het spel keihard. De Russische buitenlandminister Ivanov verklaarde afgelopen zondag dat de Veiligheidsraad na een «illegale» aanval op Irak opnieuw bijeen moet komen om zich op de situatie te beraden. In dat geval zou de raad de rol kunnen krijgen van een anti-Amerikaans tribunaal. De Amerikanen zijn zich hiervan bewust en zetten alles op alles om de vereiste negen stemmen binnen te halen. Om te beginnen proberen ze te achterhalen hoe de betrokken landen achter de schermen over de situatie denken, hoe ver ze bereid zijn te gaan in hun verzet en in hoeverre ze ontvankelijk zijn voor Amerikaanse, Franse, Duitse en Russische beïnvloeding.

Vorige week berichtte The Observer dat de Amerikaanse elektronische inlichtingendienst, de National Security Agency (NSA), een operatie heeft opgezet om de andere le den van de Veiligheidsraad af te luisteren. De krant wist de hand te leggen op een e-mail-memorandum van Frank Koza, een medewerker van de Regionale Sectie van de NSA in Amerika. In het bericht kondigt Koza aan dat zijn dienst een «uiter ste inspanning» wil leveren om vertrouwelijke gegevens te verzamelen over de standpunten, onderlinge contacten en onderhandelingsposities van de Veiligheidsraadleden. Vanwege de Britse spelling van het memorandum dat The Observer afdrukte («favou rite» in plaats van «favorite» bijvoorbeeld) ontstond twijfel over de authenticiteit ervan, maar die lijkt afgelopen weekend te zijn weerlegd door de arrestatie van een Britse inlichtingenfunctionaris die voor het lekken van de e-mail verantwoordelijk wordt geacht.

Het vehikel voor deze spionage is Echelon, het wereldwijde Amerikaanse afluistersysteem waarin de inlichtingendiensten van Groot-Brittannië, Australië, Nieuw-Zeeland en Canada participeren. Het bestaat uit drie ketens. De eerste is een ring van zes stations rond de evenaar die de internationale communicatiesatellieten van Intelsat afluisteren. Een tweede keten luistert andere satellieten af, waaronder de Russische en Chinese. Het grootste afluisterstation in deze keten is Menwith Hill in het Britse Yorkshire, het op één na grootste staat in Bad Aibling nabij München. Van buitenaf zijn ze te herkennen aan de radomes, grote «golfballen» van kevlar waaronder de schotels worden verborgen zodat niet te zien is op welke satelliet ze gericht staan. De derde keten is een serie afluisterstations voor kabel- en kortegolf verbindingen, doorgaans nabij ambassades en plaatsen waar datatransportkabels uit de zee of de grond komen.

De overige leden van de Veiligheidsraad reageerden laconiek op het bericht. De Bulgaarse ambassadeur liet zelfs weten de bijzondere Amerikaanse aandacht als een compliment te beschouwen: «Het is het beste bewijs dat we meetellen.» Dat neemt niet weg dat de VS langs deze weg sinds de jaren negentig opmerkelijke resultaten hebben behaald. In januari 1994 liep de Franse premier Balladur bijvoorbeeld een Saoedische order voor de Franse wapenindustrie en het Airbus-concern mis doordat koning Fahd op de valreep een interessantere offerte kreeg van Boeing en McDonnell Douglas. Amerikaanse inlichtingenmensen pochten naderhand tegen de media dat ze het pleit hadden gewonnen dankzij hun afluistercapaciteit. In 1995 maakte de Amerikaanse onderhandelaar Mickey Kantor tijdens zijn besprekingen met Japan over de quotering van de Japanse auto-export volop gebruik van afluistergegevens. Hij bereikte een doorbraak doordat hij de Japanse autoproducenten ervan wist te overtuigen dat ze werden misleid door hun regering.

De afgeluisterde informatie is natuurlijk alleen zinvol in combinatie met een serieus Amerikaans aanbod. Zo gezien is de wereld momenteel getuige van de moeder aller smeergeldcampagnes waaraan Washingtons voornaamste rivalen, de Fransen, met geen mogelijkheid kunnen tippen. De Amerikanen kennen eigenlijk maar één beperking, namelijk dat ze moeten woekeren met de fondsen die ze hebben. Een aanzienlijk deel is al toegezegd aan landen die geen lid van de Veiligheidsraad zijn, maar wel deel uitmaken van de «coalitie van bereidwilligen». Voor de Turken is een hulppakket van twintig miljard dollar gereserveerd voor het geval ze alsnog toestemming geven voor de stationering van Amerikaanse troepen. Israël staat ingeboekt voor vier miljard dollar aan hulp en nog eens acht tot tien miljard aan zachte leningen, Jordanië voor een miljard hulp, Egypte voor 1,3 miljard hulp en een vrijhandelsverdrag met de VS naar het voorbeeld van Jordanië.

Daarmee vergeleken zijn de «middelste zes» goedkope klanten. Ze krijgen al bescheiden financiële en militaire bijstand van de VS en zijn bovendien afhankelijk van de Amerikaanse welwillendheid bij het verkrijgen van IMF-leningen en gunstige internationale handels- en betalingsvoorwaarden. De dreiging met het intrekken van die steun is effectiever dan het aanbieden van nieuwe hulp. Chili en Mexico zijn sterk afhankelijk van de handel met de Verenigde Staten. Angola drijft op de bilaterale ontwikkelingshulp van Washington en op de Amerikaanse afname van meer dan de helft van zijn olie, onder meer door de oliemaatschappij Halliburton, de voormalige werkgever van vice-president Cheney.

Guinee en Kameroen komen in aanmerking voor soepeler toegang tot de Amerikaanse markt onder de Africa Growth and Opportunity Act van 2000, maar vorig jaar nam het Congres daarin de bepaling op dat de begunstigde landen de «strijd tegen het terrorisme» moeten steunen. Hoe belangrijk die markttoegang is voor arme landen bleek november 2002, toen resolutie 1441 inzake Irak in stemming werd gebracht. Omdat het tijdelijke Veiligheidsraadlid Mauritius niet enthousiast reageerde, zette Washington het eiland onder druk met deze bepaling. De president riep zijn ambassadeur terug voor een publieke schrobbering, waarna deze alsnog juichend voor de resolutie stemde.

Pakistan, dat tot 11 september 2001 leed onder Amerikaanse sancties vanwege zijn nucleaire wapenbezit, is sterk afhankelijk van Amerikaanse wapenleveranties en bilaterale hulp. De Amerikanen hebben in het geval van Pakistan nog een extra drukmiddel tot hun beschikking. Begin dit jaar circuleerden in Washington geruchten dat Islamabad centrifuges voor de verrijking van uranium aan Noord-Korea had geleverd. In het Congres gingen stemmen op om alle samenwerking met Pakistan te verbreken. President Moe sharraf weet dus welk zwaard van Damocles boven zijn hoofd hangt.

Het doet er niet toe of die beschuldiging klopt. Tenslotte maakt het voor de deliberaties rondom Irak ook niet uit dat de Amerikanen het Internationaal Atoomagentschap valse documenten hebben toegespeeld over Irakese pogingen tot de aankoop van uranium. Het enige wat ertoe doet, is of het Witte Huis er in het kader van zijn «informatie oorlog» gebruik van wil maken.