Een droom heeft mij wakker gemaakt. Ik dacht dat ik in het Internaat was en in de rij liep. Naast Norine. Een rozenkrans in de hand. Ik hoorde de stem van de Overste. Zij prevelde. Voor mij gaven de meisjes elkaar duwtjes om het gebed van de soeur belachelijk te maken. Ik was acht. Mijn moeder lag in het ziekenhuis. Zij zou daar jaren liggen. Aan de hand van mijn vader beklom ik de brede en hoge stoep van het klooster aan de Gravenstraat. De zon ging onder. Ik denk dat het vier uur was. Ik huilde. De stilte van de kloostervestibule greep mij aan. Ik voelde mij gevangen, ver van de spelletjes die ik zo graag deed: het vangen van aardwormpjes met lange grassprietjes, natgemaakt met speeksel om de soekroeboes, zoals wij de wormpjes noemden, aan te lokken. Ik voelde mij ver van de hangalampoeheiningen, de bladeren die ik doorprikte met de harde doorns van de babydruif. En dan mijn tadja’s van zand, versierd met gele bloemen die ik langs de goot voor ons huis plukte. De zoemende honingbijen, gevangen met een stukje papier.

Tja, ik was acht toen ik kennis maakte met lange gebedsoefeningen, straffen, gangen, vestibules, refters, mangelkamers, koepen, zalen en biechtstoelen.

Het Internaat van de Orde der Franciscanessen was een wereld in het klein, roterend door de kracht van christelijk kolonialisme. Een kleine wereld ook omdat alle rassen van onze samenleving dezelfde straffen ondergingen, dezelfde zonden beleden en dezelfde taal spraken. Het Nederlands. De voertaal. De taal van de beschaafden. Gesproken door de Chinese meisjes uit het district Nickerie en uit Marowijne. Door de Indiaanse meisjes, de onverschrokken dochters van de Caraïben en de Arowakken uit Donderskamp en Corneliskondré aan de benedenloop van de Coppenamerivier. Door zovele anderen die ik mij nog erg goed herinner. Vooral de rebellen, even onverschrokken als de Indiaanse meisjes voor wie ik grote bewondering had. Stella, Wilma, Joosje, gevolgd door de familienaam Indiaan. Ik kon goed met ze opschieten, ofschoon zij een stuk ouder waren. Toch durfde ik ze nooit te vragen of het waar was dat ’s nachts in het donker van de Palmentuin drievingerige Indianen ronddoolden.

Het Internaat was een deel van het klooster, aan de kapel verbonden door een route, bedekt met gegolfde zinkplaten en aan weerszijden geschraagd door wit geschilderde houten palen. Het huis was ook wit geschilderd, had groene ramen en deuren die uitzicht gaven op de bleek: grasvelden waar de witte was te bleken werd gelegd. De grasvelden van elkaar gescheiden door paadjes van schelpzand. Korte sinaasappelbomen lieten hun bladeren vallen op het zachte gras. Een keer per jaar wekten zij, wanneer de vruchten rijp waren, de indruk van oranjeruikers. Oranjeruikers voor wezen, halfwezen, meisjes die door hun ouders naar de stad waren gebracht om het ulo- of mulo-onderwijs te kunnen volgen of een vak te leren. Oranjeruikers voor de straffen in het donker van de bleek, het donker van de koepen. Het donker van de zolder. Op zolder werd de was opgehangen: wijde jurken met geplooide rokken die tot ver onder de knie reikten. Broeken met knoopjes aan de achterzijde van het lijfje en met lange broekspijpen, opgehouden door knoopjes aan het lijfje of door koorden. Op zolder was het zelfs bij daglicht donker en akelig stil. Gepiep van vleermuizen achter hanebalken. In een hoek een baar. Een zwart kleed eroverheen met witte, ingenaaide doodskoppen. ‘Uit iedere hoek zal de duivel tevoorschijn komen’, zei de soeur, die je bij de haren naar boven sleurde en je met je beddegoed achterliet. Het beste wat je doen kon was het laken zo om je heen wikkelen dat alleen je neus eruit stak. Uit iedere hoek zal hij tevoorschijn komen. En aan de lijnen onze kleren als vogelverschrikkers uit de moestuinen van het klooster. Als spoken.

Onze leeftijden varieerden tussen drie en vijfentwintig. De slaapzaal was verdeeld in drie afdelingen. Een voor de kleintjes. Een voor de middelsoorten en een voor de groten. Voor ons, de middelsoorten, was de slaapzaal berucht door de pottenkast. Een lage ruimte onder de trap die naar de zolder leidde. Het stonk er naar creoline en lysol waarmee de potjes van de kleintjes werden gewassen. Er waren ook andere kasten, koepen, waarin wij werden opgesloten om over onze zonden na te denken. De Clemenskast in de vestibule met de brede trap naar de slaapzalen. Bij de trap stond een levensgroot beeld van de heilige Jozef op een voetstuk. Het beeld was spierwit, hol van binnen en had een groot gat in het hoofd. Op een dag toen ik uit school kwam, zag ik het beeld van Sint Jozef buiten op de bleek staan om schoongemaakt te worden. De sinaasappel- en bacoveschillen die er in gegooid waren hadden door de zure stank die zij verspreidden de aandacht van de Overste getrokken. Rechts van de vestibule met het marmeren beeld van de heilige Jozef volgden de refters, vervolgens het gemetselde deel met de wc’s en de badkamers. Een van de badkamers aan het einde van de stenen gang heette de bezemkast. Ook hier werden wij opgesloten.

Je kon je ook ontspannen als je het geluk mee had. Rondom het klooster lagen prachtige tuinen met de zoete geur van zonnebloemen, Sint Jozeflelies en rozen. Je kon naar ze kijken of staren en dromen van bijen en vlinders of glazenmakers. Je kon ook stoeien. De scholen die aan het klooster verbonden waren telden genoeg speelterreinen en speelplaatsen om je te vermaken. Onze intieme speelplaats grensde aan de wc’s en aan de badkamers. Wij kwamen er langs een houten trapje met zwarte en vettige leuningen. Een deel ervan was gemetseld, overdekt met zinkplaten en aan een kant afgesloten door een muur. Op armshoogte waren hokjes voor onze schriften en verkadedozen met pluisjes, poppen en ander speelgoed. Onder de hokjes een lange, smalle getraliede houten bank. Tegenover deze bank stonden tafels met plompe, zakelijke schoolbanken eromheen. Hier zaten wij te lezen of met elkaar te babbelen wanneer het regende. Hier zaten wij doodstil te wachten op onze beurt: het dagelijkse bad om drie uur ’s middags. Ik zie mij weer zitten, een zeepdoosje, tandpasta en tandenborstel, gewikkeld tussen mijn baddoek en de veel te lange en te grote broek op mijn kleine schoot. Ik voel het zand van het onoverdekte gedeelte naast de tafels en banken onder mijn voeten. Ik zie de reus van een manjeboom. Zijn takken boven mijn hoofd en de zinkplaten. Op het heetst van de dag lag er veel schaduw onder. Wij vonden het heerlijk om te zitten op de uitstekende ijzerharde wortels rondom de brede en kromme stam. Wij zaten er ook om zo snel mogelijk te kunnen toeschieten. In de manjetijd, wanneer de trossen geel en uitnodigend waren. Wij hadden altijd honger. De drie karige hoofdmaaltijden met een tienuurtje ertussen waren niet voldoende om de honger te stillen. Het tienuurtje? Een half broodje van vijf cent besmeerd met boter: brood met boter. Of belegd met guavejam, pindakaas of geitedrek, een produkt van verzuurde melk. De kaas was doorzichtig als nylon. In de guavejam zaten vaak mieren. In de rijst maden. Een half Joods meisje, zij heette Victorine, verzamelde ze in een flesje. Zij liet het flesje aan haar moeder zien en toen was zij weg. Sommigen onder ons lieten net als Victorine de rijst onaangeroerd staan en aten alleen de groente op. Dat betekende dat je nog veel meer honger had en als een soort uitgehongerde herbivoor onder en tussen de bomen van de speelplaats liep te ijsberen. Het was verboden een gevallen manje of mammie op te eten. Of een sapotille. Je moest ze in de grote houten bak doen. Vruchten verzamelen, heette dat. Toen ik ontdekte dat de bak voor het klooster bestemd was, begon ik op allerlei manieren vruchten te stelen. Ik kon goed mikken. De capuchon stond de soeur in de weg. Zij had een slecht overzicht op de spelende meisjes. Onopvallend bereikten mijn stokken de boomrijpe manjes en sapotilles, de tamarinden, de amandelen en de advocaten. De halfrijpe vruchten verstopte ik in de grond tussen dorre bladeren. Telkens keerde ik terug naar het plekje waar mijn vruchten lagen om het rijpingsproces te inspecteren. Wanneer de vruchten zacht aanvoelden, verdeelde ik ze onder een aantal medeplichtigen. Meisjes die voor mij op de loer hadden gestaan. De vruchten werden opgegeten in de wc. In de wc was je veilig. Het was de enige plek waar je je kon onttrekken aan de loerende blikken van de surveillerende non. Tijdens het speelhalfuur kon je er net zo lang blijven als je zelf wilde. Wie zou kunnen bewijzen dat je geen last had van verstopping? Zo dacht ik er eerst over. Later besefte ik met hoeveel verklikkers ik rekening moest houden. Verscheidenen van ons zijn ten slotte uit de wc’s gesleurd, een lekkende, half opgegeten manje in de hand, het helgele vruchtvlees druipend langs onze mondhoeken. Wij werden gestraft. Opgesloten in een van de koepen. Wij hadden het vijfde gebod overtreden: gij zult niet stelen. En wij hadden gestolen, dat wisten wij.

Maar vaak zijn wij gestraft om dingen waar wij niets van afwisten en waarvoor geen enkele verklaring werd gegeven. Ik weet nu dat het om het zesde en negende gebod ging: gij zult geen onkuisheid doen. Gij zult geen onkuisheid begeren. Hoe is het mogelijk? vraag ik me nu nog af. Hoe is het mogelijk dat sommige meisjes de middeleeuwse straffen ondergingen zonder in opstand te komen? Niet dat ik een heldin was. Ik was mager en doodsbenauwd voor slagen en voor de eenzaamheid in de strafcellen. Toch heb ik Magdalena Ramautarsingh niet verklapt. Zij had prachtige, spierwitte tanden die zij minstens drie keer op een middag poetste. Zij deed dat tussen het ophangen van onze broeken en het ophalen van de volle teilen door. Op een dag mocht ik haar helpen van de Overste. Voordat ik naar boven ging fluisterde de Overste mij toe dat ik het doen en laten van Magdalena moest volgen en het haar later moest vertellen. Ik zei dat ik niets had gezien. Een leugen. Magdalena had achter het raam van de zoldertrap staan wuiven naar een jongeman in de Wulfinghstraat. Ik werd opgesloten. Vanaf die dag werd ik anders behandeld door verschillende van de grote meisjes. Altijd al hadden ze een grote aantrekkingskracht op mij uitgeoefend. Ik vond ze een soort heldinnen en volgde hun woede- en driftuitbarstingen met innerlijke opstand en heimelijke pret. Ik vond het juist dat zij allerlei lelijke en boze dingen aan het adres van de Hollanders uitsloegen. Ik vond het goed dat zij zich verweerden wanneer zij dwars over hun gezicht werden geklapt door de Overste of door de soeur van de keuken. Jammer dat de meesten onder hen wezen waren. Zij waren overgeleverd aan de sociale en economische omstandigheden van hun familie of van een peettante. Zij waren twintig en soms ouder wanneer zij het internaat verlieten. Zij kwamen terecht bij familie die ze met tegenzin opving in de armoedige krotten van de achtererven. Zij werden dienstmeid bij een mevrouw van tropische stand. Of hoedenvlechtster. Het loon was vijfentwintig gulden in de maand. Zij zochten hun toevlucht in de liefde van een man. De liefde die ons jaar in jaar uit als doodzonde werd voorgehouden. Een vriendelijke toenadering. Een paar zakdoeken. Een paar repen chocola. Een lapje stof. Een paar schoenen. Voldoende om hen van het moederschap te verzekeren. Zij werden in de steek gelaten. In de krotten werden zij uitgescholden en met een bezem de deur en het erf uit geranseld. De jaren achter de hoge zinken schuttingen aan de Mgr. Wulfinghstraat! Ik vraag mij af of de vloeren van de kloosterkapel, de trappen, de vloeren van de klaslokalen en van het Internaat nog even rood en glanzend worden geschrobd voor en in de grote en kleine vakantie. Nu deze meisjes er niet meer zijn. Wat hebben zij zich niet uitgesloofd om de schoolbanken, de stenen stoepen en de wc’s schoon te maken. Te schrobben. Ik vraag mij ook af of de opbrengst van handwerkjes, geborduurde tafellakens en kleden, bestemd voor missiedoeleinden, nog even groot is. Jazeker. Altijd zullen er wezen zijn.

‘Trek je sokken aan’, hoor ik in gedachten de soeur tegen ons zeggen. ‘Met je gezicht naar de muur. Kleed je aan en houd je lichaam bedekt. Met je gezicht naar de muur. Praat niet tegen de buitenkinderen. Zij zijn slecht.’

Vreemd. Wij wisten dat op iedere schooldag geld werd ingezameld. Geld voor Petrus Donders. Geld voor de heilige Antonius. Geld voor Sint Jozef. Geld voor Moeder Maria. Geld voor het beeld van Fatima. Geld van de buitenkinderen. De slechte kinderen. Wat was dan het verschil tussen ons en de meisjes die bij hun ouders waren? Het verschil tussen bedrog en waarheid? Ik geloof het niet. Ook buiten werd een heleboel verzwegen, verboden, voor slecht uitgemaakt. Er bestond geen verschil. De nonnen waren alleen maar bang dat wij door het contact met de buitenkinderen verhalen zouden horen die met jongens te maken hadden. Het woord jongen was taboe.

In hoor de soeur: ‘Kleed je aan en houd je lichaam bedekt. Met je gezicht naar de muur. Praat niet tegen de buitenkinderen. Zij zijn slecht’

Zelden kwamen wij op straat. Een enkele keer naar de dokter om olie – kienap olie – te slikken tegen wormziekten. Soms gingen wij wandelen door de stad. De straten maakten een enge indruk op mij. De grote kantoorgebouwen aan de Gravenstraat en ook de huizen waren lang niet zo groot als die uit mijn herinnering. Wij mochten zachtjes tegen elkaar praten. Als wij langs de kathedraal kwamen, moesten wij eerbiedig een kruisteken slaan en schietgebedjes nazeggen. Naar slechte plaatjes mochten wij niet kijken. In de buurt van de bioscoop moesten wij stilstaan en werden wij er attent op gemaakt dat alle ogen op ons gericht waren. Wij waren het voorbeeld van een goede opvoeding. Van zedigheid. Wij mochten niet kijken naar de affiches tegen de muren van de bioscoop. Zelf heb ik nooit gekeken. Ik vond het best dat er anderen waren die wel keken, giechelden en zich amuseerden. Na de saaie wandelingen door de stad kregen verschillende meisjes straf. Volgens de soeur hadden zij wel gekeken naar de vuile prenten en ook gelachen. ‘Het is helemaal niet waar, soeur’, zeiden de meisjes. ‘Wij hebben niet eens gekeken, laat staan gelachen.’ Maar de overste kende geen genade. ‘Vuile straatmeiden, vlucht met de jongens de bossen in.’

Het verzet groeide. Ik was een jaar in het Internaat. Op de speelplaats werd in die tijd iedere middag het liedje over Indonesië gezongen. Indonesië kort voor de soevereiniteitsoverdracht. ‘In het land van bruine mensen. In het land van suikerriet. Waar de rijkdom kent geen grenzen, is alles weelde wat men ziet. Ziet men ginds een bruine jongen op het veld daarhenen gaan. Dan denk ik dikwijls bij mezelve, wat is een arme Javaan… In de sawah’s zie ik ze wroeten, tot de knieën in het nat. Ieder blanke needrig groeten die voorbij gaat op zijn pad. Wordt dan eens zijn groet beantwoord, dan blijft hij vol bewondring staan. Dan denk ik dikwijls bij mezelve, wat is een arme Javaan… Ginder in de verre dessa woont een schoon Javaans kind. Het is de blanke die er heen gaat. Die haar zocht en weldra vindt. En Sarina die zo mooi zong… Europeanen, armen en rijken, ook het onrecht kent een grens. Laat dan uw beschaving blijken. Behandel dan de Javaan als mens. Want zij zijn toch hier geboren. Het is de plek waarop zij staan. Doch wie heeft hun het recht ontnomen. Het is die wrede, wrede Europeaan…’

Ook de drang naar vrijheid werd groter. De grote meisjes zochten naar een uitlaat. Zij vonden die in de gaten en spleten van de zinken schuttingen. Kleine gaten werden groter gemaakt. Door ons. Door de jongens op straat. Het gebeurde vaak dat een gat of spleet donker werd door het oog van een jongen. Er werd gefloten. Namen van de grote meisjes werden genoemd. De meisjes begonnen luidruchtig te praten. Zij schaterden van het lachen, trokken elkaar bij de vlechten en renden opgewonden over het erf. Sommigen gingen in de buurt van de schutting staan en begonnen te dansen op hun eigen ritme. Zij deden hun uiterste best om ongemerkt hun heupen te wiegen onder de wijde rok. Zij zongen bij voorkeur een liedje over het genot van alcohol. ‘Mi lob, mi lob, mi lob mi sopi so’té, sere bamba.’ Soms werden zij betrapt. Zij werden geslagen en een paar dagen geïsoleerd in een van de koepen. Zij kregen geen eten of het werd hun te laat gebracht op een ogenblik dat zij het niet verwachtten.

Het is moeilijk de straffen die wij kregen systematisch op te sommen. Het is zelfs onmogelijk. Je kon om alles gestraft worden. Iedere vijf minuten liep je het risico iets te doen wat niet mocht. Om vijf uur in de ochtend werden wij gewekt door het rinkelen van een koperen belletje. Wij sliepen op de vloer maar spraken van ons bed. Het beddegoed moest snel worden uitgeschud en opgevouwen en daarna gelegd op het onderste rek tegen de muur. Op het bovenste stond het minimum aan toiletartikelen: tandenborstel, tandpasta, een handspiegel, Pond’s poeder, talkpoeder, een washandje en een baddoek. Washandje, tandenborstel en tandpasta werden haastig gepakt om als een van de eersten bij de wastafel te zijn. In lange witte slaapjurken holden wij elkaar voorbij. Wij hadden er geen zin in onze tanden te poetsen uit bakken die al door verschillende handen waren gegaan. Wij vonden het afschuwelijk om te staan aan de tafel vol slijm en uitgespuugde tandpasta. Het water dat af en toe over de tafel werd gegoten was niet genoeg om slijm en tandpasta helemaal weg te spoelen. Zuinigheid was een van de grootste eisen in het Internaat. Ik was daarom verwonderd dat sommige meisjes onder de middelsoorten op bepaalde dagen in de week naar beneden gingen om zich te wassen. Ik benijdde ze. Veel, veel later begreep ik dat het geen voorrecht was maar een hygiënische maatregel. Maar op die leeftijd kon ik mij alleen maar verbazen over de dingen om mij heen. De straffen. De venijnigheid van de klikspanen. Hun gekonkel. Zij haastten zich naar de Overste om haar te vertellen dat er meisjes waren die hun bed ‘bewaard’ hadden. Terwijl boven het water over de wastafel vloeide, de reinigende geluiden van mond en keel elkaar afwisselden, klonken uit de vestibule de huilende stemmen van de meisjes die in hun bed hadden geplast. Zij werden geslagen voor het beeld van de heilige Jozef. De lat die gebruikt werd heette Jan. Huilend, hun gezicht verschanst achter hun ellebogen, keerden zij, gevolgd door de soeur, naar de slaapzaal terug. Midden op de zaal werden zij opgesteld. Op hun hoofden het vochtige beddegoed met de stank van urine. Af en toe werden zij belachelijk gemaakt door de klikspanen. ‘Pisbed! Pisbed!’ werd er tussen de tanden door gesist. Op de zaal mocht niet gepraat worden.

Pisbed! Pisbed! Belangrijke gebeurtenis. Het verhaal ging van de ene slaapzaal naar de andere. Wie was er wel geslagen? En waarom? Hoe waren zij teruggekeerd? En daarna? En toen? Iedereen had haar eigen mening. De groten trokken partij voor de bedwateraars en werden opstandiger. Maar het grootste deel van de middelsoorten zweeg. Dat is ook een mening. Bang zijn is ook een mening. Norine was een uitzondering. Zij bezocht evenals ik de betalende school. Wij zaten in dezelfde klas. Zij leerde erg moeilijk. Haar ouders waren gescheiden. Misschien had zij verdriet. Of misschien was zij werkelijk dom. Maar zij had iets wat maar heel weinig meisjes onder de middelsoorten hadden. Zij was eerlijk, brutaal, nam geen blad voor de mond. Zij wist dat ik iedere maandagmorgen brood met kaas en pindakaas van een schoolvriendin kreeg. Zij heeft mij nooit verraden. Zij wist dat ik briefjes naar huis stuurde om mij te beklagen. Zij heeft het nooit verteld. Door de taken die zij kreeg kon zij zich allerlei vrijheden veroorloven. Achteraf ben ik gaan geloven dat zij voorgetrokken werd omdat haar vader het dubbele betaalde van het bedrag dat in de regel door de ouders van de niet-wezen betaald werd. Misschien meer. Het was de tijd dat er op de Antillen met geld werd gesmeten. De tijd om rijk te worden. Ik was niet jaloers op haar. Ik was al lang blij dat zij mij niet overbriefde. Toch voelde ik mij niet altijd op mijn gemak wanneer ik naast haar liep en mij bewust was van mijn eigen aanwezigheid. Norine droeg heel andere kleren dan de meesten van ons. Haar jurken waren van Amerikaanse snit. Confectie. Erg modern en geweldig voor die tijd. De kleine broekjes en broekrokken die ik thuis droeg zaten diep weggeborgen in de kleerkast van het Internaat. Ik droeg broeken van katoen en ongebleekt katoen. Broeken met lange pijpen die ver onder mijn rokken uitstaken. Later werden mijn jurken verlengd met een reepje wit katoen. Ik was erg blij. De middelsoorten hadden bijna allemaal een hekel aan Norine. Maar er was niemand die haar aandurfde. Zij was de lieveling van de soeur die voor het eten zorgde en voor de zieken. De wonden. De hoofden met luizen. De tenen met de zandvlooien. Norijntje, zoals de soeur haar noemde, bracht melk en chocola rond onder de kleintjes. Zij zat ook vaak met ze te eten. ’s Zondags was zij vaak weg en keerde huilend terug. Tot vandaag weet ik niet waarom zij opeens naar de Antillen vertrok. Zonder afscheid van mij te nemen. Wat ik mij nog erg goed herinner, zijn haar grote lichtbruine ogen, de lange wimpers onder de naar voren getrokken Panamastrohoed met roze linten. ‘Square’, werd de schuine stand van onze hoeden genoemd. Van onze allepientjes. De mode. Ik had ook een Panamastrohoed, schuin en diep naar voren getrokken om mijn ogen te verbergen. Het ging gemakkelijk. Het grootste deel van mijn hoofd bestond uit haar. ‘Je ziet eerst de haren, dan haar gezicht’, zeiden de groten met wie ik ’s middags in de studiezaal zat.

De verhouding tussen de middelsoorten was niet altijd even stroef en saai. Vooral later toen er op de zaal meisjes bij kwamen die ook studeerden. Ik had ook geleerd dat het voor mezelf veilig was aansluiting te zoeken bij de klikspanen. Ik kende hun zwakke plek. Ook zij hadden honger. Ik beloofde ze een deel van de vruchten die ik stroopte of een deel van de aardappelen die ik uit de kelder van het klooster gapte. De weg naar de kelder had ik gevonden door een non die af en toe bij ons kwam surveilleren. Ik mocht haar graag en vroeg of ik haar in de schoonmaaktijd mocht helpen de bezems naar de kelder te sjouwen. De soeur zag dat ik aardappelen gapte maar deed alsof haar neus bloedde. De klikspanen aan wie ik vertelde dat ik de aardappelen uit de kelder had, luisterden geïnteresseerd. Zij probeerden in de gunst te komen van de non. Zij hadden geen succes. De jonge soeur glimlachte naar ze. Gereserveerd. Ironisch. Zij mochten niet mee naar de kelder. Aardappelen waren een lekkernij omdat wij ze zelden op onze borden kregen. De klikspanen hadden mij nodig en zorgden er voor dat ik zout kreeg om de aardappelen te koken. Zout werd gestolen uit de Keulse pot in de refter. Tijdens het speelkwartier kookte ik de aardappelen op het houtvuur, gestookt onder grote, ijzeren ketels waarin de kleren van het klooster werden uitgekookt. De ketels aan het ene einde van de mangelkamer. Ik verstopte mij achter de op elkaar gestapelde houtblokken tegen de verhitte muur van de mangelkamer. Ik luisterde naar het pruttelen van het water in de havermoutblikken op de gloeiende blokken onder de ketels. Maar er waren niet altijd vruchten en ook geen aardappelen om de klikspanen te vermurwen.

Ik kreeg het ene kwajeteken na het andere.

Het was niet alleen verboden op de slaapzaal te praten. Je mocht nergens praten zonder dat je daar toestemming voor had gekregen. Deed je dat wel dan kreeg je kwajetekens. Iedere morgen werd je naam van de lijst af gelezen en moest je opgeven waar je gepraat had. Voor de slaapzaal werden vijf kwajetekens genoteerd. Voor de badcellen zeven. Voor de wc’s ook zeven. Wie in de rij op weg van of naar de kapel iets tegen een ander had gezegd kreeg twee kwajetekens. Aan het einde van de week werden de straftekens opgeteld. Wie er tien had kreeg op zondag geen snoep en ook geen beschuit met suiker. Wie er veertien had kreeg celstraf. Straf op zondag betekende ook dat je je ouders niet mocht zien. Of ander bezoek. Vaak overkwam het mij dat mijn ‘nergens, soeur’, beantwoord werd door een opgestoken vinger. ‘Ze heeft wel gesproken, soeur’, hoorde ik dan achter mijn rug zeggen. ‘Het is niet waar, soeur’, was mijn antwoord. ‘Ze liegt, soeur.’ Het hielp niet. Ik kreeg toch kwajetekens. Op een keer werd ik zo woedend dat ik dwars door de refter gilde: ‘Overal, soeur.’ Ik kreeg onmiddellijk veertien kwajetekens. De dingen werden nooit uitgezocht. Je werd gestraft op beschuldiging. En zoveel hadden de soeurs toch ook weer niet aan mij. Ik had een hekel aan borduren en haken. Na mijn ‘overal, soeur’, werd ik opgesloten in de Clemenskast. Het was er stoffig en benauwd. Mijn keel prikkelde. Ik had dorst. Op de vloer lagen oude kloostermatten, gebreid van stukjes zwarte, rode en gele stof. In de hoeken tegen het lage plafond hingen grote spinnewebben. Licht viel door de takken van de kerseboom het kopergaas binnen. Ik zat versuft voor mij uit te staren. Toen ik moe was ging ik liggen op de stoffige matten, mijn handen onder mijn hoofd. Later op de dag vielen een paar kersen uit de openingen van het gaas. Mijn jurk raakte onder de vlekken. De kersen waren te groot voor de openingen en gingen uit elkaar terwijl ze naar binnen gewerkt werden. Ik herkende de hand, even bruin als de mijne. Het was Agnes. Agnes Indiaan. Ik was blij. Iemand had aan mij gedacht, mij gemist op de speelplaats. Ik had honger, verslond de kersen. Ik hoopte dat de deur zou opengaan. Iemand zou mij warm eten brengen. Niemand. Pas laat in de avond werd ik gehaald uit de koep. Ik mocht mij gaan baden. Daarna in mijn eentje eten in de refter. Geen rijst. Ik lustte geen bacoven. Het meisje dat mij haar schillen gaf in ruil voor mijn bacoven, lag al te slapen. Acht uur. Ik waste mijn bord en mijn oranje plastic kroes achter in de refter. De bacoven liet ik vallen door de schedel van de heilige Jozef. Ik was elf.

De dingen werden nooit uitgezocht. Je werd beschuldigd. En als je eenmaal beschuldigd was dan was je ook schuldig. Op een avond zaten wij in de catechismuszaal. Wij zaten op lange bruin geverfde banken. Voor ons achter een tafeltje de moeder van het Internaat, een vrouw van middelbare leeftijd. Zij gaf ons godsdienstonderricht. Het crème beeldje van het kindje Jezus stond op het tafeltje, omgeven door de trillende vlammen van drie witte kaarsen. Wij sloegen een kruisteken. Alweer. De hele dag sloegen wij kruistekens, baden schietgebedjes. Het lange avondgebed op onze knieën was net uit. De Overste was het kennelijk alweer vergeten. Opnieuw begon zij haar langdradig gebed. Eerst voor de wereld en haar zondaars. Daarna voor de zieken, de moordenaars bezeten door Satans wil. Weer een kruisteken. Het einde van het voorgebed. ‘Amen’, werd door ons gezegd. Mijn naam werd afgeroepen. Het was al meer dan eens voorgekomen dat mijn naam werd afgeroepen tijdens de godsdienstles en dat ik zonder verklaring in het donker van de bleek moest gaan staan. Wat zou er nu weer aan de hand zijn? Mijn hart klopte in mijn keel. Ik liep naar voren. Misschien ging het om een beurt. ‘Vies kind’, zei de soeur. ‘Vies kind.’ Zij trok mijn rok strak over mijn broek. Ik voelde de hitte van de lat, beet op mijn lippen en liep daarna met mijn hoofd gebogen de catechismuszaal uit. Na jaren kreeg ik door een toeval te horen waarom ik geslagen was. Het werd mij verteld door een meisje met wie ik de mulo bezocht. Volgens haar had een van de anderen tegen de soeur gezegd dat ik mijn broek had uitgetrokken in de nacht. Het bloed trok weg uit mijn gezicht. Ik was woedend. Het was een leugen. Of had ik gedroomd dat ik op de wc zat? Ik had last van nachtmerries. Ik lag soms klaar wakker, mijn lichaam drijfnat van het zweet, de hitte van de zaal. Wij sliepen achter gesloten ramen om de muskieten buiten te houden. Ook andere meisjes hadden last van nachtmerries. Ik zag ze opstaan en slaapwandelen. Zij verstopten zich achter de kast, gingen in een hoek van de zaal staan of liepen in de richting van de trap. Vaak hoorde ik ze gillen. Het gebeurde ook dat de kleintjes onze zaal binnenliepen, zoekend naar iets. Roepend. Ik kon niet verstaan wat zij zeiden. Ik begreep het ook niet. Er waren zoveel andere dingen die ik niet begreep, die mij niet duidelijk waren. Zoals de straf die ik kreeg op sinterklaasavond.

Ik had geleerd dat het voor mezelf veilig was aansluiting te zoeken bij de klikspanen. Ik kende hun zwakke plek. Ook zij hadden honger

Een paar dagen voor het feest werd ik onverwachts verrast door Zwarte Piet. Hij had kattebelletjes om zijn voeten. Met veel gerinkel sprong hij uit een raam van het leslokaal achter mij. Ik keek snel om, maakte mij onmiddellijk uit de voeten. Ik verstopte mij in de eerste de beste wc van het speelterrein. Ik deed de deur op de haak. Diezelfde avond trof ik allerlei slordige krabbels aan op de plaats waar ik lag. Krabbels over mijn gedrag. Met krijt geschreven en in stuntelig Nederlands. Zwarte Piet, de Moor, kwam uit Spanje, was ons geleerd. Zwarte Piet met de zak. Ik had een slecht voorgevoel. Zou de Overste mij weer opsluiten? Ik hield niet van handwerken. In het speelhalfuur zat ik een boekje te lezen. Het was verboden alleen te zijn of met zijn tweeën. Dan kreeg je slechte gedachten. Ik had dus aan slechte dingen gedacht. Maar welke? Snel bedekte ik de krabbels met mijn beddegoed, maakte mijn bed op en kroop onder de deken. Ik kon niet slapen. Ik gaf heel weinig om verjaardagen en religieuze feesten. Ik was blij wanneer ik echt blij was. Feesten waren voor mij gedwongen bijeenkomsten. Het sinterklaasfeest liet mij onverschillig. Ik zou een cadeau krijgen. Een puzzelspel waarschijnlijk. Mijn vader had in dit opzicht zo weinig fantasie. Al deze dingen wist ik wel. Maar ik was bang om alleen achter te moeten blijven in het donker van een gang. Van de bleek, van de trap of van een koep. Ik stak mijn hand onder het matras en veegde de krabbels op de tast uit. Op weg naar de toneelzaal werd ik uit de rij pratende meisjes gehaald. ‘Wat heb ik gedaan?’ vroeg ik, terwijl ik bij de schouder werd weggeleid. De Overste gaf mij geen antwoord. Zij sloot mij op in de bezemkast. Zij verwijderde zich en draaide het licht tussen de badcellen en de wc’s uit. Stemmen, stappen, een kwartier later. Licht! Ik werd in een jutezak gestopt. De zak werd door de Overste en een andere soeur verschillende malen om mijn romp en mijn benen gebonden en aangetrokken. Toen ik goed vastzat en niet meer kon tegenspartelen, tilden zij mij van de vloer op en werd ik weggedragen. Eerst wist ik niet waar zij mij naar toe brachten. Ik dacht aan de zolder, werd gek van angst. Mijn hoofd bengelde uit de opening van de zak. Ik gaf een schreeuw. De soeurs liepen door de refters. Zij passeerden het beeld van de heilige Jozef. Ik werd stil. Zij brachten mij dus niet naar de vleermuizen. Niet naar het zwarte kleed met de doodskoppen. Ik werd opgesloten in het hokje onder de trap van de kapel. Ik lag op de grond in de zak. Ik probeerde mij los te maken, kreeg het benauwd. In het hok hing de weeë lucht van koffiedik en het afval uit de kloosterkeuken. Ik begon opnieuw te huilen. Ik schreeuwde toen ik stemmen hoorde. Zij waren al in de toneelzaal, zongen luid: ‘Zie de maan schijnt door de bomen.’

Het was ook volle maan. Op het romige verlichte schepzand zat een witte kat. Hij miauwde, zijn slanke kop gericht naar de heldere lucht. Ik zag hem door een spleet in de houten deur. Opnieuw probeerde ik mijn armen uit de zak te krijgen. Na een hele tijd lukte het mij de bovenste knoop in het touw met mijn mond los te wringen. Mijn armen kwamen vrij. De rest ging eenvoudig. Ik trapte de zak weg. Wankelend sprong ik overeind zodat ik bijna viel. Ik drukte mijn neus tegen het venstertje van kopergaas boven in de deur, keek naar buiten. De avond was koel. De kat zat er nog. De lichten achter de groene blinden van de kloosterrefter brandden niet meer. Op dit uur van de avond begint het ware mysterie van het kloosterleven. Waar zaten de vrouwen die ons tiranniseerden? Wat deden zij nu? En de andere soeurs? De schimmen in de kapel? Schimmen in een lange rij wanneer zij ter communie gingen. Schimmen achter elkaar gezeten op de lange glanzende banken voor in de kapel? Schimmen met zwarte, glijdende kralen van de rozenkrans tussen de bleke magere vingers. Schimmen die van de ene kruisstatie naar de volgende liepen om in knielende houding en met opgeheven armen boete te doen voor de zonden van de wereld. Boete voor hun eigen zonden: mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa… Et libera nos a malo… Schimmen die eens in de veertien dagen de biechtstoel in en uit liepen om hun zonden te belijden onder het ‘Eerwaarde vader, geef mij uw zegen. Mijn laatste biecht is geweest…’ Net als wij. Schimmen die je koud maakten als je ze onverwachts tegenkwam in het donker van de speelplaats. Het schoolerf. Schimmen die je van schrik deden verlammen als je ’s nachts wakker werd. Door hun kaal geschoren hoofden en het lange lila-achtige kleed. Schimmen die je nooit hoorde lachen. Zoals wij. De mensen buiten.

Het leven van de soeurs bleef mij een raadsel. Ik wist dat het mensen waren. Vrouwen zoals onze moeders. Maar de afstand tussen ons en de meeste nonnen was erg groot. Zij hadden iets onwerkelijks vond ik. Iets bovennatuurlijks, iets dat ik niet kon bevatten. Soeur Huperta was een van de weinige uitzonderingen. Wanneer ik voor haar stond of achter haar of als ik naast haar liep, haar hand in de mijne, had ik het gevoel dat zij een schoolvriendin was of een van onze moeders. Zij was gestoord en in de tachtig. Zij werkte met een andere non in de mangelkamer. Vaak liep zij weg. Ik had de taak haar op te sporen en terug te brengen naar de mangelkamer of naar de gang van de kapel als het al laat was geworden. Ik had het gevoel dat ik hand in hand liep met soeur Huperta. Ik vond haar meestal bij de grot van Maria van Lourdes tussen het groen van de Jezustranen. Altijd zong zij hetzelfde wijsje: ‘In de hemel, in de hemel, daar zullen wij eeuwig zijn.’ Soeur Huperta speelde een spelletje met mij. Zij veranderde telkens weer van schuilplaats zodat ik soms moeite had haar te vinden. Haar laatste schuilplaats was het kerkhof langs de Sommelsdijckkreek. Ik was blij dat zij deze schuilplaats had gevonden. Ik hield van jonge tamarinden, gooide met stokken naar de takken, voordat ik de kinds geworden non zachtjes bij een schouder tikte.

Op een morgen is zij niet meer wakker geworden. Zij werd begraven in de schaduw van de tamarindebomen. Het einde van een leven, het einde van een taak die ik had gekregen omdat ik mijn huiswerk in de regel binnen de helft van de tijd af had. Ik miste de overleden soeur. Zij was dood. Niemand had het meer over haar. Niemand lachte om de straffen die zij het kruisbeeld oplegde. ‘Zo, zo, sta je daar goed? Nu is het jouw beurt om te worden gestraft, hè?’ Soeur Huperta had de gewoonte om het kruisbeeld te laten staan in een hoek van haar cel. Zij was nu dood. Ik bleef de hele middag in de studiezaal. Soms vroeg ik aan de non die er op moest toezien dat wij ons huiswerk maakten of ik naar de wc mocht. Dan sloot ik me op en huilde om de gestorven non.

In die tijd was de Overste van het Internaat opeens afwezig. De grote meisjes fluisterden onderling dat ze het zaakje niet vertrouwden. Zij vonden dat de Overste haar kap te dicht tegen het gezicht van pater X, de weesvader, had gehouden. ‘Het is goed dat ze is opgedonderd’, zei Eline in de studiezaal. ‘Hoe vromer geest, hoe groter beest’, voegde Agnes Indiaan er aan toe. Agnes was nog altijd woedend om de klappen die zij had moeten incasseren nadat het de Overste was opgevallen hoe kort haar jurk was. Uit de cowboyverhalen die ik las wist ik hoe trots een Indiaan kan zijn op wat hij heeft en wat hij is. De Indiaanse meisjes hadden korte benen met flinke, gespierde kuiten. Zij gaven de voorkeur aan de lengte van hun poncho’s en haatten de lange westerse jurken. In de wc, in het donker van de slaapzaal, sloegen ze de zomen van hun jurken om. De eerste die gesnapt werd was Agnes Indiaan. Zij werd na de mis in de vestibule geslagen.

De nieuwe Overste heette soeur Selesia. De wreedste non die ik ooit gekend heb. Zij was fors en had brede ronde heupen. Haar gezicht was bolrond, rood als een kippelel. Op sommige dagen in de maand waren haar wangen bezaaid met grote waterpuisten. Zij stonk uit haar mond. ‘Haar mond stinkt naar de wc’, was de gangbare uitdrukking. Wij deden onmiddellijk een stap achteruit wanneer zij vlak voor ons stond. In de refter schoven we bliksemsnel onze borden opzij. Het speeksel uit haar mond spetterde rond als waterdeeltjes uit een spuit. Wij noemden haar ‘Spuitjes’. Ik had de indruk dat zij niet gelukkig was met haar benoeming en dat zij een hekel had aan kinderen. Met een sadistische uitdrukking op haar gezicht kneep zij de kleintjes in de magere bovenarmpjes. Zij had er plezier in dat zij het uitbrulden van pijn.

Soeur Selesia sloeg niet met Jan, de dikke lat. Zij sloeg met haar dikke, mannelijke hand. De meisjes van mijn slaapzaal konden haar geen van allen uitstaan, maar zwegen omdat zij bang waren weggestuurd te worden. Zij wisten dat zij niets te verwachten hadden van hun familie. Het leven buiten. Zij hielden, zoals ik het van ze gewend was, hun mond, boden hun diensten aan. Tijdens het speelhalfuur en op vrijdagavond, de enige avond dat de middelsoorten op mochten blijven, handwerkten zij ijveriger dan ooit. Ik zat stiekem in een hoek te lezen en deed zo nu en dan alsof ik haakte. Soms bracht de stem van soeur Selesia ons allemaal aan het schrikken. Standjes werden uitgedeeld, omdat zij vond dat wij als viswijven bezig waren. Op zulke berispingen volgde een tjoerie, een misnoegd geluid met de lippen. Plannen werden beraamd tegen soeur Selesia. Plannen die nooit werden uitgevoerd. Het kwam nooit verder dan het op verschillende toonaarden nazeggen van het ‘Goede morgen, heilige Jozef’ en het ‘Mijn Jezus, barmhartigheid’. ’s Morgens op weg naar de kapel.

De groten waren in het begin ook bang voor Selesia. In de studiezaal gingen zij tekeer tegen de surveillerende non. De soeur was kort, had een bochel en droeg een bril met koperen randen. Haar bijnaam was Muntje Puf. Tegen de groten was zij niet opgewassen. De meisjes maakten allerlei opmerkingen over het eten en stelden haar vragen over vrijheid en mode. De soeur hield van mij. Ze had er plezier in mij te overhoren. Met grote toewijding luisterde ze naar mijn antwoorden. Door haar kreeg ik de taak soeur Huperta op te sporen en haar terug te brengen naar de mangelkamer. Nu de soeur gestorven was zat ik mij iedere middag minstens een uur te vervelen, luisterend naar de verhalen, de gesprekken en de opmerkingen van de groten. ‘Lees’, zei Agnes op een middag. Zij schoof mij haar Nederlandse geschiedenisboek onder de neus. Zachtjes begon ik te lezen. ‘Hard’, zei zij. ‘Ze gaat je niks doen.’ Ik las hardop: ‘De Oostindische Compagnie in 1604 opgericht door Jan Pieterszoon Coen. De Hollanders zijn altijd gehaaide smokkelaars geweest. De Hollanders zijn…’ Er volgde een algemeen: ‘Bu, bu, bu.’ De volgende middag werd ik weggeroepen meteen nadat ik overhoord was. Ik mocht meehelpen in de moestuin. IJverig trok ik het gras uit de bloemperken en uit de groentebedden. In de loop van de daaropvolgende middagen begon mijn ijver te dalen. Ik had ontdekt waar ik het voordeligst kon werken en was niet weg te krijgen van de radijsjes. Ik trok ze uit de aarde en verstopte ze in een papieren zak. Een paar dagen liep het goed af. Toen werd ik betrapt. Ik mocht niet meer meehelpen in de moestuin.

Ik werd ziek. Veertig graden koorts. Ik kreeg slappe thee zonder suiker en droge sodabeschuitjes. Ik was blij dat ik ziek was, blij dat ik met rust werd gelaten. Ik was veel te gelukkig dat ik overdag een hele slaapzaal voor mezelf had. Ik kon naar de wc gaan wanneer ik maar wilde. In de kapel zat ik soms met een vertrokken gezicht, terwijl het koude angstzweet onder mijn neus uitbrak, omdat ik naar de wc moest en ik het niet mocht van de soeur. Nu was ik alleen. Eindelijk bleven de zedepreken in de refter en in de catechismuszaal mij gespaard. Ik hoefde niet te bidden. Ik was doodziek.

Toen ik mij wat beter voelde zocht ik de kleintjes op. Zij gingen om vijf uur naar bed. Bij het luiden van het Angelus om zes uur werd de soeur die ze naar boven had gebracht afgelost door de soeur van de mangelkamer. Iedere middag wachtten de ouderen onder de kleintjes vol ongeduld op dit ogenblik. Zodra de soeur zich had verwijderd sprongen zij wild uit hun bedden. Met het laken over het hoofd renden zij van de ene hoek naar de andere. ‘Boeoe! Boeoe!’ riepen zij om elkaar bang te maken. De kleinsten werden met een schrik wakker, wreven hun ogen uit en keken suf naar de meisjes die zich achter de kleerkast verstopten of die met z’n allen op het gemeenschappelijke potje in de houten doos probeerden te zitten. ‘Tante Alida! Tante Alida. Tante Alida. Ik lust geen zoutvlees!’ De stem van een blond Antilliaans meisje. Ik lachte mee, maakte mij onmiddellijk uit de voeten wanneer ik de soeur van de mangelkamer hoorde aankomen.

Na twee weken was ik beter. De eerste stap op de trap van de vestibule, het groen van de bleek en de bladeren van de sinaasappelbomen, de oranjeruikers maakten een sprookjesachtige indruk op mij. Ik had het gevoel dat het mijn eerste dag was in het Internaat en dat het niet lang zou duren. Alles zou weer gauw worden als vroeger.

Dit verhaal van Bea Vianen (1935-2019) werd in 1969 in het maandblad Avenue gepubliceerd. Vianen werd in Paramaribo geboren. Toen Bea nog jong was overleed haar moeder aan tbc en werd ze naar een nonnenkostschool gestuurd. In 1957 vertrok ze naar Nederland, maar ze bleef heen en weer reizen. Ze was de eerste Surinaamse schrijfster van wie werk in Nederland werd uitgegeven. Haar romans en verhalen waren in de jaren zeventig ongekend populair. Onlangs werd haar roman Sarnami, hai (Suriname, ik ben) herontdekt.