Essay: Peter Sloterdijk en de werking van de nemende hand

Over kleptocratie en kapitalisme

De linkse ideologie definieert eigendom als diefstal. Maar de grootste nemer is de moderne belastingstaat. We leven onder een semi-socialisme – en niemand roept op tot een fiscale burgeroorlog.

Medium sloterdijk followup

Als we de klassieken mogen geloven, staan willekeur en lichtgelovigheid aan het begin van alle economische verhoudingen. Rousseau heeft hierover het nodige geschreven in de inleiding tot het tweede deel van zijn Discours over de ongelijkheid tussen mensen uit 1755. ‘De eerste, die een stuk land omheind heeft en op de gedachte kwam te zeggen: “Dat behoort mij toe!”, en die de mensen vond die naïef genoeg waren hem te geloven, is de ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij.’
Zo begint datgene wat wij het economische leven noemen. Met de vaardigheid een omheining te maken en het ingesloten terrein onder het bewind van de hek-heer te stellen met de woorden: Ceci est à moi. De eerste nemer is de eerste ondernemer. Hij is tevens de eerste burger, en de eerste dief.
Hij wordt onvermijdelijk begeleid door de eerste notaris. De ruwe daad van het in bezit nemen moet geconsolideerd worden door deze met terugwerkende kracht te legaliseren. Zonder de instemming van de eenvoudige zielen die geloven in de geldigheid van de eerste toe-eigening is een recht op bezit op den duur onhoudbaar. Wat begint als een bezetting wordt bezegeld door invoering in het kadaster. Het geheim van de burgerlijke maatschappij bestaat daarom in het achteraf heiligen van het gewelddadige initiatief.
Het komt er enkel op aan bij de oorspronkelijke roof, waaruit later de juridische aanspraak voortkomt, vooraan te staan. Wie te laat arriveert, wordt bestraft door het leven. Zij die aan de verkeerde kant van het hek leven, blijven arm. Hen komt de wereld voor als een plaats waar de nemende hand van de anderen zich alles al heeft toegeëigend, voordat zijzelf het toneel betraden.

De oorspronkelijke diefstal
De rousseauiaanse mythe van het ontstaan van de burgerlijke maatschappij heeft zijn uitwerking bij de moderne lezers niet gemist. Marx was diep onder de indruk van het idee van de oorspronkelijke omheining. Zo diep dat hij de gehele vroege geschiedenis van het ‘kapitalisme’, de zogenoemde oorspronkelijke accumulatie, terugvoerde op de misdadige willekeur van enkele Britse grootgrondbezitters. Die waren op de gedachte gekomen grote stukken land te omheinen om daarop kuddes woldragend kapitaal te laten grazen. Iets wat natuurlijk niet kon gebeuren zonder de verdrijving van de oude grondbezitters en -gebruikers.
Marx ontwikkelde zijn ‘kritiek op de politieke economie’ op basis van de door Rousseau geïnspireerde verdenking dat alle economie berust op pre-economische willekeur. De eerste initiatieven van de beati possidentes staan gelijk aan oorspronkelijke misdaden, aan herhalingen van de erfzonde. De zondeval vindt plaats zodra het privé-bezit van het gemeenschappelijke eigendom wordt afgegrensd. Zij plant zich voort in elke daarop volgende economische daad.
In zulke overtuigingen wortelt het voor het marxisme (maar niet alleen voor haar) kenmerkende gebrek aan respect voor het recht. In het bijzonder voor het burgerlijkste aller rechten: dat van de onaantastbaarheid van het eigendom. Want wie gelooft dat het ‘bestaande’ het product is van een initieel onrecht wordt respectloos. Het eigendom wordt vanuit deze optiek teruggevoerd tot een oorspronkelijke ‘diefstal’ van het gemeenschappelijke bezit.
De huidige eigenaars moeten zich er daarom op voorbereiden dat op een dag de gegroeide verhoudingen worden gecorrigeerd. Deze dag breekt aan wanneer de simpele zielen ophouden slechts simpel te zijn. Dan herinneren zij zich de ‘misdaad’, begaan door de oprichters van de eerste hekken. Vervuld van revolutionair elan halen zij de nieuwe hekken neer.
Nu gaat het erom voor het publiek terug te vorderen wat de eerste private nemers zich hebben toegeëigend. Van gebrek aan respect is het slechts een kleine stap naar de onteigening. Alle avant-gardes verkondigen dat we van voren af aan moeten beginnen met de opdeling van de wereld.

Onteigening van de onteigeners
Tegen die achtergrond is het begrijpelijk waarom alle ‘kritische’ economie na Rousseau de vorm aan moest nemen van een algemene theorie van de diefstal. Waar dieven aan de macht zijn – ook al treden ze sinds jaar en dag op als gearriveerde heren – kan een realistische economische wetenschap slechts worden ontwikkeld als de leer van de kleptocratie van de vermogenden.
Deze nieuwe wetenschap van de nemende hand verklaart waarom de reëel existerende oligarchie slechts kan worden overwonnen door het in eerste instantie genomene terug te nemen. Daarmee verschijnt de machtigste politiek-economische gedachte van de negentiende eeuw op het toneel. Een gedachte die dankzij het sovjet-experiment van 1917 tot 1990 ook mede bepalend was voor de afgelopen eeuw. Zij verwoordt het quasi-homeopathische idee dat tegen de oorspronkelijke diefstal van de kant van de weinigen slechts een tegendiefstal van de kant van de velen uitkomst biedt.
De met Rousseau begonnen kritiek op de aristocratische en burgerlijke kleptocratie werd door de radicale vleugel van de Franse Revolutie opgepakt met de verbitterde geestdrift die voortkomt uit het gevaarlijke verbond van idealisme en ressentiment. Al bij de vroege socialisten heette het snel: eigendom is diefstal. De anarchist Pierre-Joseph Proudhon, op wie die stuitende leerstelling teruggaat, had in zijn geschrift over het eigendom van 1840 de opheffing van de oude orden ten gunste van hiërarchieloze producentenverbanden geëist. Aanvankelijk kon hij daarvoor op hevige bijval rekenen van de jonge Marx. Zoals bekend keerde die zijn inspiratiebron enkele jaren later de rug toe. Marx verklaarde dieper aan de wortels te gaan van de oorsprong van het eigendomsprobleem, en eo ipso van het fenomeen van de diefstal.
Marx pleitte op de bekende, respectloze wijze voor de ‘onteigening van de onteigeners’. Dat betekende niet uitsluitend het rechtzetten van lang geleden geschied onrecht. Het marxistische postulaat doelde eerder op de afschaffing van de zich elke dag vernieuwende uitbuitingsverhoudingen in het systeem van het kapitaal. Die zouden ervoor zorgen dat de ‘waarde’ van alle industriële productie voortdurend onrechtvaardig verdeeld wordt. Voor de arbeider voldoet het naakte bestaansminimum. De rest komt ten goede aan de eigenaar van het kapitaal.
Uit de marxistische meerwaardetheorie volgde de moeilijkst na te volgen these die ooit geformuleerd is vanuit de kritiek op het eigendom. Daarin is de bourgeoisie, hoewel de facto ook een producerende klasse, een door en door kleptocratisch collectief. Haar modus vivendi is des te verwerpelijker waar zij zich beroept op de algemene gelijkheid en vrijheid, niet in de laatste plaats de contractvrijheid bij het aangaan van een arbeidsverhouding. Wat onder het mom van in juridisch opzicht vrije ruilovereenkomsten tussen ondernemers en arbeiders wordt afgesloten, is in werkelijkheid slechts een nieuwe toepassing van hetgeen Proudhon het ‘chanterende eigendom’ noemde. In de betaling van het loon gaat een nemen schuil dat zich presenteert als een geven. Onder voorwendsel van een vrijwillige ruil vindt een plundering plaats. Het is op grond van deze moraliserende typering van de fundamentele economische verhoudingen dat ‘kapitalisme’ een scheldwoord kon worden.

Schuldeisers en schuldenaars
Als zodanig beleeft het een Renaissance. ‘Kapitalisme’ staat voor de voortzetting van de feodale uitbuiting van slaven en lijfeigenen met moderne middelen. Dat is wat in feite wordt gesteld met de these dat een basale tegenstelling tussen kapitaal en arbeid de ‘kapitalistische’ wereldorde voortdrijft. Het is een these die met al haar pathos berust op een verkeerde presentatie van de verhoudingen. Wat de moderne economie beweegt, moet niet gezocht worden in het tegenspel van kapitaal en arbeid. Het schuilt eerder in de antagonistische liaison tussen schuldeisers en schuldenaars.
Het is de zorg om de terugbetaling van kredieten die de moderne economie voortdrijft. Ten opzichte van die zorgen staan kapitaal en arbeid aan dezelfde kant. Dat is in deze tijden van financiële crisis zelfs te lezen in de tabloids. Het krediet is de ziel van elk bedrijf. De lonen worden meestal betaald uit geleend geld. De faustiaanse onrust van de eeuwig voortgedreven ondernemer is de psychische reflex op de rentestress.
Niettemin leeft de veronderstelling voort dat ‘kapitaal’ slechts een pseudoniem is voor een onstilbare, roofzuchtige drift. Bijvoorbeeld in Brechts domme gedachte dat het beroven van een bank niets te betekenen heeft in vergelijking met de oprichting ervan. In de klassieke linkse analyses lijkt de diefstal aan de macht te zijn – hoe vaderlijk sommige ondernemers zich ook mogen inzetten voor hun medewerkers. De ‘burgerlijke staat’ kan vanuit zulke aannames niet veel meer zijn dan een verbond ter verdediging van de ‘heersende belangen’.
Het loont zich niet hier alle vergissingen en misverstanden omtrent het principe van het eigendom op te lepelen, een foute voorstelling van zaken die loopt van Rousseau via Marx tot aan Lenin. Die laatste liet zien wat er gebeurt wanneer het idee van de onteigening van de onteigeners uit de sfeer van sektarische traktaten wordt gehaald en overgebracht naar die van de staatspartijterreur. Aan Lenin is het nog niet achterhaalde inzicht te danken dat het lot van zowel het kapitalisme als van zijn vermeende tegenspeler, het socialisme, nauw verweven is met hoe de moderne staat georganiseerd is.

Antifiscale burgeroorlog
Om te begrijpen hoe het er op dit moment voorstaat met de activiteiten van de nemende hand is het inderdaad nodig een blik te werpen op de tegenwoordige staat. Om haar ongekende uitdijen te bevatten, loont het te herinneren aan de historische verwantschap tussen het vroege liberalisme en het prille anarchisme. Beide bewegingen werden geïnspireerd door de bedrieglijke aanname dat de mensheid op weg was naar een tijdperk waarin de staat aan macht heeft ingeboet. Het liberalisme streefde naar een minimale staat, die haar burgers nagenoeg onvoelbaar regeert en ze met rust laat bij hun handel en wandel. Het anarchisme plaatste zelfs de eis van het volledig afsterven van de staat op de agenda.
In beide postulaten stak de, voor de negentiende eeuw en haar systeemblinde denken typische, verwachting dat de uitbuiting van de mensen door de mensen binnen afzienbare tijd tot het verleden zou behoren. Dat zou in het geval van het liberalisme gebeuren door een einde te maken aan de onproductieve uitzuigmacht van de adel en de clerus. Anarchisten bepleitten het oplossen van de oude sociale klassen in kleine kringen, vrij van vervreemding, die zelf wilden consumeren wat ze zelf voortbrachten.
De twintigste eeuw heeft getoond dat zowel het liberalisme als het anarchisme de logica van het systeem tegen zich had. Wie de werking van de nemende hand wil begrijpen, moet vooral de grote nemermacht van de moderne wereld in het oog houden. Hij moet kijken naar de vernieuwde belastingstaat, die zich ook meer en meer zou ontwikkelen tot schuldenstaat. Aanzetten hiertoe zijn vooral te vinden binnen de liberale tradities.
Binnen een eeuw tijd heeft de moderne staat zich ontwikkeld tot een geld zuigend en geld spuwend monster van ongekende proporties. Dit kon vooral gebeuren door een uitbreiding die zijn weerga niet kent van de ‘belastingzone’, niet op de laatste plaats door de invoering van de progressieve inkomstenbelasting. Die behelst eigenlijk niets minder dan een functioneel equivalent van de socialistische onteigening. Waarbij deze procedure zich ook nog jaar in, jaar uit laat herhalen – althans bij diegenen die niet ten onder gingen aan de aderlating van het voorgaande jaar.
Om het fenomeen van de huidige belastingtolerantie bij de welgestelden op waarde te schatten, is het misschien goed te herinneren aan koningin Victoria. Bij de allereerste heffing van een inkomstenbelasting in Engeland ter hoogte van vijf procent worstelde zij met de vraag of hiermee niet de grenzen van het toelaatbare werden overschreden. Intussen zijn we lang en breed gewend geraakt aan toestanden waarin een handvol vermogenden – gelaten – meer dan de helft van de nationale inkomstenbelasting opbrengt.
Samen met een bonte reeks creaties die vooral de consumptie betreffen, leidt dat tot een fenomenaal resultaat. Ieder jaar eisen compleet opgetuigde belastingstaten de helft van alle economische successen van hun productieve klassen op voor de fiscus. En dat zonder dat de getroffenen hun toevlucht nemen tot de meest plausibele reactie hierop: de antifiscale burgeroorlog. Het is een staaltje politieke dressuur dat iedere minister van Financiën onder het absolutisme van jaloezie had doen verbleken.

Staatskleptocratie
Dit alles maakt het eenvoudig te begrijpen waarom de vraag of het ‘kapitalisme’ nog toekomst heeft niet klopt. We leven tegenwoordig helemaal niet ‘in het kapitalisme’, zoals een even onnadenkende als hysterische retoriek het de laatste tijd weer suggereert. We leven in een orde die – cum grano salis – gedefinieerd moet worden als een massamediaal geïnspireerde, via de belastingstaat toeslaand semi-socialisme, op eigendomseconomische grondslagen. Officieel heeft dat schaamteloos ‘sociale markteconomie’.
Sinds hun monopolisering door de nationale en regionale belastingdiensten staan de activiteiten van de nemende hand daarin overwegend in dienst van uitgaven ten behoeve van de gemeenschap. Ze komen de Sisyphus-werken ten goede die ontspruiten aan de eis van ‘sociale gerechtigheid’. Alles bij elkaar berusten zij op het volgende inzicht: wie veel wil nemen, moet veel begunstigen.
Zo is uit de uitbuiting van feodale tijden een staatskleptocratie geworden. Een moderne minister van Financiën is als een Robin Hood die de eed op de grondwet heeft gezworen. Het nemen met goed geweten is kenmerkend voor de publieke hand. Het rechtvaardigt zichzelf door zijn niet meetbare nut voor de sociale vrede – om over de overige prestaties van de nemend-gevende staat maar te zwijgen. De corruptie blijft daarbij doorgaans beperkt. Een blik op de tegenovergestelde situatie volstaat om dat te bevestigen: de verhoudingen in het postcommunistische Rusland. Daar kon een man zonder herkomst als Wladimir Poetin binnen enkele dienstjaren aan het roer van de staat een privé-vermogen van meer dan twintig miljard dollar bij elkaar roven.
Het is de verdienste van de liberale beschouwers van het nemende monster, over wier rug het huidige systeem van daseins-voorziening in stand wordt gehouden, dat zij op de gevaren hebben gewezen die in de gegeven verhoudingen schuilen. Overmatige regulering verstikt het ondernemende elan. Overmatige belastingheffing bestraft succes. Door overmatige schulden wordt de serieuze begroting er met speculatieve frivoliteit doorheen gejaagd – privé net zo goed als publiek. Het waren ook auteurs van liberale snit die er als eerste op wezen dat inherent aan de huidige omstandigheden een tendens naar het omkeren van de uitbuiting is. Leefden in de economische oudheid de rijken onmiskenbaar en onmiddellijk op kosten van de armen, in de economische moderniteit kan het zo ver komen dat de onproductieven op kosten van de productieven leven. Daarbij horen én geloven de laatsten ook nog eens dat zij de onproductieven onrecht aandoen en hen meer schuldig zijn.
Ruim de helft van de bevolking van moderne naties bestaat momenteel uit mensen die geen of een laag inkomen ontvangen. Zij hoeven geen premies af te dragen. Hun bestaan hangt grotendeels af van het werk van de belastingactieve andere helft. Het kan in de loop van de 21ste eeuw wel eens tot grootschalige ontsolidariseringen komen, als de maar al te aannemelijke liberale these van de uitbuiting van de productieven door de onproductieven de sinds lange tijd veel minder plausibele linkse these van de uitbuiting van de arbeid door het kapitaal in populariteit voorbijstreeft. Dat zou postdemocratische consequenties hebben, wier schildering men zich op dit moment liever bespaart.

De revolutie van de gevende hand
Het grootste gevaar voor de toekomst van het systeem gaat tegenwoordig uit van de schuldenpolitiek van de door het keynesianisme vergiftigde staat. Zij koerst even discreet als onvermijdelijk af op een situatie waarin de schuldenaar zijn schuldeisers opnieuw moet onteigenen – zoals zo vaak in de geschiedenis, van de dagen van de farao’s tot aan de monetaire hervormingen van de twintigste eeuw. Nieuw aan de huidige fenomenen is vooral de gruwelijke omvang van de publieke schulden.
Of het nu gebeurt in de vorm van een afschrijving, faillissement, devaluatie van de munteenheid of inflatie – de volgende grootschalige onteigeningen zitten er aan te komen. Nu al is duidelijk welke werktitel het draaiboek voor de toekomst heeft: de plundering van de toekomst door het heden. De nemende hand laat zelfs het nageslacht niet ongemoeid. Het gebrek aan respect omvat nu ook de natuurlijke grondslagen voor het leven en de opeenvolgende generaties.
De enige macht die verzet kan bieden tegen de uitbuiting van de toekomst vergt een sociaal-psychologische heruitvinding van de ‘maatschappij’. Dat zou niet minder zijn dan een revolutie van de gevende hand. Zij zou leiden tot de afschaffing van gedwongen belastingen en hun omvorming in giften aan de gemeenschap – zonder dat de publieke sector daardoor hoeft te verschralen. Deze thymotische omwenteling moet zien aan te tonen dat in de eeuwige strijd tussen gierigheid en trots soms ook de laatste de overhand kan krijgen.


Peter Sloterdijk is filosoof. Van hem verscheen dit jaar Du musst dein Leben ändern: Über Anthropotechnik.
Dit essay werd eerder afgedrukt door de Frankfurter Allgemeine Zeitung, onder de foutieve titel ‘De revolutie van de gevende hand’. Peter Sloterdijk laat in een e-mail aan De Groene Amsterdammer weten dat door die ‘titelvervalsing’ zijn artikel door sommigen ten onrechte is opgevat als een radicaal-liberaal pleidooi. Hij dringt erop aan de lezer duidelijk te maken dat het essay daarentegen ‘een sociaal-democratische tendens verdedigt’ – waarvan akte.

Vertaling Koen Haegens