Klimaatbrieven

Over hoop en radicaliteit

20 september 2019De Groene heeft zich aangesloten bij Covering Climate Now, een initiatief van de Columbia Journalism Review. Naast de publicatie van een aantal nieuwe verhalen brengen we ook een aantal eerdere klimaatstukken opnieuw onder de aandacht.

Je kunt klimaatdenkers opdelen in tovenaars en profeten, optimisten en doemdenkers. ‘Laat me uitleggen waarom ik rillingen krijg bij de woordcombinatie “een goed Antropoceen”.’

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Hidde Boersma en Jaap Tielbeke over hun briefwisseling. Wat is de kern van hun meningsverschil? Waarover zijn ze het wél eens? Onze podcast is vrijdags gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en de bekende podcastkanalen.

Beste Hidde,

Laatst zat ik op het terras met een Amerikaanse schrijver die bezig was met een boek over klimaatverandering. Ik had haar even treffende als hilarische reportage gelezen over de vastgoedmarkt in Miami, waar beachside condos voor miljoenen worden verkocht, ook al stroomt het zeewater daar steeds vaker door de straten. Als ze aan makelaars vroeg of ze zich geen zorgen maakten over de stijgende zeespiegel, moesten ze lachen. Welnee joh, zo’n vaart zal dat toch niet lopen, en bovendien: we hebben pompen.

Nu reisde ze door Europa, op zoek naar soortgelijke verhalen. Verhalen die laten zien hoe mensen hun kop comfortabel in het zand gestoken houden. Neeltje Jans is natuurlijk imponerender dan die pompjes in Miami, maar uiteindelijk zullen de golven ook deze verdedigingslinie slechten, wist ze. We keken naar het jaartal op de gevel van een aangrenzend grachtenpand: 1685. Dat gebouw staat er al meer dan driehonderd jaar, maar dat het over driehonderd jaar nog steeds boven water staat leek ons onwaarschijnlijk. Ik vertelde haar over een artikel in Vrij Nederland, waarin wetenschappers pleitten voor een ‘Plan B’: gecontroleerde terugtrekking en vluchten naar Duitsland.

De schrijver moest lachen. Ze was vrolijk en géén vegetariër, zei ze demonstratief toen ze een broodje rosbief bestelde. Haar kijk op de wereld was allesbehalve vrolijk. Eigenlijk had ze de moed wel zo’n beetje opgegeven. Zolang we een economie hebben waarin concurrentie en betaald werk centraal staan, blijven we de planeet uitputten. Ik zocht verwoed naar lichtpuntjes. Een Green New Deal? De klimaatspijbelaars? Groeiende maatschappelijke bewustwording? Het kwam haar allemaal voor als hopeloos naïef.

Op mijn somberste momenten deel ik haar pessimisme, dan denk ik dat ik mezelf voor de gek houd door nog te hopen op een goede – of op z’n minst niet compleet desastreuze – afloop. Ik vraag me af of jij zulke zwartgallige gedachten herkent, Hidde. Jij noemt jezelf een ecomodernist en ecomodernisten zijn doorgaans behoorlijk optimistisch. Ze erkennen wel dat er een hoop ecologische uitdagingen zijn, maar geloven dat technologische innovatie en menselijke vindingrijkheid redding zullen brengen. Ze geloven in méér, niet in minder. Zij zien de toekomst met vertrouwen tegemoet, omdat we in het verleden vaak genoeg hebben bewezen dat we de natuur succesvol naar onze hand kunnen zetten. ‘Ik verzet me tegen de doemscenario’s van de groene beweging’, zei je in een interview met de Volkskrant.

Wetenschapsjournalist Charles C. Mann zou je dus een ‘tovenaar’ noemen. Onlangs las ik, mede aangespoord door jouw warme aanbeveling, zijn boek The Wizard and the Prophet, waarin hij de geschiedenis vertelt van Norman Borlaug en William Vogt. De eerste was de geestesvader van de milieubeweging en maakte zich grote zorgen over het spoor van vernieling dat de mens achterlaat in de natuurlijke wereld. Borlaug, daarentegen, was de aanjager van de ‘groene revolutie’ in de landbouw die miljoenen mensen van de hongerdood redde en vertrouwde op de kracht van de wetenschap om de condition humaine te verbeteren. Die twee historische figuren belichamen de tegenpolen die het duurzaamheidsdebat tot op de dag van vandaag in de greep houden, met aan de ene kant de profeten à la Vogt met hun onophoudelijke waarschuwingen voor een nakende ramp en aan de andere kant de tovenaars à la Borlaug met hun onwrikbare geloof in vooruitgang.

Jij zult je vermoedelijk meer thuisvoelen bij de tovenaars, terwijl ik mezelf eerder in de hoek van de profeten schaar. Al begon ik daar, naar mate ik verder las, aan te twijfelen. Ik herkende me niet in de obsessie met bevolkingsgroei en het terug-naar-de-natuur-evangelie van Vogt. Toch kan ik me wel vinden in zijn grondstelling dat de draagkracht van de aarde niet oneindig is. Dat we de planetaire grenzen met ingenieuze uitvindingen weliswaar kunnen oprekken, maar er nooit volledig aan kunnen ontsnappen. We kunnen ons niet zomaar uit deze crisis innoveren. We kunnen niet blijven groeien, zolang die groei wordt voortgestuwd door het massale verstoken van fossiele brandstoffen. Dat ons anders een doemscenario te wachten staat is geen verzinsel van ‘de groene beweging’, maar de robuuste conclusie van het klimaatpanel van de Verenigde Naties.

Hoewel Borlaug en Vogt in dezelfde tijd leefden en op de hoogte waren van elkaars werk, gingen ze nooit in debat. Voor zover bekend ontmoetten ze elkaar slechts één keer en schreven ze elkaar geen enkele brief. Ze praatten langs elkaar heen, in plaats van met elkaar. Laten wij diezelfde fout niet maken.

Je zou kunnen zeggen dat Borlaug en Vogt, ondanks hun radicaal verschillende vertrekpunten, in de kern allebei hoopvol waren. In elk geval vergeleken met die andere wetenschapper die Mann opvoert: microbioloog Lynn Margulis. Waar Borlaug en Vogt onvermoeibaar zochten naar oplossingen om de toekomst van de mensheid veilig te stellen, zag Margulis dat als een heilloze opgave. De mens wachtte volgens haar het lot van iedere succesvolle soort: na een spectaculaire opkomst volgt onvermijdelijk een even spectaculaire neergang. Aldus dicteren de wetten van de biologie. Hidde, jij bent een microbioloog en begrijpt Margulis ongetwijfeld beter dan ik. Kun jij me uitleggen waarom ze ongelijk heeft? Want ze heeft ongelijk, toch? Of is deze intellectuele twist ijdele spielerei en zijn we inderdaad gewoon gedoemd?

***

Beste Jaap,

Afgelopen juni was ik samen met een paar mede-ecomodernisten op retraite in een cisterciënzerklooster in Brabant, om te bedenken hoe we onze beweging kunnen uitbreiden. Ik was me er niet van bewust dat de kloosterlevensstijl nog dermate aanwezig was in Nederland: de monniken, bekend van hun trappistenbier, leven in volledige afzondering. Ze komen nooit buiten de poort, praten, behoudens het zevenmaal bidden per dag, nauwelijks, en krijgen weinig mee van wat er in de wereld gebeurt. Hoe zouden zij de wereld zien als ze plots buiten de deur stonden, zonder de last van de (gekleurde) verhalen die wij ons hele leven horen over de staat van de wereld? Zouden ze het verbeterd vinden vergeleken met toen ze het klooster ingingen, of juist niet?

In een van de meer aardse ruimtes, waar wel gepraat mocht worden, hield ik een pleidooi voor durven dromen, voor het durven maken van grote toekomstplannen, voor het durven denken over een herinrichting van Nederland, met meer natuur zonder dat het ten koste gaat van onze voedselzekerheid. Wij Nederlanders zijn altijd goed geweest in grootse plannen: om meer voedsel te kunnen verbouwen en minder last te hebben van het water, polderden we vanaf de zestiende eeuw hele gebieden in. Toen na de Tweede Wereldoorlog de kleine boerenbedrijven een efficiënte voedselproductie in de weg stonden, bedachten we de ruilverkaveling, waarmee duizenden hectaren land van eigenaar wisselden en kavels groter en makkelijker te bewerken werden. We smeedden Vinexwijken, slufters en ecoducten, waarmee we ons land inrichtten zoals wij dat wilden.

De laatste decennia is de klad gekomen in het idee dat we de wereld kunnen boetseren naar ons droombeeld. De maakbare samenleving heeft een slecht imago gekregen, het ministerie van Ruimtelijke Ordening bestaat zelfs niet meer. Onlangs vertrouwde een aantal topambtenaren van verschillende Haagse ministeries mij tijdens een diner pensant toe dat de rol van de overheid grotendeels uitgespeeld is. In het huidige neoliberale tijdperk kunnen er nog wat komma’s worden verschoven in een beleidsdocument, maar werken aan een toekomstideaal is er niet meer bij.

Dat stemde mij treurig. Want wat mij betreft moeten we weer terug naar de overtuiging dat we een mooiere wereld kunnen maken. Ik denk dat het dat is waarin ik me het meest onderscheid van de profeten: ik ben geen misantroop en geloof dat de mens vooral een kracht voor het goede is. In de twintigste eeuw hebben we onze inventiviteit met name ingezet om de mensheid te verbeteren. En dat is bewonderenswaardig goed gelukt. Als iemand in 1900 had gezegd dat we in 2000 zes miljard mensen konden voeden, dan had iedereen hem voor gek verklaard. Maar het lukte wel.

Nu is het tijd om niet alleen aan onszelf te denken, maar ook aan de wereld om ons heen, aan de bossen, de dieren, de rivieren en de lucht. Als we die in de 21ste eeuw met net zoveel daadkracht gaan verbeteren als we met onszelf deden in de vorige eeuw, dan ligt er een mooie toekomst voor ons. We zijn daartoe in staat: in The Moral Arc beschrijft Michael Shermer hoe onze cirkel van empathie steeds groter wordt. Vroeger maalden we alleen om onze stam, toen om het dorp, de natie, en vervolgens om andere ‘rassen’. Dat we ons zorgen maken over vluchtelingen die verdrinken in de Middellandse Zee is geen gegeven, maar een toonbeeld van onze morele vooruitgang.

De volgende stap is uitbreiding van de cirkel naar de niet-menselijke wereld. Die is uiteraard al in volle gang. Dat jij en ik ons druk maken over biodiversiteit en klimaat is een teken des tijds, de lucht- en waterkwaliteit in Nederland is al beduidend beter dan vijftig jaar geleden en dierenrechten staan prominent op de politieke agenda. Als we hierop voortbouwen, creëren we een goed Antropoceen, het tijdperk van de mens.

Om tot een mooiere wereld te komen, moeten we wel degelijk aanpassingen doen aan onze leefstijl. Ecomodernisten zien weinig in de statisch opgestelde planetaire grenzen en geloven dat we ze met technologie kunnen oprekken. Maar dat betekent niet dat we denken dat alles zonder meer in overvloed is. In mijn ogen is vooral ruimte schaars en moeten we proberen om onze landafdruk zo ver mogelijk in te dammen. Niet voor niets pleitte ik vorig jaar in de Volkskrant samen met UvA-docent politieke economie Paul Teule voor een vleestaks, om onze vleesconsumptie te beperken en het areaal dat we gebruiken voor vee en hun voer terug te dringen. >

Misschien voldoe ik hierdoor niet aan het prototype van een ecomodernist, of beter gezegd: niet aan de karikatuur die er soms van wordt gemaakt. Net zoals jij geen prototype profeet blijkt, omdat je weinig ziet in de back-to-the-land-ideologie. Het is denk ik het grootste gevaar van de exercitie van Charles Mann: door expliciet labels te plakken vergroot hij de tegenstelling tussen de stromingen. Zijn we wel echt zo verschillend? Worden we niet tegen elkaar uitgespeeld, terwijl de status quo ervandoor gaat met het bot?

Om onze inventiviteit maximaal te gebruiken hebben we elkaar juist nodig. Want ook daarover ben ik optimistisch: uit het combineren van ideeën van tovenaars en profeten komen de beste nieuwe plannen. Onze capaciteit tot het stapelen van innovaties heeft ons een voorsprong gegeven op neanderthalers en andere mensachtigen, zo wil de theorie, en daarom zijn we zo succesvol als we zijn. Daar moeten we gebruik van blijven maken.

‘Vooruitgang komt altijd van de flanken, van de radicalen.We moeten juist meer zeuren, want daar wordt de wereld beter van’

O, en Margulis? Ze blijft voor mij een held, omdat zij als eerste bedacht dat de eukaryote cel – de cellen van planten, dieren en schimmels – weinig meer is dan twee bacteriën die in een ver verleden een symbiose met elkaar aangingen door in elkaar te leven. Maar haar vergelijking tussen mensen en bacteriën, die onherroepelijk tegen het einde van het petrischaaltje zouden aanlopen, gaat mijns inziens mank. Wij zijn de enige soort die in staat is om ons potentiële einde aan te zien komen en erop te anticiperen. Laten we dat samen doen.

***

Beste Hidde,

Ik vind het een prachtig beeld: een groep ecomodernisten, toch een beetje de cheerleaders van de technologische moderniteit (vergeef me deze karikatuur), die op retraite gaat in een klooster, een plek bij uitstek om het jachtige moderne leven te ontvluchten en tot bezinning te komen. Ligt daarin niet stiekem een erkenning besloten dat er iets verloren is gegaan in deze nieuwerwetse samenleving? Maar je hebt natuurlijk gelijk: ik zou voor geen goud willen ruilen met de bewoners van het klooster, laat staan met een gemiddelde Nederlander die leefde in het oprichtingsjaar van de cisterciënzerorde (1098, ik heb het net even opgezocht op Wikipedia – handig die technologie).

Ons leven is veel comfortabeler en plezieriger dan dat van de meeste middeleeuwers, geen twijfel over mogelijk. De geschiedenis van de mensheid van de afgelopen pak ’m beet tweehonderd jaar is in veel opzichten een ongelooflijk succesverhaal. De hamvraag is wat die vooruitgang heeft aangejaagd. Iemand als Steven Pinker zegt: de Verlichting. Toen begonnen we de wetenschap ten dienste te stellen van de menselijke voorspoed en schoot onze geschiedenis in een lineaire lijn omhoog. En als we de Verlichtingswaarden maar koesteren kunnen we ervoor zorgen dat we die vooruitgang, ondanks alle uitdagingen, voortzetten.

Ik denk dat Charles Mann een beter antwoord geeft. ‘Het waren fossiele brandstoffen die ons dagelijkse leven transformeerden’, schrijft hij in The Wizard and the Prophet. Pas nadat we leerden hoe we op grote schaal kolen en olie konden verstoken, kwam de opmars van de homo sapiens in een stroomversnelling terecht. Het grappige is dat juist mensen die zich het felst verzetten tegen windmolens en zonnepanelen, dit geregeld aanvoeren als argument: vergeet niet hoeveel we te danken hebben aan fossiele brandstoffen. Ze hebben mensen uit de armoede getild, brachten meer mobiliteit en zorgden over de hele linie voor meer materiële welvaart. Klopt helemaal. Alleen: die vooruitgang komt wel met een prijs die toekomstige generaties moeten betalen.

Pinkeriaanse optimisten zeggen vaak dat we naar ‘het grote plaatje’ moeten kijken. We zouden niet zien hoe goed het eigenlijk gaat met de wereld, omdat we, geholpen door de sensatiebeluste nieuwsmedia, enkel oog hebben voor de ellendige gebeurtenissen. Het ironische is dat zulke optimisten zelf nogal een nauwe blik hanteren. Als je nog verder uitzoomt kom je namelijk op het terrein van de geologische tijdvlakken. En zoals je zelf al schreef moet je dan concluderen dat de mens de planeet eigenhandig een nieuw tijdperk heeft binnengeloodst: het Antropoceen. In een verbijsterend kort tijdsbestek – die paar eeuwen van tomeloze vooruitgang en met name de naoorlogse groeispurt – heeft onze soort de samenstelling van de biosfeer en atmosfeer compleet veranderd. Met als gevolg dat onze planetaire thermostaat op hol slaat en flora en fauna massaal het loodje leggen. Bekijk dát grote plaatje en de toekomst ziet er opeens een stuk minder rooskleurig uit.

Ik geloof graag dat profeten en tovenaars vruchtbaar kunnen samenwerken en dat we wellicht minder van elkaar verschillen dan we soms denken. Maar ik geloof ook dat het minstens zo vruchtbaar kan zijn om de onderliggende verschillen uit te diepen. Zonder wrijving geen glas, en zo. Laat me daarom uitleggen waarom ik rillingen krijg bij de woordcombinatie ‘een goed Antropoceen’. Het is een formulering die regelmatig opduikt bij ecomodernisten die ik ervan verdenk de mens schromelijk te overschatten: hun ambitie stopt niet bij een maakbare samenleving met wat Vinexwijken en ecoducten, zij dromen van een maakbare planeet, compleet met ruimtespiegels om zonlicht te weerkaatsen en mega-stofzuigers om CO2 uit de atmosfeer te filteren. En hoewel ik jou niet van dergelijke waanideeën wil betichten, is de achterliggende gedachte volgens mij dezelfde: de mens moet haar grip op de natuur versterken om ons verblijf op aarde aangenamer te maken. Het is typisch voor het magische denken van tovenaars.

Er ligt, denk ik, een paradox verscholen in het hart van het Antropoceen: het is een bewijs van onze ongekende impact en tegelijkertijd het moment waarop we de controle dreigen te verliezen. Ik kwam laatst een zinnetje tegen in een boek over technologie (New Dark Age van James Bridle), dat me hierop mooi van toepassing lijkt: ‘Hoe meer we weten over de wereld, hoe minder we eraan kunnen veranderen.’ Met het Antropoceen betreden we onbekend terrein, onzekerheid is de nieuwe norm. In zo’n tijd hebben we meer behoefte aan de ecologische blik van William Vogt, met zijn holistische benadering en zijn oog voor het ingewikkelde samenspel tussen dier, plant en atmosfeer. Precies dat inzicht in de complexiteit noopt de mens tot bescheidenheid.

Ondanks deze bedenkingen zou ik liegen als ik zei dat jouw pleidooi voor een mooiere wereld niet aanstekelijk werkt. Ik geloof ook in een overheid die visie durft te tonen en niet terugdeinst voor ambitieuze, omvattende plannen. Zonder dat maken we helemaal geen kans om Nederland te behoeden voor de zondvloed. Zouden we, tovenaars en profeten tezamen, niet moeten nadenken over een Europese variant van een grondige Green New Deal?

Je ziet: je bent erin geslaagd om mijn defaitisme te verdrijven. Optimistisch ben ik nog steeds niet, maar de hoop wil ik niet laten varen. Ik hoop dat onze achterkleinkinderen in de 22e eeuw op retraite gaan in een olieraffinaderij, die tegen die tijd net zo goed een relikwie uit het verleden is als een klooster vandaag, en na enige bezinning kunnen vaststellen dat hun overgrootouders er, tegen alle verwachtingen in, in zijn geslaagd om een schoner en eerlijker alternatief te vinden voor het fossiele extractivisme dat zoveel schade heeft aangericht. Om vervolgens te bedenken hoe het nóg beter kan.

***

Beste Jaap,

‘We zijn de goden van deze planeet, we kunnen er maar beter goed in worden.’ Het is een beroemde uitspraak van Stewart Brand, in de jaren zestig een van de kopstukken van de tegencultuur. Hij schreef toen de Whole Earth Catalog, dat het belangrijkste handboek werd van de back-to-the-land-ideologen, over hoe te overleven in de natuur ver weg van de verfoeide kapitalistische maatschappij. Zo zou een duurzame toekomst er volgens hem uitzien: kleinschalig, gedecentraliseerd en persoonlijk.

Later, na de eeuwwisseling, kwam hij daar helemaal op terug. Hij bekeerde zich – inderdaad – tot het ecomodernisme, en strijdt er nu voor om technologieën waarvan jij sommige veracht, grootschalig in te zetten om klimaatverandering tegen te gaan, zoals geo-engineering, rewilding (het teruggeven van grote stukken grond aan de natuur) en urbanisatie. Hij werkt zelfs aan de-extinctie, het terugbrengen van uitgestorven dieren als de mammoet met behulp van genetische modificatie.

De quote beschrijft wat mij betreft goed waarom ik de term ‘goed Antropoceen’ graag bezig: het is tijd om onze verantwoordelijkheid te nemen en de krachten die we hebben ten goede aan te wenden. Jouw weerstand tegen de term lijkt voort te komen uit de overtuiging dat de daden van de mensheid vooral verstorend zijn, dat onze invloed vooral destructief is. Tegen dat beeld verzet ik mij ten sterkste: de meeste mensen zijn van nature goed.

Ik zie genoeg lichtpuntjes, ook als we naar de grotere geologische tijdschalen kijken. Natuurlijk heeft de biodiversiteit te veel klappen gehad, maar natuurbeschermers zijn over de hele wereld actief om zeldzame dieren te behoeden voor uitsterven, een activiteit die 150 jaar geleden nauwelijks bestond. Weinig bekend is dat de snelheid waarmee dieren uitsterven op dit moment lager ligt dan in 1900, toen het een sport was om het laatste exemplaar van een soort af te schieten. Op dit moment is vijftien procent van de wereld tot beschermd gebied benoemd en dat groeit elk jaar. De natuur heeft rust nodig, en die moeten wij haar gunnen door ons eruit terug te trekken. Dat kan vooral door zo veel mogelijk te doen in zo weinig mogelijk ruimte, met kerncentrales, steden en intensieve landbouw.

De Living Planet Index die jaarlijks wordt uitgegeven door het Wereld Natuur Fonds laat zien dat juist in de rijkste landen de biodiversiteit verbetert. Dat sterkt mij in de gedachte dat de oplossing voor onze problemen vooral ligt in de ontkoppeling van de natuur. Het is afhankelijkheid van de natuur, die tot haar destructie leidt. Zolang we de natuur nodig hebben voor ons voedsel, onze energie en onze grondstoffen, vernietigen we haar. In de vijftiende eeuw speelden alle activiteiten van de mensheid zich nog af op een schamele drie procent van het aardoppervlak, nu hebben we vijftig procent in cultuur gebracht, vooral voor onze explosieve voedselbehoefte. Dat is echt de max.

Ik voel veel voor het Half-Earth Project, gepresenteerd in het gelijknamige boek van Edward O. Wilson, waarin hij de halve wereld wil reserveren voor de natuur. Hij is ook de bedenker van de term biofilie: volgens hem hebben we een aangeboren liefde voor de natuur en het leven. Ik hoop dat die ons gaat helpen om de planeet te redden.

Ik kwam trouwens nog een aardig verhaal tegen over die cisterciënzerorde. Die blijkt opgericht als reactie op de woekerende corruptie in de toen grootste bestaande orde, die van de benedictijnen. Die schurkten zo dicht tegen de machthebbers aan dat ze hun beginselen verloochenden, zo vonden de nieuwbakken cisterciënzers. Een paar eeuwen later brak er om precies dezelfde reden een factie af van deze orde. Macht corrumpeert altijd, zo blijkt maar weer, en dat sterkt me in het idee dat we voor de grote veranderingen die we nodig hebben om de planeet leefbaarder te maken, niet bij de bestaande macht moeten aankloppen: die zullen altijd de status quo verdedigen.

Vooruitgang komt altijd van de flanken, van de radicalen. Het is wat mij betreft een van de grootste misvattingen van mijn collega-optimisten. Die zie ik, Pinker voorop, vaak beargumenteren dat we moeten ophouden met zeuren, omdat het vroeger veel slechter was. Dat miskent wat mij betreft hoe (morele) vooruitgang werkt. We moeten juist meer zeuren, want daar wordt de wereld beter van. Als voorbeeld de Partij voor de Dieren: het mogen dan opperprofeten zijn, ze veranderen met hun constante gezeur wel onze moraal ten opzichte van dieren. En zonder de rake, maar vaak pijnlijke boodschappen die Bij1 overbrengt, verdwijnt het institutioneel racisme in onze maatschappij nooit.

Dus wellicht is er inderdaad een nieuwe, radicale Green Deal nodig. Stewart Brands draai naar het ecomodernisme kwam voort uit zijn persoonlijke ontdekking dat hij de rol van de overheid had onderschat toen hij de tegencultuur aanzwengelde. Gek eigenlijk, als je erover nadenkt, dat een linkse beweging zich toen als een stel libertariërs wilde terugtrekken uit de maatschappij, buiten bereik van de overheid. Het is wat mij ook verbaast bij de moderne milieubeweging, die niet meer lijkt te geloven in grote projecten, en alles wil decentraliseren en kleinschalig houden.

We moeten het vooral zelf doen – heel neoliberaal eigenlijk. Is mijn verlangen naar een toekomst met een grote rol voor de overheid tegenwoordig al radicaal?


Hidde Boersma is wetenschapsjournalist en documentairemaker. Hij schrijft veel over agricultuur, biotechnologie en ecomodernisme.
Jaap Tielbeke is redacteur van De Groene.