Over het slijpen van lenzen

DE TENTOONSTELLING Recht voor zijn raap, georganiseerd door het Centraal Museum Utrecht, is een uitgelezen gelegenheid om het werk van jonge Nederlandse kunstenaars te zien - en ook om het over kunstsubsidies te hebben. Voor deze tentoonstelling selecteerden de curatoren van het museum 31 van de 368 beeldend kunstenaars, vormgevers en architecten die de afgelopen drie jaar een startstipendium van het Fonds BKVB hebben gekregen.
De taal schiet nu al hopeloos te kort, want krijgen kun je de lange strijd om een subsidie bepaald niet noemen. Het is een strijd die zich onttrekt aan het oog van de buitenwereld en zich voltrekt in de binnenwereld van de kunstenaar. Het is de tomeloze drang alles op het spel te zetten om vorm te geven aan ‘het onuitsprekelijke van het zijn’, zoals een Duitse kunsthistoricus dat ooit zo mooi noemde. Maar ook is het een taai spiegelgevecht met de buitenwereld die niet op zijn werk zit te wachten. Het is aan de kunstenaar de onverschillige wereld ervan te doordringen dat zij altijd al naar de door hem geslepen lenzen heeft verlangd om zichzelf beter te zien.
Een startstipendium is in die strijd een hart onder de riem, een serieus blijk van erkenning. Het stipendium schenkt de beginnende kunstenaar financiële armslag om zijn werk te maken, zijn lenzen in een tijdrovend proces fijn te slijpen. En dat vervolgens aan de wereld te tonen.
Voor wie precies wil weten waar het om gaat, eerst nog wat cijfers en feiten. Een startstipendium bedraagt achttienduizend euro en kan tot vier jaar na het verlaten van de academie aangevraagd worden. Jaarlijks kent het Fonds BKVB ongeveer 140 startstipendia toe waarvan 75 aan beeldend kunstenaars, vijftig aan vormgevers en twintig aan architecten, dat is zes procent van de jaarlijkse academieverlaters. Op langere termijn behoort het merendeel van hen tot degenen die er in de Nederlandse kunsten toe doen.
Voorwaar geen aanhoudende subsidieregen die, ook niet in de periode na het startstipendium, tot hoge, laat staan alarmerende waterstanden leidt. De subsidies van het Fonds BKVB zijn sober en werkgericht. Zij dragen bij aan de productiekosten van nieuw werk waar nog andere financiers bij betrokken zijn. Het hardnekkige idee dat kunstenaars louter van subsidies bestaan is net zo onjuist als de gedachte dat er aan de andere kant van de wereld mensen zonder hoofd leven. Het is een door en door beschimmeld broodje-aapverhaal.
Ondanks zulke verhalen, ondanks kritische geluiden en reformatorische bewegingen spraken subsidies voor kunst en wetenschap tot voor kort voor zich. Zij waren het tastbare bewijs van een cultureel geloof in het klassieke, het oude, het nieuwe; zij getuigden van het besef van de verbinding tussen heden en verleden. Zonder, zo veel was zeker, zou Nederland een arm land zijn, een laagvlakte van droge cultuurgrond. Zonder financiële ondersteuning van de overheid zou ook de motor voor vernieuwing en innovatie uitvallen, de internationale aantrekkingskracht verbleken, het economische rendement van het cultureel toerisme verdampen.
En nu opeens, out of the blue, verheft zich luidkeels het tegengeluid. Op subsidies kan gemakkelijk bezuinigd worden, zij zijn er slechts om de hobby’s van linkse mensen mogelijk te maken. En als het toch allemaal zo belangrijk is, dan moet een markt van sponsoren en mecenassen het maar overnemen.
Geschokt vraagt de kunstwereld zich af waar zij in tekortgeschoten is. Over en weer klinken beschuldigingen en zelfverwijten: het is de kunst niet gelukt zich te bevrijden uit haar splendid isolation, zij kampt met een imagoprobleem en kan haar eigen noodzakelijkheid niet overtuigend over het voetlicht brengen. Over de isolatie van de kunst is de laatste tijd al veel gezegd en omdat alle drie de genoemde beweringen uiteindelijk samenhangen, wil ik hier kort op het vermeende tekortschieten van de argumenten ingaan.

ALLEREERST IS HET tot op heden gemoedelijk samengaan van kunst en overheidsfinanciën uitzonderlijk. Historisch gezien is het omgekeerde de regel. Staat en kerk, macht en gezag staan bijna per definitie vijandig tegenover de vrijheden van de kunst. Plato, die als filosoof toch aan de goede kant moet staan, denkt daar in zijn dialoog De Staat niet veel anders over. Hij heeft geen moeite met kunstenaars, maar wél met hun vrije werk dat een slechte uitwerking op de jeugd heeft. De Staat kan kunstenaars goed gebruiken zolang zij maar de beelden maken die de staat nodig heeft. Hij stelt de kunst van de Egyptenaren als voorbeeld. Die luisterde naar stichtende wetten en bleef duizenden jaren hetzelfde.
Als er in dictaturen of totalitaire systemen wel sprake is van overheidssteun, dan gaat het om afgekochte vrijheid. Censuur, verordeningen en regels dammen die in, schrijven voor welke werkelijkheid wel en welke niet afgebeeld mag worden.
Hier hoef je niet in de samizdat als je je niet aan de subsidierichtlijnen van het cultuurbeleid houdt. Maar geheel vrij zijn die subsidierichtlijnen niet, zij zetten de kunst in voor beleidsdoelen als publieksbereik, cultureel ondernemerschap. De kunstwereld heeft zich vaak geschikt omdat deze voorschriften eerder een marginale dan een wezensveranderende uitwerking hadden. Ook werd de redelijkheid van richtlijnen erkend, of ze werden beschouwd als een politieke vertaling van kunst-inhoudelijke ontwikkelingen. Werkelijk protest is dan ook uitgebleven - de subsidies waren er.
Maar nu is het menens. De frontale aanval is ingezet en de argumenten van de overheid om de kunst te steunen worden niet meer gehanteerd, laat staan gehoord. Zij behoren politiek gezien tot een dode taal. Is het nu aan de kunst om een nieuwe taal te smeden, om dat deel van de bevolking dat er nadrukkelijk voor kiest nee te zeggen tegen de kunst op andere gedachten te brengen? Het is een nee tegen alles waar de hedendaagse kunst voor staat: een open internationale wereld, verrijkende culturele diversiteit, vloeiende grenzen, vernieuwing, onderzoek, immanente nieuwsgierigheid naar het andere en de ander.
Als antwoord op dat botte nee moet een welluidend tot zo ver en niet verder ten gehore gebracht worden. Hier voldoet geen oppervlakkig Esperanto van de inschikkelijkheid. 'The corruption of man is followed by the corruption of language’, zei Emerson ooit. Het is de hoogste tijd terug te keren naar de taal van de kunst zelf. Haar vocabulaire moet verhit, haar grammatica gehard worden.
In Spinoza, een van Albert Verweij’s mooiste gedichten, is de filosoof lenzen aan het slijpen en ziet in het kleine glas een wervelend visioen van de wereld en de waarheid. 'Vreugde is: niets dan u te naderen.’ Kunst is het naderbij komen van de waarheid van de wereld. Daarom moeten we elke dag op pad, naar Utrecht, naar Den Haag, naar het verleden en de toekomst. Een geestrijke samenleving draagt daarbij als vanzelf zorg voor de infrastructuur.

Lex ter Braak is Directeur Fonds BKVB