Over oude wijn in nieuwe kenniszakken

Als jongetje zat ik ‘s avonds tegenover mijn vader aan één bureau. Ik maakte mijn huiswerk, hij blokte naast zijn baan op een cursus MO Engels. Hij zat iets naar rechts, ik naar links zodat we niet steeds tegen elkaars schenen schopten. Niks ontsnapte aan zijn aandacht, even wegdromen over verliefdheden, naar de top-40 luisteren of een spiekbriefje maken was er niet bij. Ik was blij dat mijn vader in één keer voor zijn examen slaagde. Een leven lang leren: ik bewaar er geen goede herinneringen aan.

Het is nu de belangrijkste aanbeveling van het presidium van het Kennisdebat. Een jaar lang heeft Nederland over kennis gediscussieerd op initiatief van de minister van Onderwijs Ritzen. Via publieksdebatten, een website, schoolbezoeken en een Kenniskrant hebben een kleine 150.000 mensen meegedaan. In het eindrapport Kennis maken met de toekomst zoekt het presidium een eigen rode draad in alles wat gezegd is. Doordat het debat alle kanten uitwaaierde en uiteindelijk ging over ‘hoe de Nederlandse samenleving er in de komende eeuw uit zal zien en zal moeten zien’ is het eindrapport een sociologische reflectie geworden op de 'kennissamenleving’. Een leesbare verhandeling over flexibilisering, infostress, employability en de rol van onderwijs in het leren samenleven in een multiculturele samenleving.
Vervolgens echter verzandt het rapport in trendy aanbevelingen. 'Een leven lang leren’ is oude wijn in nieuwe zakken, dat de kwaliteit van het onderwijspersoneel omhoog moet, is een open deur en de apocalyptische visioenen over kinderen die niet leren omgaan met computers zijn modieus. Zoals men zestig jaar geleden juichte als er een doos pennen en schriften de school in werd gedragen, mag er nu gejuicht worden bij de komst van computers. Niet meer en niet minder.
Maar het belangrijkste manco van het rapport is dat het volstrekt apolitiek is. Het is een glimmend verhaal over de 'kennissamenleving’, terwijl het debat moet gaan over de toegankelijkheid en spreiding van kennis. Het rapport constateert wel dat er sprake is van een tweedeling: het kennisgat tussen hoog- en laagopgeleiden, werkenden en werklozen, autochtonen en allochtonen wordt groter. Bepaalde groepen vallen blijvend uit de boot. In een samenleving waar meer dan ooit scholing en onderwijs bepalen of je tot de winnaars of de verliezers behoort, is het van des te groter belang uitvallers te voorkomen. Door hun roze bril zien de auteurs niet dat tegenover de kennissamenleving met vele hoogwaardige banen de dienstensamenleving staat met ongeschoolde banen zonder perspectief. Hoe voorkom je dat 'een leven lang scholing’ - een dure grap immers - alleen bereikbaar wordt voor die groep van (hoog opgeleide) werkenden? Het presidium van het Kennisdebat wil 'diep in onze nationale geldbuidel tasten’ voor een 'nationaal programma kennisinfrastructuur 21ste eeuw’. Zonder een visie op spreiding van kennis zal dat geld vooral ten goede komen aan de kanshebbers. Het woord is nu aan minister Ritzen, die met concrete voorstellen zal komen. Van een sociaal-democraat mogen we iets verwachten.