Botsingen over ‘identiteitspolitiek’ lijken steeds vaker voor te komen en heftiger van aard te worden. Er is paniek over identiteitspolitiek: de wereld lijkt uiteen te vallen in navelstarende groepen, geobsedeerd door hun eigen identiteit. Wie beter kijkt, ziet echter ook iets anders. Iedereen, minderheden én meerderheden, deelt één waarde: gelijkheid. Niemand accepteert het meer om als minder gezien en anders behandeld te worden; minderheden maken zich boos dat ze onder discriminatie lijden. Meerderheden zijn verlegen met het verwijt dat zij privileges hebben. Bijna geen enkele vorm van ongelijkheid is nog legitiem: economische ongelijkheid wordt minder geaccepteerd (wie is er nog neoliberaal?), vrouwen en mannen zijn steeds gelijker, homo’s zijn (bijna) net zo normaal als hetero’s, stadsburgers niet beter dan buitenlui, ouderen horen erbij, evenals mensen met een beperking, en ga zo maar door. Voelt een groep zich gediscrimineerd, dan wordt dat op straat en in het parlement meteen duidelijk. Onheuse behandeling van ouderen, boeren en dieren heeft recent immers nog aanleiding gegeven tot partijvorming.

Er is eigenlijk maar één claim die aan het principe van gelijke behandeling ontsnapt: autochtonen (natives) horen meer rechten te hebben dan zogenaamd niet ‘echte’ Nederlanders. Door die uitzondering ontstaat er onverwacht toch weer ruimte voor allerhande vormen van ongelijkheid. Racisme, populisme en islamofobie gaan in Nederland in nativisme gekleed.

De groepen die als niet-Nederlands worden weggezet accepteren dit overigens niet; ook zij vechten voor gelijke behandeling. Ze willen niet de eeuwige allochtoon blijven en eisen ruimte op voor hun invulling van volwaardig burgerschap. Inschikken is echter niet iets wat gevestigden graag en makkelijk doen. De meerderheid koestert haar gewoonten en gebruiken, vaak met verrassend veel succes. Anders dan de ‘islamiserings-these’ suggereert, passen juist minderheden zich in de loop van de tijd aan de meerderheid aan, in plaats van omgekeerd. Maar toch blijft het schuren aan de kant van de gevestigden, want zij zijn het minst gewend om kritisch naar zichzelf te kijken. Kern van ‘autochtoon’ zijn is voor hen dat zij ‘gewoon’ zichzelf kunnen zijn. Dan moeten die ‘gasten’ dat niet komen verpesten.

Uiteindelijk is het ook voor nativisten, gegeven het breed gedeelde gelijkheidsideaal, moeilijk om meerderheidsrechten te claimen. Ze worden aangesproken op tradities die uitsluitender zijn dan ze zich hadden gerealiseerd (Zwarte Piet), en op privileges waarvan ze zich niet of nauwelijks bewust leken. Vaak geeft dit aanleiding tot defensieve reacties. Dan roepen boze, oudere, witte heteroseksuele mannen dat zij het ook niet makkelijk hebben en dat minderheden niet zo moeten zeuren, want zo sneu zijn ze helemaal niet. Sterker nog, autochtonen stellen dat zij zich een minderheid in hun eigen land voelen: zij zijn de echte bedreigde minderheid.

Waarom is er alleen Black Lives Matter, alle levens doen er toch toe? Waarom is er wel een Gay Pride maar geen Straight Pride? De meerderheid worstelt met de eisen van minderheden, ook al omdat ze weinig in kan brengen tegen de vraag om gelijke behandeling. Er lijken dan slechts twee wegen voor de meerderheid open te staan: suggereren dat minderheden helemaal geen echte minderheden zijn of beweren dat de meerderheid de eigenlijke minderheid is. Beide strategieën getuigen van minderheden-nijd.

Ook minderheden blijken strategieën te volgen waarin de verhouding tussen minderheden en meerderheden op haar kop wordt gezet. Minderheden willen worden zoals de meerderheid, zij lijden op hun beurt aan meerderheden-nijd. Logischerwijs beschikken ook zij over twee strategieën. De eerste wil laten zien dat de meerderheid eigenlijk geen meerderheid meer is, maar uiteengevallen is in talloze ‘superdiverse’ minderheden. De tweede betoogt dat zij, de minderheden, de werkelijke meerderheid zijn omdat zij onderling verbonden zijn.

Identiteitspolitiek

We zijn verstrikt geraakt in een metadiscussie waarin minderheden op hoge toon wordt verteld dat hun onderwerpen irrelevant of prematuur zijn – omdat het om ‘identiteitspolitiek’ zou gaan. De komende tijd zal Jan Willem Duyvendak in een drieluik van dat metaniveau afdalen en terugkeren naar de inhoud. Het eerste deel, ‘De nativistische kramp’, verscheen eerder in De Groene.

Er zijn twee prominente manieren waarop meerderheden minderheden bejegenen. Ten eerste de strategie waarin ontkend wordt dat de minderheid een heuse minderheid is: zij zou slechts bestaan uit aandachtstrekkers die aanleiding geven tot onnodige verdeeldheid. In deze strategie wordt de minderheid verteld dat haar positie niet zo speciaal is (whataboutism) en gemaand zich bij de meerderheid te voegen. Daarnaast staat een tweede strategie waarin de meerderheid zichzelf voordoet als minderheid. Niet de minderheden zijn de echte minderheden maar de bedreigde meerderheid is de eigenlijke minderheid (‘omvolking’).

In reactie op mijn bijdrage over de identiteitspolitiek van de meerderheid schreef Ewald Engelen: ‘Maar datzelfde geldt voor progressieve essentialisten die menen dat hun seksuele voorkeur de allesbepalende dimensie van hun identiteit is. Beter is het om te zoeken naar gedeeld belang bij grotere sociaal-economische gelijkheid.’ Engelen stelt in dit citaat minderheids- en meerderheidsidentiteiten op één lijn: homo’s en lesbo’s zouden net zo geobsedeerd zijn door hun identiteit als de nativistische meerderheid. Deze gelijkschakeling is om verschillende redenen onjuist (en pijnlijk), maar Engelen is niet de enige bij wie de letterverzameling lgbtqia+ de wenkbrauwen doet fronsen. Wat is dit voor ‘alfabetsoep’? Waar slaat die ‘+’ op: blijft het heelal aan minderheden uitdijen? Vroeger waren er nog ‘gewoon’ homo’s en lesbo’s, maar tegenwoordig zijn er dus ook biseksuelen, transgenders, queers, interseksepersonen en aseksuelen. De toenemende seksuele diversiteit en genderdiversiteit wordt niet alleen door Engelen als het toppunt van overbodige identiteitspolitiek beschouwd.

Achter de letters van het alfabet ging en gaat echter groot leed schuil: iedereen die niet voldeed aan wat, tot voor kort, normaal was op het gebied van seksualiteit en gender had het zwaar. Ik kan hier niet in detail de geschiedenis van homo-onderdrukking schetsen, maar het is belangrijk om te weten dat discriminatie lange tijd zo erg was dat homo’s en lesbo’s helemaal niet voor hun seksuele voorkeur konden uitkomen (coc was niet voor niets een schuilnaam voor Cultuur- en Ontspanningscentrum). Pas in de jaren vijftig lieten ‘homofielen’ voorzichtig van zich horen door zich te presenteren als mensen met een aangeboren gebrek. Daarna kwamen de ‘homoseksuelen’, die ook nog zo aangepast mogelijk waren, tot in de jaren zeventig radicale ‘rode flikkers’ op het toneel verschenen, die genderverhoudingen en seksuele verhoudingen echt durfden te betwisten.

Naarmate de samenleving meer ruimte bood voor verschil kon de betrokken minderheid luider van zich laten horen. Dit is kenmerkend voor het emancipatieproces van alle achtergestelde groepen: het zijn niet de zwaarst gediscrimineerden die een naam en een gezicht krijgen, maar degenen die net iets meer ruimte ervaren, net iets minder uitsluiting. Zij krijgen woordvoerders en een letter van het alfabet, zij beginnen met demonstreren. Zij hebben recht van bestaan gekregen en worden van de weeromstuit soms zelfs trots op hun identiteit (‘liever lesbisch’).

Die grotere zichtbaarheid diskwalificeren als ‘progressief essentialisme’ (dixit Engelen) miskent waarom minderheden zich moeten organiseren; zo’n reactie bagatelliseert de bestaande discriminatie. Seksuele minderheden zijn nog steeds niet ‘gewoon’: relativering van een minderheidsidentiteit kan pas geschieden als deze niet of minder omstreden is. De groeiende lijst van letters toont enerzijds dat seksuele discriminatie en genderdiscriminatie geleidelijk afnemen – steeds meer groepen kunnen ‘uitkomen’, een naam krijgen, een identiteit – en anderzijds dat er van volledige normalisering nog geen sprake is. Dat afdoen als een kwestie van ijdelheid, van narcisme, zoals Engelen veelvuldig heeft gedaan, toont een schrikbarend gebrek aan empathie, aan solidariteit.

Deze miskenning van het leed van anderen zien we voortdurend in de discussie over ‘identiteitspolitiek’. In plaats van te begrijpen onder welke specifieke vorm van uitsluiting een bepaalde groep zucht, wordt hun leed weggestreept tegen oneindig groter leed elders en eerder. Iedereen – van links tot rechts – doet aan deze uitwissing van minderheden mee. Was het vroeger niet erger? Is het nu niet nog treuriger gesteld met andere groepen? Waarom heeft deze groep het alleen over zichzelf, zijn anderen niet ook zielig? Dit whataboutism is het favoriete gezelschapsspel voor meerderheidsideologen op Twitter. Geen recht doen aan een specifieke groep, maar leed miskennen door het te relativeren vanuit een royale blik op geschiedenis en geografie.

Nederlanders met en zonder migratieachtergrond overlappen steeds meer in inkomen, opleiding en leefstijl

Een dergelijk moedwillige miskenning van andermans leed blijkt ook uit de laatste zin van Engelen: ‘Beter is het om te zoeken naar gedeeld belang bij grotere sociaal-economische gelijkheid.’ Eisen voor gelijke behandeling van minderheden worden afgedaan als identiteitspolitiek, die niet alleen overbodig zou zijn (narcisme) maar ook schadelijk voor waar het écht om zou moeten gaan: klasse. Nu is Engelen niet de enige die dit geluid vertolkt. Zo profileert de SP zich ook graag als een partij die voor de meerderheid opkomt. Zij omarmt de ‘gewone man’ en wil ‘kleurenblind’ zijn.

SP-Tweede Kamerlid Renske Leijten wilde geen oog hebben voor het feit dat er bij de toeslagenaffaire sprake is geweest van ethnic profiling: dat zou maar afleiden van andere slachtoffers. Dat racisme pas verdwijnt door het over racisme te hebben, is niet aan haar besteed. Willen we voorkomen dat dezelfde groepen bij toekomstige schandalen opnieuw de klos zijn, dan moet discriminatie van specifieke groepen kunnen worden benoemd. De SP is echter bang dat witte lageropgeleiden de aandacht voor minderheidsgroepen-van-kleur niet waarderen en zullen overlopen naar radicaal-rechtse partijen.

Nogal wat auteurs volgen een vergelijkbare redenering en menen zelfs dat progressieve ‘identiteitsbewegingen’ verantwoordelijk zijn voor de opkomst van radicaal-rechts, omdat ze de workingclass zouden hebben verwaarloosd. In recente boeken schrijven Michael Sandel, Didier Eribon en Mark Lilla dat vooral de native arbeidersklasse zich verlaten en verraden voelt.

Dit argument is het meest eloquent verwoord door Thomas Piketty in zijn boek Kapitaal en ideologie. Hij stelt dat het ontbreken van een linkse sociaal-economische politiek ervoor heeft gezorgd dat arbeiders (radicaal-)rechts zijn gaan stemmen. Dat linkse partijen ‘neoliberaal’ beleid zijn gaan voeren, komt volgens hem doordat niet langer lager- maar hogeropgeleiden de dienst uitmaken in deze partijen. Deze ‘Brahmin Left’ staat volgens hem geen herverdelingsbeleid voor omdat zij daar geen belang bij heeft. De progressieve ‘elite’ zou zich zijn gaan richten op issues die haar na aan het hart liggen, zoals gender en seksualiteit, en zo de arbeidersklasse hebben verraden. Al deze auteurs menen dat aandacht voor minderheidsidentiteiten moeilijk samengaat met progressief sociaal-economisch beleid: het eerste moet wel ten koste gaan van het tweede (‘crowding out’). Sterker nog, links is neoliberaal sociaal-economisch beleid gaan voeren vanwege haar aandacht voor culturele verschillen.

Zou het heus? Gek genoeg gaat geen van deze auteurs in op de vraag waarom progressieve politiek niet én over culturele verschillen zou kunnen gaan én over economische ongelijkheid. Zij veronderstellen simpelweg dat dit een negatieve zerosum-relatie is. En dat geheel ten onrechte, zoals recent onderzoek opnieuw uitwijst. De politicologen Abou-Chadi en Hix laten overtuigend zien dat steun voor liberale waarden en minderheidsgroepen prima samengaat met steun voor economisch herverdelingsbeleid: ‘We contend that the new middle classes that support parties of the left are largely in favor of economic redistribution.’ Waarom zouden hoopopgeleiden alleen maar solidair kunnen zijn met zichzelf? Is dat nu niet precies een platte identiteitspolitieke veronderstelling, waarin mensen gedetermineerd zouden zijn door hun (klasse)positie?

Is het adequaat om homo’s en lesbo’s, moslims, bruine en zwarte Nederlanders de schuld te geven van de historische vergissing van linkse partijen om neoliberaal beleid te gaan voeren? Nee, want lageropgeleiden zijn niet weggelopen omdat progressieve partijen voor het homohuwelijk hebben gestemd (daar zijn, zeker in Nederland, rechtse en zelfs radicaal-rechtse partijen ook voor), maar vooral omdat links geen aansprekend sociaal-economisch alternatief had.

Naast het vertoog dat minderheden geen echte minderheden zijn – want slechts bezig met narcistisch kleine verschillen – staat een tweede verhaal, deze keer over de meerderheid zelf: zij zou de eigenlijke minderheid zijn. De radicaalste variant hiervan zijn replacement-theorieën waarbij de witte meerderheid, vanwege aanhoudende immigratie, opzettelijk vervangen zou worden door niet-witte burgers (‘omvolking’). De suggestie is dat de liberale elite immigratie zou stimuleren om de oorspronkelijke bevolking ‘homeopatisch te verdunnen’ (Baudet). Dit zijn vaak onversneden racistische theorieën – waarin ‘echte’ Nederlanders alleen maar wit kunnen zijn (of, in de taal van de aanhangers van deze opvatting: blank). Bruine of zwarte inwoners van Nederland, ook al zijn zij Nederlands staatsburger en maken hun landen van herkomst al eeuwen onderdeel uit van het koninkrijk, vormen louter door hun aanwezigheid een bedreiging voor ‘echte’ (lees: witte) Nederlanders, die hier thuishoren én in de meerderheid moeten blijven.

Gaat het bij deze eerste variant vaak vooral om aantallen (wie blijft numeriek in de meerderheid?), bij een tweede versie van het idee dat de meerderheid de minderheid dreigt te worden, gaat het om een kwalitatieve verschuiving: de autochtone cultuur zou niet meer herkenbaar zijn. Witte Nederlanders claimen vreemdelingen in hun eigen land te worden. Dezelfde formulering kwam de Amerikaanse sociologe Arlie Hochschild tegen bij Trump-aanhangers die zich strangersintheirowncountry voelden. Zij stellen te worden ingehaald door culturele, seksuele en etnische minderheden, die wel op belangstelling van de progressieve elite kunnen rekenen, terwijl zij aan hun lot worden overgelaten. Dat is des te erger omdat zij – als natives – de oudste rechten hebben en hun cultuur de Leitkultur zou moeten zijn.

Dat meerderheden de eigenlijke minderheid aan het worden zijn, zou ten slotte ook blijken uit het beleid gericht op verbetering van de positie van minderheden (zoals bij sollicitaties voorrang geven aan ondervertegenwoordigde groepen). Zulk beleid gaat niet alleen ten koste van de meerderheid maar zou haar feitelijk tot de gediscrimineerde groep maken. Zij zijn de slachtoffers van ‘politieke correctheid’ – terwijl ze menen dat zij, als natives, meer recht hebben op goede behandeling dan de gediscrimineerde groepen, die hier minder thuishoren dan zij.

De claim dat de meerderheid een minderheid is geworden legt haar geen windeieren in het debat, want minderheden moeten serieus worden genomen. Tegelijkertijd voedt deze zelfidentificatie haar boosheid: ziet de wereld wel dat zij een minderheid dreigt geworden terwijl ze eigenlijk tot de meerderheid behoort?

Meerderheden zijn niet de enigen die identiteitspolitiek voeren. Minderheden roeren zich, in hun strijd voor gelijkheid, ook heftig. Ook zij gebruiken twee strategieën: de ene gericht op het ‘kleineren’ van de meerderheid (eigenlijk is de meerderheid een minderheid), de ander op het ‘groot maken’ van zichzelf: minderheden vormen au fond een meerderheid.

Dat er bij de toeslagenaffaire sprake was van ‘ethnic profiling’ zou maar afleiden van andere slachtoffers

Het vertoog dat de meerderheid de minderheid is, benadrukt dat er in ‘superdiverse’ tijden geen meerderheid meer bestaat. We behoren allemaal tot minderheden, ook de voormalige witte meerderheid. Met name in de grote steden is sprake van een nieuwe situatie waarin superdiversiteit de realiteit zou zijn. Dit is, opmerkelijk genoeg, hetzelfde argument als van de ‘omvolkers’: ons land is nog nooit zo divers geweest en hierdoor is de witte bevolking niet langer in de meerderheid. Terwijl radicaal-rechts daarvan in paniek raakt, vinden de superdiversiteitsdenkers deze diversiteit, inderdaad, super.

Deze claim van superdiversiteit is, empirisch gesproken, onhoudbaar. Zo is de autochtone bevolking in de afgelopen decennia in talloze opvattingen en praktijken juist homogener geworden. Ook het gegeven dat meer mensen uit meer verschillende landen hier zijn komen wonen, betekent nog niet dat de samenleving in haar geheel superdivers is geworden. Superdiversiteitsonderzoekers richten zich op de toegenomen verschillen onder migranten maar trekken abusievelijk conclusies voor de gehele samenleving. Zij hebben gelijk dat gastarbeiders een homogene groep van analfabete jonge mannen vormden, terwijl er nu ook oudere migranten zijn, en kinderen, en hogeropgeleiden. Bovendien wonen migranten niet meer alleen in de ‘oude wijken’ van de grote steden maar in het hele land.

Maar betekent dit nu ook dat de gehele samenleving superdivers is geworden? Nee, want migranten zijn, juist door hun toegenomen onderlinge diversiteit, meer gaan lijken op de autochtone bevolking. Nederlanders met en zonder migratieachtergrond overlappen steeds meer in inkomen, opleiding, huisvesting, leeftijd en leefstijl. Er is nu ook een zwarte middenklasse en het aandeel studenten met een migratieachtergrond in het hoger onderwijs is bijvoorbeeld, zeker bij meisjes, sterk gestegen. Omdat ze sterker op elkaar zijn gaan lijken, komen Nederlanders met uiteenlopende achtergronden elkaar ook meer tegen. Ze delen steeds vaker dezelfde scholen, winkels, woningen, kantoren, verpleeghuizen en begraafplaatsen. Dit geeft in eerste instantie een gevoel van toegenomen diversiteit, maar het is vooral een uiting van afnemende culturele en economische afstand. Hierbij zijn het overigens vooral de minderheden die de afstand naar de meerderheid overbruggen: velen van hen gaan op in de mainstream.

En dan de strategie dat minderheden de eigenlijke meerderheid zijn. Het smeden van meerderheden uit minderheden heeft een lange traditie. Minderheden staan alleen immers zwak, samenwerking kan hen sterk maken. Maar hoe dat te doen? Eén mogelijkheid is hiërarchische onderschikking: minderheden gaan dan op in een beweging met een breder, overkoepelend thema, vaak met de belofte dat hun specifieke uitsluitingsgrond bij overwinning als sneeuw voor de zon zal verdwijnen. Van oudsher heeft ‘klasse’ zo’n rol gespeeld. In de arbeidersbeweging hebben allerhande minderheidsgroepen echter geleerd dat het wegcijferen van hun problemen deze nog niet oplost.

Het is dus logisch dat de aandacht is verschoven naar minder hiërarchische vormen van verbinding. Recent worden er vooral horizontale dwarsverbanden, ‘intersecties’, gelegd tussen talloze thema’s. Dit intersectionalisme begon met zwarte vrouwen die in de vrouwenbeweging te weinig aandacht ervoeren voor hun raciale achterstelling, terwijl die vorm van discriminatie minstens zozeer hun alledaagse leven bepaalde als genderongelijkheid. Zoals de schrijfster Audre Lorde het kernachtig samenvatte: ‘Wedon’tlive single issueslives.’ Daarom is er in een intersectionele aanpak altijd aandacht voor meerdere identiteiten en hun onderlinge verbanden.

Intersectionalisme heeft zich bewezen als een ijzersterk onderzoeksperspectief dat veel onvermoede verbanden heeft blootgelegd. Maar wat lange tijd een academische verrijking was – namelijk recht doen aan specifieke ervaringen – dreigt te verzanden in een al te voorspelbare, uniforme praktijk waarin wetenschappers op zoek gaan naar intersectionele verbanden en deze ook altijd vinden. Bovendien roept de succesvolle verplaatsing van intersectionaliteit van de academische naar de activistische wereld vragen op. Moet politieke strijd bij voorkeur intersectioneel gevoerd worden?

Wetenschappelijk zou de allereerste vraag niet moeten zijn hoe kwesties intersectioneel samenhangen maar of zij wel verbonden zijn. En als al sprake is van ‘intersectie’, nemen de verbanden dan toe of wellicht ook af? Veel voormalige intersecties hebben aan relevantie verloren. Waar jongeren zich vroeger sterk van ouderen onderscheidden en er zich een heus generatieconflict voordeed, hangen waardenconflicten nu minder samen met leeftijd. Ook verschillen tussen mannen en vrouwen zijn enorm afgenomen. Waar voorheen gender (lees: man) een sterke ‘intersectie’ vertoonde met betaald werk, daar is dat onderscheid door de recente grote deelname van vrouwen aan betaalde arbeid goeddeels verdwenen. En iets vergelijkbaars geldt voor de samenhang tussen homoseksualiteit en gender: waar in het verleden mannelijke homoseksualiteit vooral begrepen werd in termen van gender (vrouwelijkheid), is dat nu veel minder het geval. Dit betekent overigens geenszins dat alle verbanden zijn verminderd: zo hangen bijvoorbeeld raciale discriminatie en klassediscriminatie nog steeds op diverse manieren samen.

Onderzoekers van ‘identiteiten’ zouden intersectionaliteit als paradigma niet moeten verabsoluteren. En dat geldt nog sterker voor het politieke veld. Partijen die zich voorstaan op ‘intersectionaliteit’ menen dat allerhande onderwerpen inhoudelijk met elkaar verbonden zijn. Nu is het van oudsher de taak van partijen om te suggereren dat ze een coherent programma hebben, maar hier gebeurt iets anders. Het idee dat onderwerpen noodzakelijk samenhangen, leidt tot het tegenovergestelde van wat wordt beoogd: het brengt mensen niet bij elkaar. Integendeel: de groep die het over alles (inclusief de onderlinge verbanden) eens is, is uiteindelijk heel klein. In plaats van mensen op een specifiek onderwerp – zoals de klimaatcrisis, armoede of vrouwendiscriminatie – tijdelijk te verbinden, ongeacht hun achtergronden, wordt aan hen gevraagd om verbanden te zien tussen allerlei vormen van sociale strijd. Velen zullen dit herkennen: dat je op een bijeenkomst bent voor een bepaald doel, maar dat je eindeloos naar sprekers moet luisteren over totaal andere onderwerpen, die weliswaar worden gepresenteerd als intersectioneel verbonden maar dat voor de meerderheid niet zijn. Dan druip je voortijdig af.

Betekent dit dat intersectionele identiteitspolitiek nooit nuttig is? Zeker wel. Een voorbeeld. In de laatste klimaatmars liep een ‘Queer Block’ mee. Blijkbaar werkte dit motiverend voor betrokkenen om deel te nemen, zagen zij een verband tussen hun seksuele voorkeur en klimaat. Dat is hun zaak. Maar als de suggestie zou zijn dat er een noodzakelijk inhoudelijk verband bestaat tussen queerness en klimaat, dan wordt het problematischer, al helemaal als van de andere deelnemers zou worden verwacht dat zij die ‘intersectie’ ook moeten onderkennen. Er zijn al heel wat organisaties en bewegingen ten onder gegaan aan de dwang om intersectioneel te denken (zo moesten alle leden van het Humanistisch Verbond in de jaren tachtig van de vorige eeuw tegen kruisraketten zijn, wat tot enorme spanningen leidde met de meer liberale).

En minstens zo erg: het leidt intern tot eindeloze disputen over wie de ware intersectionalist is. Er is altijd nog wel een identiteit die kan worden ingezet. Waar Engelen klasse als totaliserend concept voorstelt, is hier de verbinding-van-alles-met-alles een permanente splijtzwam. De ambitie om een meerderheidscoalitie te vormen leidt dan, paradoxaal genoeg, tot de kleinst mogelijke politieke eenheid.

Intersectionalisme blijft ook niet beperkt tot links. Coronacomplotdenkers zijn intersectionalisten par excellence. Zij zien overal verbanden: tussen Big Pharma, de linkse elite, Soros – lees: joden -, pedofielennetwerken, en ga zo maar door. En ook hier is de dragende gedachte dat wat nog een kleine minderheid van vaccin-opposanten lijkt de eigenlijke meerderheid is. Nu heeft de meerderheid nog niet in de gaten dat de vaccins hun binnenkort fataal zullen worden, maar dat komt nog wel. De meerderheid wordt misleid door een kleine minderheid (een kosmopolitische elite) die uit is op een totale ‘reset’. De slaafse meerderheid kan een waakse meerderheid worden als ze naar Baudet en de zijnen zouden luisteren.

Of het nu om linkse of rechtse machtsvorming gaat, het is best lastig om van minderheden meerderheden te maken – juist omdat veel identiteiten niet samenhangen, of minder dan voorheen. Op het oog vormt lgbtqia+ de ideale, brede coalitie. Maar wat hebben ze precies gemeenschappelijk? Dat zou kunnen zijn dat ze lijden onder stringente normen op het gebied van gender en seksualiteit. Maar betekent dit dat zij een ‘positief’ politiek programma delen? Vormen zij een heuse rainbow-coalitie? Dat valt nog te bezien. Zo is de inzet van sommigen niet om het gendersysteem te veranderen (maar om zelf van gender/sekse te veranderen), terwijl anderen dit systeem het liefst zouden willen opblazen.

Tot slot. Deze debatten over identiteitspolitiek overziend moet ik terugdenken aan mijn filosofiecolleges, waarin we als studenten eindeloos hardop nadachten over ‘de aard der dingen en hun samenhang’. Dergelijke ‘ontologische’ verkenningen zijn wellicht nuttig voor filosofen-in-spe maar lijken identiteitspolitiek niet echt verder te brengen. Zowel Piketty en zijn aanhangers als de intersectionalisten zijn verstrikt geraakt in hun aanspraken op de samenhang der dingen: ofwel alles zou gerelateerd zijn aan klasse (en dus moet solidariteit met andere identiteiten wijken), ofwel alle identiteiten zijn nevengeschikt verbonden (en dus moeten we permanent solidair zijn). Maar stel nu dat deze royale veronderstellingen niet kloppen, bijvoorbeeld omdat sommige vormen van uitsluiting soms wel samengaan met andere, maar lang niet altijd? Betekent dit dan dat we niet meer solidair kunnen zijn? Geenszins: echte solidariteit is juist dat ik opkom voor degenen die anders zijn dan ikzelf.


Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het NetherlandsInstituteof Advanced Study(NIAS-KNAW)

Lees verder