Brenschutter voor een brandende woning tijdens de zogenaamde ‘Eerste Politionele Actie’. Nederlands-Indië, 1947 © Fotoafdrukken Koninklijke Marine / NIMH

In de woonkamer van Goos Blok hangt een tekening van Mahatma Gandhi. Het is een sobere afbeelding in zwart-wit. Dat dit portret hier aan de muur hangt is ergens niet opmerkelijk. De Indiase vrijheidsstrijder wordt vaak vereenzelvigd met geweldloosheid en Blok is een stellige pacifist. De tekening lijkt zo bezien simpelweg een uiting van zijn overtuiging. Maar wie het verhaal van Blok kent zou er ook iets anders in kunnen zien. Een bittere vorm van voortschrijdend inzicht bijvoorbeeld. Of een voortdurende spiegeling van zijn schuld.

In november 1947 vertrok Blok als dienstplichtige, twintig jaar oud, met het schip de Kota Baroe naar Indonesië. Tijdens deze reis kreeg hij de keuze tussen aardappelen schillen of Maleis leren. Blok koos voor het laatste. Hierdoor kwam hij bij de Militaire Inlichtingendienst op Bali terecht. Hij werd gestationeerd op een buitenpost in Mengwi. Op zijn eerste dag zag hij hoe knil-militairen een Indonesiër een waterproef lieten ondergaan: het slachtoffer had een slang in zijn mond en daar werd water in gegoten, net zo lang tot hij informatie losliet. Al snel zette Blok deze methodes voort. Hij sloeg de vrijheidsstrijders of stopte de elektroden van een veldtelefoon in hun handen. Het draaien aan die telefoon wekte een schok op. Sommigen van de Balinezen waren niet ouder naar vijftien. Eén keer zette hij een gevangene in de brandende zon.

Het was historica en journalist Anne-Lot Hoek die Bloks getuigenis in 2013 als eerste opschreef, in een artikel voor Vrij Nederland. Hoek zou zijn relaas verwerken in haar boek De strijd om Bali, dat vorig jaar verscheen. Hierin onthult ze op basis van veldonderzoek een systeem van kampen waar gemoord en gemarteld werd. Daarnaast getuigde Blok ook in de documentaireserie Onze jongens op Java van Coen Verbraak en komt hij aan het woord in het boek Revolusi van David Van Reybrouck. De veteraan vertelt in al deze gevallen steeds min of meer hetzelfde verhaal.

Zijn martelpraktijken vormen een duidelijk voorbeeld van de oorlogsmisdaden die Nederlandse soldaten in Indonesië begingen. Tot nu toe richtten historici zich vooral op het in kaart brengen van de omvang en aard van dit Nederlandse geweld. Aandacht voor de achtergrond van daders zoals Blok was er veel minder. Daardoor is een belangrijk aspect steeds buiten beeld gebleven. Want hoe sprekend zijn getuigenis ook mag zijn, het daderschap van Blok is alleen op basis van bovenstaande feiten niet goed te begrijpen.

Om dat te kunnen, is het noodzakelijk om meer te weten te komen over Blok zelf. Uit welk gezin en milieu kwam hij bijvoorbeeld? Had hij bijzondere karaktereigenschappen die hem gewelddadig maakten? Welke ervaringen hebben hem gevormd? Hierover sprak Blok nog niet eerder. De antwoorden op deze vragen verklaren hoe het kan dat Blok als jonge twintiger zonder schroom aan het martelen sloeg. Het is daarbij wel zaak om deze informatie op de juiste manier te duiden. Een dergelijke exercitie is het domein van de daderschapstudies.

Dit relatief jonge vakgebied richtte zich in eerste instantie op het verklaren van de holocaust. Aanvankelijk werd gedacht dat daders personen waren met een criminele inborst of geestelijk defect. Het boek Ordinary Men van Christopher Browning uit 1992 veranderde deze kijk fundamenteel: de Amerikaanse historicus beschreef in zijn onderzoek hoe leden van Reserve Politiebataljon 101 tijdens massa-executies in Polen ruim 38.000 joden doodschoten. Hij liet zien dat het hier om doorsnee Duitsers ging die zich ontpopten tot genocidaires. In zijn verklaring wees Browning naar sociaal-psychologische processen. Ordinary Men liet zien dat onder specifieke omstandigheden ieder mens een dader kan worden.

Hoewel in de minderheid, waren er ook onderzoekers die zich verzetten tegen deze consensus. De Nederlandse socioloog Abram de Swaan gruwde bijvoorbeeld van het idee dat daders gewone mensen zouden zijn. In zijn Compartimenten van vernietiging wees hij erop dat de situatie waarin een dader verkeert zeker van invloed is, maar, stelt hij, het is onwaarschijnlijk dat ieder mens zich hetzelfde zal gedragen in een vergelijkbare situatie: ‘Het hangt ook af van hun eerdere ervaringen en persoonlijke geschiedenis (…) van iemands specifieke persoonlijkheid.’

Volgens De Swaan hebben sommige mensen meer aanleg om dader te worden: ‘Zij ontberen elk gevoel van empathie, laat staan sympathie, voor de mensen die zij martelen en vermoorden.’ Door dit gemis kunnen daders geen medelijden voelen met hun slachtoffers. Hierin onderscheiden ze zich van gewone mensen. De daders uit Brownings onderzoek hadden dit gemaskeerd door zich beter voor te doen dan ze daadwerkelijk waren. De Amerikaanse historicus was domweg in hun toneelstukjes getuind.

De Swaan is beslist niet de enige die er zo naar kijkt. Paul van de Water deed onderzoek naar gewelddadige collaborateurs tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Afgelopen september verscheen zijn boek Collaboratie en geweld. ‘Ik geloof niet dat elk mens in staat is tot diep kwaad’, zei hij in een interview in de NRC naar aanleiding hiervan. In het Noordhollands Dagblad stelde Van de Water verder over holocaust-daders: ‘Ze ontbeerden empathie. Dat onderschrijf ik.’

Daderschapsexpert Alette Smeulers verwerpt dit. ‘Slechts een klein percentage daders heeft een psychische afwijking en kan geen empathie voelen. Al die andere daders kunnen dat wel. In tijden van massageweld lukt het hen om zulke gevoelens te onderdrukken.’ Sommige personen lukt dat makkelijker dan anderen, beaamt Smeulers. ‘Maar het is hoe dan ook iets wat nagenoeg iedereen kan en daarmee niets uitzonderlijks.’

Smeulers stelt dat het onderdrukken van empathie te oefenen is. ‘Een chirurg kan alleen in een patiënt snijden doordat hem is geleerd geen medelijden te voelen, hoewel snijden in een ander mens best gruwelijk is. Bij daders werkt dat op een vergelijkbare manier. Ook zij zijn meestal getraind en leren om hun slachtoffers niet langer als volwaardige mensen te zien. Het lukt daders bovenal om hun geweten te sussen. Dat is echt typerend. Alleen op die manier kunnen ze moorden en martelen.’ De vraag, zegt Smeulers, is eerder wat voor soort dader een persoon zal blijken te zijn in zo’n situatie.

Om hier antwoord op te geven bracht Smeulers haar eigen onderzoek over daders uit de Rwandese genocide en dat van collega’s over ander massageweld bijeen. Uit egodocumenten, biografieën en dossiers van strafzaken bleek dat de achtergrond van een dader een belangrijke factor was. Smeulers zag overeenkomsten tussen daders, maar minstens zo vaak verschillen. Ze begon individuen te groeperen en destilleerde uit alle bronnen een typologie met negen soorten daders – onder andere fanatiekelingen, sadisten, profiteurs en carrièremakers. Er zijn meer onderzoekers die een dadertypologie opstelden, zoals de bekende holocaust-onderzoeker Raul Hilberg en de Amerikaanse socioloog Michael Mann, maar geen van hen werkte hun typologie zo gedetailleerd uit als Smeulers.

De Groningse hoogleraar beschreef hoe de weg naar daderschap uit drie fasen bestaat: de eerste is de trainingsfase, tijdens de tweede past een persoon voor het eerst grensoverschrijdend geweld toe. Het moment na deze eerste keer is belangrijk: sust iemand zijn geweten, dan ligt het voor de hand dat deze persoon doorgaat met het plegen van geweld. Maar ziet iemand in dat een morele grens werd overschreven, dan is er de mogelijkheid dat deze persoon niet verder gaat. Dat laatste gebeurt alleen niet vaak. Een soldaat staat onder enorme druk om bevelen op te volgen, eenvoudiger is het daarom het eigen gedrag te rechtvaardigen en door te gaan. In de derde fase wordt het toepassen van geweld routine.

Zowel Smeulers’ beschrijving van deze fasen als haar typologie biedt handvatten om het daderschap van Goos Blok te kunnen duiden. Wat voor soort dader werd hij in Indonesië? Hoe bepalend waren zijn karakter en gebeurtenissen uit zijn jeugd hierbij? En hoe zag Blok zijn slachtoffers, had hij medelijden met hen of juist niet?

De biografie van Blok begint in Rotterdam, waar hij in 1926 werd geboren. Hij groeide op in een protestants gezin. Blok vertelt dat zijn vader hoofd van een school was. ‘We waren niet geweldig rijk, maar gewoon middenklasse. Mijn moeder was thuis en we hadden een dienstbode die hielp in het huishouden.’

Hoewel protestants neigde vader naar de sdap, de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, herinnert Blok zich. ‘Net zoals zijn broers dat deden, mijn ooms. Een van hen was dominee, de ander leraar klassieke talen. Ze waren dus behoorlijk links en praatten veel over politiek, altijd met veel geladenheid.’ Vader was daarbij maatschappelijk geëngageerd. Hij zamelde bijvoorbeeld geld in om schoenen te kopen voor de arme leerlingen op zijn school. Omkijken naar een ander werd Blok vanaf jonge leeftijd aangeleerd.

Ze betrokken een nieuwgebouwd koophuis op het Lisplein in Rotterdam-Noord. Het gezin zou uiteindelijk tien kinderen tellen. Blok werd als vierde geboren, hij had drie zussen boven zich. Als eerste zoon werd wat van hem verwacht. ‘Toen ik in de zesde klas zat, ging ik een uur vroeger naar school. Dan kreeg ik extra taal en rekenen, want ik moest naar de hogereburgerschool, de hbs, het latere atheneum.’ Blok ging ook naar de zondagsschool. Maar klagen deed hij nooit, problemen maakte hij evenmin.

Dertien jaar was Goos Blok toen de Tweede Wereldoorlog Nederland bereikte, begin mei 1940. Rotterdam werd op 14 mei gebombardeerd door de Duitsers. ‘Ons huis had een keldertje’, herinnert Blok zich. ‘We zaten daar onder een dikke stoep van graniet. De bommen vielen vijftig meter van ons vandaan. Vlakbij brak brand uit.’ Maar Blok was beslist niet bang. ‘Ik vond het spannend. Het was een groot avontuur.’

Blok vertelt hoe hij gefascineerd was door soldaten en militair vertoon. ‘Op het Oostplein stonden mariniers. Die hadden zwarte uniformen aan en stonden daar op wacht, heel stoer met hun geweer. Dat maakte indruk.’ Blok herinnert zich ook zingende Duitse militairen, een zijspan dat hij ‘hartstikke mooi’ vond. ‘Bij ons in de wijk werd militaire kleding verzameld. Die zaten in een grote bak. Ik trok daar de soldatenjasjes uit, want daar zaten mooie onderscheidingstekens op. Die wilde ik hebben, ik spaarde ze in een doosje.’

‘Je trekt een uniform aan en vraagt je niet meer af wat je doet. Het is het ombuigen van de eigen wil, gewend raken aan het luisteren naar commando’s’

Op 9 februari 1943 werd Blok, toen zestien jaar en inmiddels toegelaten tot de hbs, door politieagenten opgepakt. Hij weet niet waarom. Blok werd naar Kamp Vught gebracht. Hij herinnert zich vooral dat er veel geschreeuwd werd. ‘Wie die Baracken verlässt, werd erschossen. Verstanden?!’ brulde een Duitse Hauptmann hem toe. Blok vond het ontzettend intimiderend. De volgende ochtend moest hij met andere gevangenen im Karree staan. ‘Een man die probeerde te vluchten was gepakt en zou doodgeschoten worden’, vertelt Blok. ‘Een Duitse officier beval hem afscheid te nemen van ons, zijn medegevangenen. Dat deed hij en daarna liepen ze met hem weg. We hebben niet gezien of gehoord dat hij doodgeschoten werd. Maar alleen al het feit dat werd gezegd “er wird erschossen”, was huiveringwekkend.’ Na drie dagen werd Blok vrijgelaten.

Executie van 20 mannen in kampong Salomoni, Zuid-Celebes, Nederlands-Indië,12 februari 1947 © H.C. Kavelaars / NIMH

De verdere bezettingsperiode zou nog uitermate onrustig zijn voor Blok. Zo ontkwam hij ternauwernood aan een nieuwe arrestatie. Ook zat hij ondergedoken op vier adressen, om te ontsnappen aan tewerkstelling. Vijf maanden na het einde van oorlog werd hij opgeroepen als dienstplichtige. Van augustus tot november kreeg hij een militaire training. Die stelde niet veel voor. ‘De korporaals en sergeanten die ons trainden waren vooral schreeuwlelijkerds.’ Hoewel de training weinig om het lijf had, zijn deze maanden van cruciaal belang om het handelen van Blok te begrijpen. ‘Ik heb het voor mijzelf genoemd dat ik gelijkvormig werd gemaakt aan het grote leger. Je trekt een uniform aan en vraagt je niet meer af wat je doet. Het is het ombuigen van de eigen wil, gewend raken aan het luisteren naar commando’s.’

Wat Blok benoemt is de eerste fase van het proces dat Smeulers beschrijft. Hierin staat de transitie van gewone burger naar soldaat centraal. Rekruten worden afgezonderd op een kazerne en ondergedompeld in een militaire cultuur, die heel hiërarchisch is. Ze moeten persoonlijke bezittingen afgeven, krijgen dezelfde kleding en een kort kapsel aangemeten. Voornamen worden afgedankt, alleen de achternaam geldt nog. ‘Een rekruut verliest zo zijn eigen identiteit’, legt Smeulers uit. ‘Daar komt een collectieve identiteit voor in de plaats. Hij of zij neemt niet langer beslissingen, voelt ook geen morele verantwoordelijkheid meer, denkt daar steeds minder over na. Ze krijgen enkel nog een puur uitvoerende taak.’

Blok vertelt dat hij ook tijdens deze trainingsmaanden erg zijn best deed. Op de avond voordat hij inscheepte naar Indonesië moest hij zich bij grootmajoor Wagenvoort melden. ‘Die vertelde me dat was besloten dat ik bevorderd werd naar soldaat eerste klas.’ Een beloning voor zijn houding en inzet, maar Blok weigerde. Hij wilde die verantwoordelijkheid niet. ‘Ik kon daar geen leiding geven aan soldaten, want ik wist niets van de omstandigheden in Indonesië.’ Zijn weigering werd geaccepteerd, Blok behield zijn rang.

Op Bali moest hij eerst twee weken in quarantaine, om te wennen aan het klimaat. Daarna ging hij naar een buitenpost. De veteraan vertelt dat op de buitenpost in Mengwi niemand hem uitlegde hoe je een vijand moest verhoren. Hij zag hoe andere soldaten martelden en nam dat zonder schroom over. ‘Dat werd ons niet geleerd. Ik dacht daar ook verder niet bij na, dat dóe je gewoon. Ik maakte me simpelweg gelijkvormig aan de knil-methoden.’

Blok herinnert zich de eerste keer dat hij een Balinese verzetsstrijder martelde met stroom. ‘Dat ging eigenlijk heel speels’, vertelt hij. ‘Ik gaf die man de elektroden in zijn handen. Hij was doodsbang. Toen draaide ik aan die veldtelefoon.’ De Balinees schreeuwde het daarop uit. Blok vertelt dat hij er in het geheel niet bij stilstond waar hij mee bezig was. Daar zit een opvallend patroon in. Bij iedere keer dat hij vertelt over het martelen komt dat met stelligheid terug: hoe hij ook sloeg of martelde met stroom, hij dacht er niet verder bij na.

Na die eerste keer kwam Blok niet tot inkeer. Hij martelde omdat dat zijn taak was. De orders die hij kreeg van hogerhand zag hij als legitiem. Van ‘bevelen’ wil hij niet spreken. Dat was iets voor Duitsers. Op Bali was de sfeer tussen officieren en soldaten juist gemoedelijk, er was volgens Blok geen druk of dwang.

Maar hij volgde niet álles zomaar blind op. Op een vroege morgen liep Blok patrouille met vijf medesoldaten. Een luitenant met de naam De Kanter opende plots het vuur. Hij raakte een verzetsstrijder. ‘Die was keurig in z’n bil geschoten’, herinnert Blok zich. ‘De luitenant zei tegen mij: “Schiet ’m effe dood. Want het is zo lastig voor het Rode Kruis om ’m d’r uit te halen.”’ Blok weigerde resoluut. De luitenant wees daarop een andere soldaat aan, die zonder bezwaar de man doodschoot. ‘Ik herinner me nog wel dat ik “semnahyang” zei tegen die man vlak voor hij dood werd geschoten. Dat betekent “bidt”.’

Over het hardhandig verhoren van gevangenen dacht Blok verder niet na, maar dat lag dus anders bij het vermoorden van Balinezen. Dat zag hij niet als zijn taak. Dan dacht hij wél na en was hij in staat om het ‘verzoek’ naast zich neer te leggen, hoewel hij ook geen poging ondernam om de executie te voorkomen.

‘Ik zag de vijand niet als mens’, zegt Blok. Er was slechts een klein aantal spaarzame momenten dat hem dat wel lukte. Zoals die avond dat hij met een aantal medesoldaten patrouille liep. Ze hadden de opdracht om een kampong te ‘sweepen’, ‘schoonmaken’, in Bloks woorden. ‘In mijn handen had ik een Lee-Enfield-geweer vast. Ik trapte met mijn soldatenlaars de deur van een huisje in. Op bed zaten een jongen en meisje, in innige omstrengeling. Ze schrokken zich de klere. Ik heb toen niet geschoten of naar hun identiteitspapieren gevraagd, maar de deur heel zachtjes dichtgedaan, ze gewoon hun gang laten gaan. Ik dacht toen wel: je lijkt wel een Duitser’, om vervolgens weer opgeslokt te worden ‘in het hele militaire gedoe’.

Daar kwam pas een einde aan toen de strijd op Bali luwde nadat de verzetsbeweging zich overgaf. Blok ging halverwege 1948 naar Java en werd militair-sportinstructeur. Begin 1950 kwam hij terug naar Nederland.

Een van Bloks medesoldaten bij de Militaire Inlichtingendienst op Bali was Henk Bleijendaal. Bleijendaal werd in november 1947 verscheept naar Indonesië. Hij overleed in 1998. Getuigen over zijn ervaringen in Indonesië kan hij dus niet meer, maar tijdens zijn diensttijd correspondeerde hij veel met zijn ouders en drie jongere zussen in Nederland. Bleijendaal zou uiteindelijk meer dan zevenhonderd brieven schrijven. Dit nooit eerder gepubliceerde bronmateriaal is bijzonder omdat Bleijendaal erg openhartig schrijft over de situatie op Bali. Daarbij was hij al voor zijn uitzending sterk gekant tegen de oorlog en bleef dat zijn hele diensttijd.

‘Heel Indonesië is in opstand en al zijn wij dan militair sterker, wij zullen die opstand niet kunnen bedwingen’, schrijft hij begin december 1947. ‘Het zal zijn als vuur, dat steeds weer oplaait. Militair geweld is hiertegen machteloos.’ Maar niet alleen vanwege deze openhartigheid en kritische blik zijn de brieven belangwekkend. Ze verschaffen ook een aanvullend inzicht over het daderschap van Goos Blok. Bleijendaal deelde zijn mening ook met zijn medesoldaten. De discussies onderling konden fel zijn. Officieren mochten hier niet van weten omdat de consequenties voor Bleijendaal dan waarschijnlijk aanzienlijk zouden zijn geweest. In een van zijn brieven maakt hij melding van een medesoldaat die tegen een kapitein uit de school klapte met de woorden: ‘Volgens Henk gaan we eraan, kapitein.’ Die medesoldaat was Goos Blok.

‘De kapitein keek mij verbaasd aan en wilde zeker uitleg’, schrijft Bleijendaal. Blok werd gevraagd om opheldering, maar een andere soldaat greep in. ‘Piet zette z’n hak op de tenen van Blok en trapte flink aan om hem te beduiden dat hij z’n mond moest houden.’ Nadat de kapitein vertrokken was maakte Blok zijn excuus. ‘Piet kreeg het zover dat Blok bij mij kwam om mij te vertellen dat hij voelde dat hij fout geweest was en dat hij met z’n opmerking, die beoogde mijn linkse opvattingen voor de kapitein te ontmaskeren, mijn positie bij de inlichtingendienst in gevaar gebracht had.’ Hierna werd door de soldaten besloten om het onderling niet meer over politieke opvattingen te hebben.

Wat vertellen dit voorval en de getuigenis van Blok over zijn daderschap? De brief van Bleijendaal laat zien dat Blok zich conformeerde aan de groep. Op het moment dat zijn medesoldaten aangaven dat hij een grens overging, bond hij in en toonde berouw. Als Blok een ideologisch geïnspireerd fanatiekeling was geweest, een van de dadertypen die Alette Smeulers beschrijft, dan had hij hier waarschijnlijk anders op gereageerd. Blok was evenmin uit op persoonlijk gewin of het verhogen van zijn status. Een opportunist is hij dus ook niet te noemen. Blok lijkt geen sadist, hij genoot niet van het martelen.

Smeulers acht het meest waarschijnlijk dat Blok een obedient follower was. Dit type dader is autoriteitsgevoelig en gezagsgetrouw. Ze willen zich met verve van hun gegeven taak kwijten. In Bloks geval was dat overduidelijk, ijverig was hij al heel zijn leven geweest. Bovendien had hij zelf al op jonge leeftijd ervaren hoe intimidatie werkt. ‘Een gewillige volger is verder niet op zoek naar verantwoordelijkheid en houdt zich bij diens gegeven taak. Het tragische hier is dat het erop lijkt dat wat Blok deed, voor hem het juiste was. Wat betreft het martelen lijkt hij zich destijds letterlijk van geen kwaad bewust. Daarom had Blok waarschijnlijk ook geen enkele twijfels bij wat hij deed.’

Uit zijn getuigenis blijkt verder dat Blok op geen enkele manier medelijden had met zijn slachtoffers. Betekent dit dan dat Blok geen empathie kon voelen, wat volgens De Swaan een belangrijke verklaring zou zijn voor zijn daderschap? Dat lijkt allerminst het geval. Tijdens zijn getuigenis was Goos Blok zeer schuldbewust, hij had met terugwerkende kracht medelijden met de personen die hij martelde. Hierdoor kreeg Blok het tijdens het beschrijven van zijn daden overduidelijk te kwaad. Dat gebeurde hem ook tijdens andere interviews, zoals bijvoorbeeld te zien is tijdens het gesprek met Coen Verbraak in Onze jongens op Java. Aan deze spijt hebben zijn slachtoffers niets, maar het zegt wel wat over zijn daderschap.

Uiteraard kunnen critici ook hier aanvoeren dat Blok zich tijdens deze gesprekken beter voordeed dan hij werkelijk is, dat hij een toneelstuk opvoerde. Maar om steeds zo’n acteerprestatie neer te zetten, ook op camera, zou uitzonderlijk zijn. De alternatieve verklaring, dat Blok wel degelijk empathie voelt, is simpelweg geloofwaardiger. Tijdens zijn verblijf op Bali schakelde hij zijn empathisch vermogen uit, door op geen enkele manier na te denken over de gevolgen van zijn martelpraktijken voor zijn slachtoffers.

Bloks casus lijkt daarmee te bevestigen wat Smeulers stelt over daders. Het uitschakelen van empathie is een belangrijke reden waarom gewone mensen in specifieke omstandigheden daders kunnen worden en meedogenloos kunnen martelen en moorden. Net als in andere conflicten was dat ook in de oorlog in Indonesië het geval. Pas wanneer er vervolgonderzoek plaatsvindt naar het daderschap van gewone Nederlandse soldaten, valt dit conflict écht te doorgronden.