Nina Chroesjtsjova over grootvader Nikita

‘Over opa praatte je thuis niet’

Haar (over)grootvader Nikita Chroesjtsjov zette in 1956 de bijl in het stalinisme, maar het duurde nog tot 1991 voordat het sovjetcommunisme definitief voorbij was. Nina Chroesjtsjova heeft sindsdien optimaal de vruchten van de vrijheid geplukt.

DE SLOVEENSE SOCIOLOOG Slavoj Zizek is flink op dreef. Met heftige armgebaren houdt hij een pleidooi voor het pure marxisme. Het publiek vindt zijn theatrale betoog prachtig, maar naast hem op het podium ergert een kleine vrouw zich dood. Ze rolt met haar ogen, draait zich steeds verder van hem af en als ze eindelijk het woord mag nemen, zegt ze: ‘Wow, what a noise, I guess I will take a shoe.’
Met deze toespeling op haar beroemde grootvader Nikita Chroesjtsjov presenteerde Nina Chroesjtsjova zich begin september als een van de gastsprekers van de Nexus-conferentie. Dat ze dit zó deed, was opmerkelijk. Een dag eerder tijdens een interview in de lounge van haar Amsterdamse hotel reageerde ze in eerste instantie gereserveerd op iedere verwijzing naar de sovjetleider die in 1960 heetgebakerd met zijn schoen op de tafel sloeg tijdens een conferentie van de Verenigde Naties over dekolonisatie. Want, liet ze afgemeten weten, ze was voor de conferentie uitgenodigd niet ‘als kleindochter van Chroesjtsjov’ maar vanwege háár carrière.
Roerend in haar kopje koffie zegt ze: ‘Wat mij interesseert is hoe politiek is geworteld in de historie en het karakter van een land. De Russische politiek wordt in de twintigste eeuw gekenmerkt door een cultuur van radicale breuken waarin de ene sterke leider wordt opgevolgd door de andere sterke leider, wat gepaard gaat met het doodverklaren van de voorganger. De twee onafhankelijk gekozen presidenten deden dat precies zo. Eerst was daar Boris Jeltsin, die in 1991 doortastend afstand deed van het communistische stelsel, waarmee hij een enorme economische en politieke chaos veroorzaakte. Vladimir Poetin stelde weer orde op zaken, maar met zijn stijl continueerde hij de traditie van het autoritaire leiderschap met grote ambities om Rusland als een wereldmacht op de kaart te zetten. In zijn agressieve buitenlandpolitiek kan het hem weinig schelen wat de internationale diplomatieke wereld van hem vindt. Schuld bekennen voor wat de Sovjet-Unie heeft aangericht in Oost-Europa zal ook onder president Medvedev niet gebeuren. Poetin heeft het ineenstorten van de Sovjet-Unie altijd beschouwd als een historische misser.’
Chroesjtsjova heeft Poetin twee keer tijdens een informele ontmoeting de hand geschud. Beide momenten vond ze schokkend. ‘Hij is klein, maar oogt tegelijk groot en sterk vanwege zijn getrainde borstkas. Het prototype macho die vrouwen anders taxeert dan mannen. Toen ik hem in de ogen keek, leek het als een zwart gat dat alle energie opslokt. Je weet niet wie hij is, want er hangt een bewust gecreëerd mysterieus aura om hem heen.’
BINNENKORT VERSCHIJNT Chroesjtsjova’s boek Russia’s Gulag of the Mind, over de Russische liefde voor grote leiders. ‘Russen kunnen het verlies van het imperium niet accepteren en dromen over een groot machtig rijk – die droom is als een Goelag die de Russische geest gevangen houdt. Het is méér dan nostalgie. Russische politici geloven er heilig in dat het volk bereid is de vrijheid op te geven in dienst van de grootheid van de natie. Ontwikkeling wordt niet gezien in termen van het verbeteren van het materiële en geestelijke welzijn van de bevolking, maar als het uitbreiden van Rusland als supermacht. Dat vergt nou eenmaal grote menselijke offers. Die ambitie is een heilige missie, die eerst eeuwenlang onder de tsaren gold en later onder de communistische leiders. Poetin past in die traditie, weliswaar zonder de massamoorden, maar vanuit eenzelfde grootheidswaanzin. Ik zie het als een rookgordijn om de eigen achterlijkheid te maskeren. Russen lijden aan een superioriteitscomplex. Voor de elite kan de rekening van een restaurant niet hoog genoeg zijn. De status wordt bij voorkeur bepaald door het aantal rinkelende telefoons, bodyguards en blonde meisjes. Het probleem met Rusland is dat de staat zich ontwikkelt maar de samenleving niet.’
Nina Chroesjtsjova studeerde literatuur in Moskou en vertrok in 1991 naar Amerika, waar ze in 1998 promoveerde op een vergelijkend taalonderzoek aan Princeton University. Ze schrijft artikelen in vooraanstaande Amerikaanse kranten en voor het internationale medianetwerk Project Syndicat. Twee jaar geleden publiceerde ze het internationaal succesvolle boek Imagining Nabokov: Russia between Art and Politics, waarin ze een parallel trekt tussen de betekenis van haar familie en die van de Nabokovs in de Russische geschiedenis. Ze doceert internationale betrekkingen aan de New School in New York. Daar woont ze, maar ze heeft haar Russische paspoort behouden.
‘Ik ben net als Nabokov dualistisch: Rus in Rusland en Amerikaan in Amerika. Daarbuiten voel ik me leeftijdloos en zonder nationale identiteit. In Amerika zegt mijn achternaam negentig procent van de mensen die ik tegenkom in eerste instantie niks. Ook bij mijn studenten gaat meestal geen lichtje branden. Vaak laat ik dat graag zo. Het is fijn dat het verleden nauwelijks een rol speelt, hoewel het ook vervreemdend is. In Amerika ervaar ik optimale vrijheid. Dat is, zeker voor een publiciste, het hoogste goed, en dan neem ik de low culture graag voor lief. Voor mij komt bij wijze van spreken kaas eerst en dan pas de high culture. Als ik mijn familie in Moskou opzoek, merk ik meteen weer wat het betekent om op je woorden te passen en uit te kijken met je contacten.’

ALS ZE BEGINT te vertellen over Moskou, waar ze is geboren – het jaartal houdt ze graag geheim – en waar ze opgroeide in een luxe buitenwijk voor de partijelite, komt de naam van haar grootvader onvermijdelijk ter sprake. Na enig aandringen legt ze nog eens uit hoe haar uitgebreide familie in elkaar steekt. Ze is in feite geen kleindochter maar een achterkleindochter van Nikita Chroesjtsjov. In 1914 trouwde deze met Jefrosinia Pisareva. Samen kregen ze Julia (1915) en Leonid (1917). Jefrosinia stierf tijdens de burgeroorlog aan tyfus. Chroesjtsjov hertrouwde in 1922, maar scheidde al gauw vanwege zijn liefde voor Nina Petrovna. Zij bleven tot aan zijn dood samen.
Nina Chroesjtsjova stamt af van de lijn van Leonid, om wie een typische sovjettragedie hangt. Hij kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog als gevechtspiloot om het leven terwijl zijn vrouw Liuba werd gearresteerd en in een strafkamp verdween. Hun zoon Tolya werd in een weeshuis geplaatst. Hun dochter Julia had het geluk om te worden geadopteerd door het echtpaar Chroesjtsjov, die samen nog drie kinderen kregen, Sergei, Rada en Lena. Hoewel Julia een kleindochter was, groeide ze met de andere kinderen op als een dochter.
Natuurlijk had achterkleindochter Nina vanwege haar grootvader geen gewone jeugd. Ze bezocht de beste scholen, genoot allerlei privileges en leefde in beschermde omstandigheden. Maar ze besefte ook dat haar achternaam beladen was. Als persona non grata werd er nooit over grootvader gesproken. Niet op school, niet met vrienden en niet in huiselijke kring.
‘Ik wist donders goed dat je niet over opa moest praten, anders werd het onmiddellijk heel ongemakkijk in huis. Dat was overigens heel normaal in Rusland, want de meeste gezinnen hadden wel iemand die in ongenade was geraakt, jarenlang verdween naar strafkampen of was vermoord. Die familieleden werden verzwegen, want erover praten kon gevaarlijk zijn. Mijn tante Rada deed altijd letterlijk meteen de deur dicht als zijn naam viel. Ik stelde geen vragen over opa. Maar ondertussen liep hij rond in huis. Hij was gepensioneerd en had huisarrest. Pas later begreep ik dat hij in die periode depressief was en het leven zo vreselijk saai vond. Ik beschouwde hem als een afstandelijke opa die altijd achter zijn bureau zat te werken of rondliep in de tuin om voor de bloemen en planten te zorgen. Toen hij in 1971 op 77-jarige leeftijd stierf, werd hij zonder officiële ceremonie in kleine kring begraven. Maar ik heb eigenlijk nauwelijks persoonlijke herinneringen aan hem.’
In de periode daarna leefde Nina Chroesjtsjova totdat Michail Gorbatsjov in 1985 aan de macht kwam in een dubbele wereld, die illustratief was voor de nomenklatura onder Leonid Brezjnev. Ze las als tiener óók de dissidentenliteratuur, die voor de meeste Russen volstrekt onbereikbaar bleef: ‘Via de literatuur discussieerden we over de politiek. De boeken kregen we van Roy Medvedev, een dissidente historicus die later politiek adviseur werd van Gorbatsjov. Hij kwam ongeveer eens per maand bij ons langs, altijd zonder afspraak, en overhandigde dan zelf gedrukte boeken die wij weer verspreidden onder onze vrienden. Het was een spagaat: als familie van Chroesjtsjov leefden we in het milieu van de partijelite én in de kring van dissidenten. Dat mijn grootvader een cruciale rol heeft gespeeld in het beëindigen van het stalinisme werd me pas werkelijk duidelijk toen halverwege de jaren tachtig de perestroika doorzette. Gorbatsjov benoemde wel zijn verdienste voor Rusland als initiatiefnemer van hervormingen van het systeem, het vrijlaten van miljoenen politieke gevangenen en het afschaffen van de ergste dictatuur. Mijn familie begon toen ook over hem te praten. Publicaties in de media en wetenschappelijk historisch onderzoek vulden voor mij de details in. Zijn naam is eigenlijk nooit weg uit mijn hoofd.’
Van de vele boeken die over haar grootvader zijn geschreven, staat boven aan Chroesjtsjova’s lijstje Khrushchev: The Man and His Era (2003) van de Amerikaanse politicoloog William Taubman, die met deze biografie vele prijzen won, onder meer in 2004 de Pulitzer. Chroesjtsjova’s moeder verleende uitgebreid medewerking aan dit boek; het is volgens haar een magnifieke beschrijving van het politieke machtsspel achter de schermen van het Kremlin, waar Chroesjtsjov handig tussendoor manoeuvreerde. ‘Ook wist Taubman officiële mythes rond zijn persoon, die tot op heden in Rusland gelden, door feitenonderzoek te ontrafelen.’
Taubman verklaart veel van Chroesjtsjovs onnavolgbare politieke blunders en diplomatieke risico’s uit zijn karakter. Het gangbare beeld is dat hij, opgegroeid als een onopgeleide zoon van Oekraïense boeren, een botte, impulsieve, platvloerse maar sluwe apparatsjik was. Dat was hij ook, maar de joviale kletsmajoor werd volgens Taubman telkens door zijn partijgenoten onderschat. Stalin vond hem amusant en had een groot zwak voor deze levendige en niet al te snuggere hondstrouwe volgeling. Hij zag hem niet als een bedreiging. Dat kwam mede doordat hij in lengte nóg kleiner was dan Stalin. Ze waren eerder als vader en zoon die het tijdens drankpartijen op Stalins datsja goed met elkaar konden vinden.
Ook tijdens de machtsstrijd die in het Kremlin uitbrak na Stalins dood hield niemand rekening met de ogenschijnlijk simpele Chroesjtsjov. Maar achter de façade van een onnozelaar met grove manieren school geslepen vastberadenheid. Eenmaal aan de macht stortte hij met zijn wispelturige aard de Sovjet-Unie in ondoordachte experimenten, onder meer in de landbouw en de consumptie-industrie, en bracht de wereld aan de rand van de afgrond.
Chroesjtsjov was heilig overtuigd van zijn eigen improvisatietalent, en daarmee bereikte hij de top. Zijn stijl was volgens Taubman bluffen en blaffen, en dan maar zien wat ervan kwam. Zo veroorzaakte hij met de Cuba-crisis bijna een nucleaire oorlog. De oplopende politieke crisis in Berlijn – inmiddels hadden drie miljoen Oost-Duitsers de DDR via Berlijn verlaten – loste hij diplomatiek op door in augustus 1961 DDR-leider Walter Ulbricht de opdracht te geven eerst Oost-Berlijn af te grendelen met prikkeldraad om te zien wat de Amerikanen zouden doen. Toen president Kennedy nauwelijks reageerde, werd het startschot gegeven om de Muur te bouwen. In zijn memoires laat Chroesjtsjov echter zien dat hij daar niet gelukkig mee was. Hij beschouwde het als een nederlaag.

TOCH ZAL NIKITA CHROESJTSJOV worden herinnerd als de man die in februari 1956 met zijn vier uur durende speech op het twintigste partijcongres de bijl zette in de tirannie van het stalinisme. Taubman noemt ook dit een ondoordachte actie met onbedoelde gevolgen. Moedig maar roekeloos. Het was een riskante strategie om zijn tegenstanders aan te pakken, terwijl hij zelf medeplichtig was geweest aan het aangeven en het laten executeren van partijgenoten en vrienden. Taubman stelt: ‘Chroesjtsjov was een boef met een geweten. En dat geweten ging opspelen, vooral toen na de dood van Stalin een aantal oude en vrijgelaten kameraden verhaal kwam halen. Zijn explosieve toespraak was het resultaat van berekening maar ook van wroeging.’ De gevolgen hiervan – de Hongaarse opstand – liet hij evenwel met harde hand terugdraaien, evenals de intellectuele liberalisering die in eigen land was ingezet. Hij zag in dat het een vergissing was om vrijheid te verenigen met de partijdictatuur.
Nina Chroesjtsjova zegt zuchtend: ‘Het beeld van een ongeleid projectiel, van malle Nikita, doet niet helemaal recht aan zijn persoonlijkheid. Hij was minder onnozel en lomp dan altijd wordt geschreven en hij was ook niet de cultuur- en intellectuelenhater die men van hem maakt. Hij hield wel degelijk van opera en literatuur, maar abstracte kunst was vreemd voor hem. Opgegroeid in de traditie van het platteland hield hij van plaatjes. Ik denk dat hij een gepassioneerd man was en dat zijn reacties zeker impulsief waren. Maar ook was hij de eerste publieke politicus die brak met zijn voorgangers. Hij was charmant, hield van mensen en maakte graag praatjes in het openbaar. In de jaren zestig leidde hij Rusland de modernisering in, door de consumptie te initiëren, het ruimtevaartprogramma te starten en de hele aardbol over te reizen. In de periode van dooi – tussen 1956 en 1964 – was er een culturele opleving, die door Brezjnev weer werd teruggedraaid. Ik zie hem vooral als een bijzondere man, die weliswaar een overtuigd communist was, maar die ook in gewetensnood kwam. Ik denk dat hij inzag dat het systeem niet rijp was voor democratisering.’
Ze geeft toe dat ze niet helemaal objectief kan zijn: ‘Ja, ook hij ging voor de absolute macht. De kus van de macht is dodelijk, zegt mijn moeder altijd. Toen hij met pensioen werd gestuurd, werd hij somber. Bij de Praagse inval in 1968 zei hij tegen mijn moeder: “Ze kunnen het niet laten, daar gaan ze weer.” Hij vond het schokkend dat het niet anders kon. Hij had ook moeite gehad met het gewelddadig neerslaan van de Hongaarse Opstand in 1956. Toen in 1989 de vrijheidsdrang in het hele Oostblok doorzette zijn we doodsbang geweest dat het weer zou worden opgelost met tanks. Dat dit niet gebeurde, vind ik tot op vandaag onvoorstelbaar. Ik heb tranen met tuiten gehuild toen ik op tv zag hoe de Berlijnse Muur in stukken werd gehakt door mijn Duitse generatiegenoten. Maar geloven dat het écht voorbij was, heeft lang geduurd. Ik wist niet wat echte vrijheid was.’
Echte vrijheid leerde ze voor het eerst kennen, vertelt ze, in het jaar dat Boris Jeltsin voor het Witte Huis in Moskou op een tank kroop om zich te verzetten tegen de coupplegers: ‘Ík gaf toen Russische les aan medewerkers van de Nederlandse ambassade, en de vrijheid die daar hing betekende voor mij een ontdekkingstocht naar mijn eigen openheid. Het was een raam naar een nieuwe wereld. Die tijd is heel belangrijk voor me geweest. Daarvoor zag ik buitenlanders als vreemden en voelde ik me tegenover hen klein en nederig. De examens voor Amerika deed ik in Den Haag. Nederland is mijn eerste liefde in de westerse wereld geweest. Ik behoor nu tot de gelukkige Russen die de kans hebben gekregen om in vrijheid te leven. Maar in mijn vaderland is de euforie van twintig jaar geleden al lang voorbij. Mijn moeder, die nog in Moskou woont, heeft zich erbij neergelegd dat ze niet zal meemaken dat Rusland echt verandert.’