Over maten en matennaaiers

Graa Boomsma, Westerling. Uitgeverij Prometheus, 84 blz., f15,-. Tomas Ross, De broederschap. Uitgeverij De Fontein, 303 blz., f29,50. L. van der Waal, Loep. Uitgeverij Balans, 240 blz., f34,50
HET IS OF Nederland met een inhaalmanoeuvre bezig is. Avond aan avond zien we documentaires op de tv waarin veteranen vertellen over hun jaren in Indie tijdens de politionele acties en daarbij melding maken van executies van gevangenen en burgers. Soms worden deze verhalen afgewisseld met commentaar van oudere Indonesiers, die anders dan de huidige generatie militairen, pijnlijke herinneringen bewaren aan de agressi belanda. Sinds kort is zelfs in de bioscoop zo'n documentaire te zien, Tabee toean, overigens niet meer dan een produkt voor het NRCV-publiek, met alle gereformeerde dubbelzinnigheden vandien.

Oud nieuws, brommen historici over deze medialawine. Alles is toch al jaren geleden door geleerden als J. A. A. van Doorn en C. A. Fasseur geboekstaafd, en sinds vorig jaar is er zelfs een tienduizenden pagina’s tellende uitgave van alle bronnen beschikbaar. Volgens Rudy Kousbroek hebben dezelfde historici echter verzuimd om de kwestie van het Nederlandse militaire optreden op de agenda van het politieke debat te plaatsen. Pas in 1969, toen Herman Wigbold op de televisie, in Vara’s Achter het nieuws, Nederlandse oorlogsmisdaden aan de orde stelde, brak er een discussie los. En de auteur Graa Boomsma werd in 1993 door veteranen aangeklaagd omdat hij het optreden van Nederlandse soldaten vergeleek met dat van SS'ers tijdens de bezetting - wat hij overigens niet deed in zijn roman De laatste tyfoon, maar in een genuanceerd dagbladinterview.
Boomsma’s roman is een exponent van een andere manier waarop in Nederland het dekolonisatieverleden is verwerkt: de literatuur. Sinds 1949, het jaar dat Nederland de soevereiniteit aan Indonesie heeft overgedragen, zijn meer dan zestig romans of verhalenbundels verschenen die direct of indirect te maken hebben met de politionele acties. Daar zit van alles tussen, werk van Hermans, Reve, Mulisch en Wolkers, maar ook protestantse jongensboeken en streekromans, thrillers, damesromans en regelrechte porno. Die stroom is nog lang niet tot stilstand gekomen. Onlangs verschenen drie uiteenlopende voorbeelden van dekolonisatieliteratuur: de politieke thriller De broederschap van Tomas Ross, het libretto Westerling van Graa Boomsma en de roman Loep van L. van der Waal.
LOEP IS een voorbeeld van een bijzonder populair genre dat je het ‘matenverhaal’ zou kunnen noemen: de geromantiseerde herinneringen van een voormalig soldaat aan de dekolonisatieperiode. In boeken van dat genre beschrijft de auteur de belevenissen van een groep soldaten, meestal vanuit een van hen. Sommige ingredienten komen in elk matenverhaal voor. Het leven in Indie is altijd zwaar: slecht onderdak, slecht voedsel, ontoereikend materieel en zware patrouilles in de hitte. Er sneuvelt minimaal wel een soldaat, zoals er ook wel een door zijn meisje in Holland wordt ingeruild voor een achterblijver, en er meestal wel een maat in het hospitaal terechtkomt. Onder de maten bevindt zich er verder altijd wel een die aan het verzet tegen de Duitsers heeft deelgenomen. Als ze de kans krijgen gaan de maten stappen en soms gaan ze naar de hoeren. Ook doen ze het wel met de baboes die voor hen wassen en koken. Nettere manschappen en officieren doen het met indo- meisjes of blanke vrouwen. Nog nettere beperken zich tot het vasthouden van handjes en converseren na de kerkdienst. In de societeiten worden gewone soldaten evenals inlanders geweerd.
De politieke ideeen van het matenverhaal zijn simpel: de plaatselijke bevolking wordt geterroriseerd door een minderheid van slecht bewapende en slecht gedisciplineerde bandieten, wier leiders door Japan zijn opgestookt. Vooral de communisten en islamieten onder hen gaan zich te buiten aan wreedheden, zoals het afsnijden van geslachtsdelen. Van deze 'extremisten’ zullen de maten Indie bevrijden. Hardhandig als het moet, maar echte wreedheden bedrijven ze niet, dat is het monopolie van Knillers, Indo’s, militairen van de Inlichtingendienst en het Korps Speciale Troepen. Als Nederland de extremisten heeft uitgeschakeld, kan het een aantal gematigde figuren uit de Indonesische elite bij het bestuur van het land betrekken, opdat het ooit op eigen benen kan staan. Helaas loopt het anders. In hun mooie taak worden de soldaten belemmerd door een regering in Den Haag die geen oog heeft voor hun zware omstandigheden en die steeds meer concessies doet aan het opportunistische Amerika en het perfide Albion. Wanneer de regering overeenkomt de soevereiniteit over te dragen, voelen de maten zich verraden.
AL ZIJN de personages en de gebeurtenissen in de matenverhalen vrijwel identiek, thematisch is er wel degelijk een ontwikkeling te bespeuren. Het proza uit de jaren vijftig is voor het overgrote deel positief-christelijk, met een toffe veldprediker ('de aal’) en een wijze commandant die de door tropische verleidingen en allerlei twijfels geplaagde soldaat in het rechte spoor proberen te houden. In deze verhalen is ook sprake van idealisme. De auteur (en predikant) Job Sytsen omschrijft dat idealisme in Gods ravijn (1956) als volgt: 'Zoals de Engelsen, de Canadezen en de Amerikanen de concentratiekampen van Hitler hebben ontzet, zo hebben onze jongens ginds hulp gebracht.’
Tegen het eind van de jaren zestig is er van dit idealisme weinig over. Dan kunnen de maten wat begrip en sympathie opbrengen voor het Indonesische nationalisme. Zichzelf beschouwen ze nu als slachtoffers van de Haagse politici: louter gedreven door economische belangen hebben die hen in een zinloos avontuur gestort. De enige drijfveer voor de soldaten was de drang om te overleven, volgens J. Zwaan (Soldaat in Indie, 1969): 'Ik maak me niet druk om ethische bezwaren. Als ik maar heelhuids uit dit rotland kom.’
Veranderd is dus vooral de moraal. Aanvankelijk wordt het kankeren, zuipen en hoerenlopen als negatief - want zondig - gedrag beschouwd. Later vormt het in meerdere of mindere mate een onlosmakelijk deel van het soldatenleven, net als corruptie, smokkel en diefstal. Het veranderen van de moraal zorgt er tevens voor dat in de loop van de tijd de racistische walm uit de matenverhalen wegtrekt.
CONFORM DIT GENRE kiest Van der Waal in Loep voor een gefingeerd alter ego als hoofdpersoon: een sergeant bij de Militaire Politie in Oost-Java, dienstplichtig soldaat Jan Loep. De titel betekent dus niet dat de verteller na een halve eeuw op een cruciale periode van zijn leven terugkijkt met behulp van een genadeloos vergrootglas. Integendeel, wie zou verwachten dat Van der Waal de kritische benadering van auteurs als Zwaan verder doortrekt voor een publiek dat dagelijks de gruwelen in het voormalig Joegoslavie op de tv kan zien, komt bedrogen uit.
De sfeer van de roman doet sterk denken aan Het peloton en De vreetpatrouille van Ben Laurens (1986 en 1987), verhalen met veel aandacht voor hoe warm het was en hoe ver, daar in de tropen. Bovendien is Van der Waal nog een stuk braver. In de nuanceringen en de rol van de godsdienst lijkt Loep veel op de protestantse avonturenverhalen uit de jaren vijftig: meer gemopper dan echte kritiek.
Jan Loep is religieus en steekt zelfs een geimproviseerde kerstpreek af bij ontstentenis van een echte aalmoezenier, maar valt zijn medesoldaten niet met zijn overtuiging lastig. 'Meedoen en een beetje aanpassen’, raadt hij een zwaardere broeder aan die weleens gepest wordt, en dat genuanceerde adagium geldt in het algemeen voor Loep.
Voor maten die weigerden een kampong plat te branden, heeft de jonge sergeant begrip en ook wil hij niet dat er gemoord wordt, maar als het erop aankomt, schiet Loep met verboden dum- dumkogels. Meedoen en aanpassen. Uiteraard belanden er baboes noch andere dames in zijn bed, maar wel wordt Loep een keer dronken, doch alleen omdat weigeren van alcoholische versnaperingen onbeleefd zou zijn tegenover een hoge VN-officier. Tekenend voor de roman en de hoofdpersoon is een anekdote die de verteller verscheidene malen herhaalt: tegenover de Britse blauwhelmen sneed Loep op over de potentie van zijn huisdier, een nogal viriele haan. In plaats van het woord 'rooster’ gebruikte hij daarvoor het woord 'cock’ met het te verwachten hilarische effect. Ach ja, die matenverhalen hebben nu eenmaal een hoog 'ik heb een potje met vet’- gehalte.
Voor de rest zit het boek vol met de bekende conventies. Natuurlijk vond Loep dat Indonesie ooit onafhankelijk moest worden, ook hij rept over het martelen door de mensen van de veiligheidsdienst en Indo’s en eveneens noemt hij hen heiligen in vergelijking met de Indonesische communisten en de leden van de Daroel Islam. Het contact tussen de hoofdpersonen en de plaatselijke bevolking is zoals gebruikelijk minimaal. Indonesiers blijven meestal anoniem of bestaat slechts onder de bijnamen die de Nederlandse soldaten voor hen hebben bedacht: Hinkepink, Nakkelientje.
Het enige opmerkelijke in Loep is een snierende passage over Herman Wigbold. De journalist 'Herman Wagbald’ wordt gekenschetst als een 'verschrikkelijke angsthaas en overtuigd socialist-pacifist’, die Loep aanraadde zich voor dienst te laten afkeuren door zich dagenlang aan uitputtende seksuele activiteiten over te geven. Behalve pervers is Wagbald ook nog aartslui en achterbaks: omdat deze jonge journalist ’s zondags uitslaapt, laat hij Loep zijn sportverslagen schrijven voor de helft van zijn honorarium.
Die veteranen toch: ze kunnen het Wigbold maar niet vergeven dat hij in 1969 als boodschapper van het kwaad fungeerde.
IN TEGENSTELLING tot de huidige journalistieke aandacht voor onthullingen over het Nederlandse gedrag in de Gordel van Smaragd, is die van de literatuur op iets anders gericht. Iedere Nederlandse bioscoopbezoeker die in 1993 de speelfilm Oeroeg heeft gezien, weet hoe Nederlandse militairen oorlogsmisdaden pleegden en in welke sfeer die misdaden vervolgens in de doofpot werden gestopt. Voor een literaire benadering is dit thema dus niet meer interessant. Auteurs als Jacob Vredenbregt en Ger Verrips wijzen het slachtoffermodel af en laten zien hoe soldaten persoonlijk verantwoordelijk zijn voor de keuzen die ze destijds hebben gemaakt. Daarnaast voeren Graa Boomsma, Koos van Zomeren, Hanny Groen, A. F. Th. van der Heijden en Verrips personages ten tonele die aan Indie-trauma’s lijden en daaraan soms ook te gronde gaan. Wanneer er al iets onthuld wordt, dan gaat het om groter wild dan maten die een kampong platbranden. Bijvoorbeeld over een politiek complot, zoals in De broederschap van Tomas Ross.
Wat staat de lezer te wachten? De onthulling dat generaal Spoor werd vergiftigd omdat hij Nederlandse smokkel met de TNI ontdekte en dat zijn adjudant Aernout zelfmoord pleegde? Spionnage voor Indonesie? Internationale intriges? De ware toedracht in de zaak-Westerling? Van dit alles een beetje.
Hoofdpersoon is Pieter Nolten, een agent van de Centrale Veiligheidsdienst, die stukje bij beetje ontdekt dat er een complot bestaat om via een coup van kapitein Raymond Westerling de soevereiniteit over te dragen aan de Federatieve Staten van Indonesie. Die worden namelijk door gematigder lieden geleid dan de extremist Soekarno. Achter dit complot steekt een groep Nederlandse politici en zakenlui - de broederschap -, die banden onderhoudt met gelijkgestemde Amerikaanse collega’s en de hoop vestigt op Westerling en generaal Spoor. In de visie van Ross sympathiseert de antirevolutionaire voorman Pieter Sjoerds Gerbrandy met deze broederschap.
Voorts is er sprake van een geheimzinnig cahier dat nogal explosive informatie bevat: een advocaat heeft daarin tijdens de bezetting allerlei belastende informatie opgeschreven waaruit zou blijken dat de katholieke politicus Carl Romme zich destijds zodanig gedroeg dat hij na de oorlog geen minister kon worden (een vooruitwijzing naar Willem Aantjes?). Eveneens zou het cahier de informatie bevatten dat de toenmalige schoonzoon van het staatshoofd aan de spion King Kong twaalf dagen voor de slag om Arnhem de juiste datum heeft verklapt - doch dit terzijde.
Het (weliswaar oude) verhaal dat generaal Spoor door vergiftiging om het leven kwam, presenteert Ross niet onaannemelijk, de andere speculaties klinken eveneens overtuigend en de research ziet er degelijk uit (alleen: Soekarno beschikte niet over een voornaam; de voornaam Achmed is ooit door een Amerikaanse journaliste verzonnen). Een aardig tijdsbeeld uit 1949 is overigens de jonge soldaat die het steeds maar niet lukt om door de spraakmakende roman De avonden van Simon van het Reve heen te komen.
ROSS HEEFT ook nog een surprise voor zijn trouwe lezers in De broederschap verwerkt. Wanneer zijn geheim agent Nolten de complotteurs afluistert, hangt die tijdens een regenbui in de klimop aan een hotel in de buurt van Jakarta. Het is eind mei 1949. In zijn debuut, De honden van het verraad, had Ross zijn held Martin Finch in exact dezelfde omstandigheden geplaatst. Tot en met de naam van het hotel, de bolle oogjes van een boomkikker en de schrik van de hoofdpersoon wanneer die plotseling door het raam in de ogen van zijn belangrijkste tegenstander kijkt. Alleen dertig jaar later.
Al met al is De broederschap geen keiharde aanval op de gedragingen van Westerling en zijn soldaten. Eerder worden ze beschreven als ferme jongens, stoere knapen dan als oorlogsmisdadigers. Ook andere elementen doen een beetje denken aan de matenverhalen, bijvoorbeeld de melige grap waarin Gerbrandy, in Engeland te gast bij een agrarische Lord, de volgende vraag stelt: 'Do you fock your sheep yourself?’
Op een bepaald ogenblik beschrijft Ross hoe Westerling de oude legende van de Ratoe Adil, de rechtvaardige verlosser, misbruikt om vrome islamieten in de buitengewesten aan zich te verplichten. Die passage heeft een sterke anekdotische lading, als een bewijs van de sluwheid waarmee Westerling zijn ambities probeerde te verwezenlijken. Die legende is ook een motief in de kameropera Westerling, waarvoor Graa Boomsma het libretto schreef. Voor een lyrische tekst is zo'n gegeven uiterst bruikbaar en Boomsma hanteert het op een manier die precies tegengesteld is aan die van Ross: het is een van de kunstgrepen die het opera- personage Westerling boven de historische werkelijkheid uittillen, als een exemplarische figuur die de speelbal wordt in de handen van vrouwe Clio. Er waren critici die onder andere hierom het libretto van Boomsma wat te tam vonden, maar een lyrische tekst is nu eenmaal geen Proloog-stuk.
Over de historische betekenis van Westerling zijn het libretto en de politieke thriller het overigens eens: de werkelijke schuldige is de (internationale) politiek; houwdegens als de 'Turk’ zijn in dit schaakspel zo geen pionnen, dan toch hoogstens lopers.
IK WIL HET tenslotte over een raadsel hebben. Waarom leest Loep alsof het manuscript vier decennia lang in een map heeft gelegen en vervolgens ongewijzigd, maar voorzien van een eigentijds motto en notenapparaat, naar de drukker is gebracht? Kortom, waarom wekt Van der Waal de indruk dat de onthullingen over het gedrag van zijn medesoldaten aan hem zijn voorbijgegaan?
Kennelijk hebben de matenverhalen tegenwoordig een nieuwe functie. Het gaat nu niet meer om een apologie van Hollandse jongens die als Canadezen een volk wilden bevrijden of om een aanval op de verantwoordelijke politici in Den Haag. Een auteur als Van der Waal is gewoon een entertainer van de veteranen. Hij vertelt de verhalen die ze telkens opnieuw willen horen, het liefst van iemand die er zelf ook bij was. De verhalen over het ploeteren onder de tropenzon door de sawahs. Hoe warm het was en hoe ver, vooral als er weer een wagen vastliep in de modder, een brug was vernield door de regen of de TNI, bekakte officieren op hun glanzende strepen stonden, of een collega niet meer kon lopen vanwege een combinatie van hinderlijk ziekten. Waarbij de veteranen het uiteraard hogelijk waarderen als er een rekening met Herman Wigbold wordt vereffend.