BIJ DE PRESENTATIE VAN HET WRR-RAPPORT ‘ONZEKERE VEILIGHEID’

Over risico’s en voorzorg

Welvaart anders definiëren, verantwoordelijkheid voor genomen risico’s anders toedelen, toezicht onafhankelijker en deskundiger maken en de moraal niet langer parkeren in een apart domein. Adviezen in een crisisweek.

TERWIJL MINISTER WOUTER Bos van Financiën vorige week in het diepste geheim de totale overname van Fortis Nederland en ABN Amro voorbereidde, onderwijl in het openbaar zijn begroting voor volgend jaar door de Tweede Kamer loodsend, hield de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) aan de andere kant van de Hofvijver een feestelijke bijeenkomst. Na een kleine vier jaar studie kon een bijna tweehonderd pagina’s tellend rapport worden overhandigd aan het kabinet.
Dat het feestje in het voormalige ABN-kantoor werd gehouden, was toeval. Dat het nieuwste rapport van de raad gaat over risico’s, toezicht en verantwoordelijkheid bij schade was zo mogelijk een nog groter toeval. Wie had vier jaar geleden kunnen voorzien dat de kredietcrisis zou uitbreken als juist dit rapport met de titel Onzekere veiligheid het licht moest zien.
Niet dat het WRR-rapport gaat over de financiële wereld, de risico’s die daar genomen zijn, het toezicht erop en de vraag wie er verantwoordelijk is nu het fout loopt. De studie gaat over risico’s voor onze fysieke veiligheid, het gevaar dat we lopen als er wordt geëxperimenteerd met nieuwe technieken, processen en producten in een steeds complexere en kleinere wereld. Maar de parallellen drongen zich tijdens de paneldiscussie en het lezen van de studie onweerstaanbaar op.

Afgelopen week zei minister Bos tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen dat er bij banken ‘jarenlang zaken zijn verkocht die niemand snapt’. Hij haalde daarvoor Cees Maas aan, voormalig lid van de raad van bestuur bij ING, die afgelopen zomer in NRC Handelsblad woorden van gelijke strekking uitte en daaraan toevoegde: ‘Het ging zo goed in de wereld, we deden zo graag mee, met meer omzet, meer winst, dat we het risicomanagement hebben laten verslappen.’ Dat we sloeg op de bankwereld.
De WRR pleit er in zijn jongste rapport voor om voortaan het voorzorgprincipe uitgangspunt te laten zijn bij het bepalen van risico’s en de daaraan gekoppelde verantwoordelijkheid bij eventuele schade. De raad vindt dat ‘de kwetsbaarheid van mensen, samenleving en natuurlijke omgeving een proactieve omgang met onzekerheden vergt’. Dus niet meer de kat uit de boom kijken, maar actief op zoek gaan naar potentiële risico’s, want – zo schrijft de raad – we opereren in een kwetsbare wereld die we slechts ten dele kennen. Vrij vertaald naar de financiële wereld betekent dit dat als het voorzorgprincipe geldt een bankier niet meer kan zeggen dat hij de risico’s van allerlei financiële constructies niet kent, omdat hij die constructies niet snapt, en vervolgens zijn verantwoordelijkheid kan ontlopen als het als gevolg van die constructies wereldwijd fout loopt, zoals nu wél het geval is.
Misschien is het vanwege deze kijk op verantwoordelijkheid geen gek idee als het WRR-rapport ook terechtkomt op het bureau van de ambtenaren op het ministerie van Financiën die zich nu buigen over maatregelen om crises als de huidige in de toekomst te voorkomen. Het voorzorgprincipe waarvoor de WRR pleit, kan mogelijk voorkomen dat er dikke boekwerken vol regels en verboden over specifieke financiële constructies worden opgesteld en bankiers vervolgens weer op zoek gaan naar nieuwe constructies die niet onder die regels vallen, maar wél opnieuw onoverzienbare risico’s met zich meedragen.
Toezicht, zo benadrukt de WRR, blijft ook onder het voorzorgprincipe belangrijk. Door de opmerkingen van Bos en oud-ING-bestuurder Maas doemt de vraag op hoe het kon bestaan dat vele toezichthouders, wereldwijd, die ondoorzichtige financiële constructies hebben toegelaten. Uit uitlatingen van minister Bos valt op te maken dat ook de toezichthouders in het duister tastten als het over de waarde en risico’s van die constructies ging. De directeur van De Nederlandsche Bank, Nout Wellink, zei echter afgelopen zondag in het televisieprogramma Buitenhof dat er wél inzicht was in de producten, maar niet in de impact ervan als de buitenwereld veranderde.

Het WRR-rapport helpt bij het ontlopen van een eindeloze discussie over de vraag wie van de twee heren in dezen gelijk heeft dan wel de waarheid spreekt. Een toezichthouder die inziet dat nieuwe producten of processen zo complex zijn dat de risico’s niet zijn te schatten, kan deze verbieden als het voorzorgprincipe geldt. Bij het actief onderzoeken van onzekerheden, zoals de WRR bepleit, door bankiers én toezichthouders moet dan ook ‘de veranderde buitenwereld’ van Wellink worden betrokken. Het risico bepalen van de nu gewraakte subprime hypotheken en de daaraan gekoppelde ondoorzichtige financiële constructies zonder daarin mee te nemen dat de huizenprijzen kunnen dalen en de lawine aan reacties die dat teweeg kan brengen, is dan onvoldoende. Zo dat overigens nu ook al niet het geval was.
Het hanteren van het voorzorgprincipe vereist wel kennis en onafhankelijkheid bij de toezichthouders, benadrukt de WRR. Weliswaar ging het in de paneldiscussie over het WRR-rapport niet over financiële toezichthouders, maar de opmerkingen die er werden gemaakt over toezichthouders en inspecties waren er niet minder zorgelijk om. Zo zei professor Ferdinand Mertens, lid van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, dat toezichthouders eenvoudige handhavers dreigen te worden, omdat hun deskundigheid afneemt, evenals hun aantal. De opsteller van het WRR-rapport, professor Gerard de Vries, voegde daar zijn zorgen over de onafhankelijkheid van de wetenschap aan toe. Oftewel: hoe betrouwbaar is een onderzoek als dat door het bedrijfsleven is betaald. Er werd zelfs opgemerkt dat je als wetenschapper niet meetelt als je geen contacten met het bedrijfsleven hebt.
Tel de zorgen van de twee professoren bij elkaar op en je komt uit bij toezichthoudende instanties die met steeds minder mensen steeds ingewikkelder processen en producten moeten beoordelen, en daarbij voor hun kennis afhankelijk zijn van wetenschappers die mogelijk met inzichten en resultaten komen die vooral zijn ingegeven door de belangen van degenen die hen betalen. Hoe weten we of dit in de wereld van het geld niet ook het geval is?
Die vraag kwam niet aan de orde bij de WRR. Zoals ook niet direct werd gevraagd hoe het dan zit met de moraal van bijvoorbeeld zo’n wetenschapper die een dubbele pet op heeft. Maar het antwoord op die niet gestelde vragen kwam toch: de moraal zit in een ander domein. Ook dit was een opmerking die zich moeiteloos liet overvliegen naar de kredietcrisis. Hoe krijg je aandacht voor de kwetsbaarheid van mens, samenleving en natuurlijke omgeving, zoals de WRR bepleit, als winst, geld en kortetermijneigenbelang de boventoon spelen en moraal wordt gezien als behorend tot een ander domein, dat van filosofen en ethici?
Twee dagen na het WRR-feestje gaf econoom Arnold Heertje zijn antwoord op die vraag: door de kredietcrisis. Die crisis is een feest, een godsgeschenk, begon Heertje zijn lezing tijdens een bijeenkomst die was georganiseerd door het Haags Milieu Centrum en de plaatselijke Kamer van Koophandel. De gebleken kwetsbaarheid van ons financiële systeem zal volgens Heertje leiden tot bezinning. Hij denkt dat hierdoor het besef zal toenemen dat economische groei niet alleen zit in nog meer koopkracht voor de aanschaf van nog meer consumptieartikelen, dat welvaart meer is dan een tweede auto, derde huis of vijfde vakantie.
De kredietcrisis legt volgens Heertje bloot dat we ook een morele crisis en daarmee een politieke crisis doormaken: we worden nu geconfronteerd met de gevolgen van de risico’s die we hebben genomen door alleen te kijken naar onze eigen materiële behoeftebevrediging en niet naar die van de generaties die na ons komen. Om de opmerking van de WRR-bijeenkomst te herhalen: de moraal zat in een ander domein.
Schone lucht, open ruimte, stilte, natuur, het zijn allemaal zaken die in de opvatting van Heertje niet buiten de economie vallen, maar erbinnen. Hij vindt dat dit soort schaarse zaken moeten meetellen als we het over welvaart hebben, omdat ze dreigen te verdwijnen als de mens nu niet ingrijpt. Net als de WRR zet Heertje kwetsbaarheid voorop.
Waarom is de kredietcrisis dan een feest? Omdat we volgens Heertje het geld dat we nu niet durven uit te geven aan een nieuwe auto, een verre reis of een ander huis, kunnen investeren in de ontwikkeling van elektrische auto’s, duurzame energie of duurzame woningen. Geld blijkt er immers genoeg te zijn, zie al het spaargeld dat zich een veilige weg zoekt.
De vraag is wel: hoe coördineer je dat, zodat we niet toch voor het eigen flitsgewin blijven gaan in plaats van voor duurzaamheid? Of, zoals de WRR zich afvraagt: hoe zorg je ervoor dat ondernemingen grote risico’s voor de fysieke veiligheid niet afwentelen op de gemeenschap? Zowel Heertje als de WRR komt uit bij de overheid, nationaal of internationaal, en dus uiteindelijk bij de politiek. Want anders moeten we Onze Lieve Heer aanstellen als toezichthouder, zoals bankdirecteur Wellink zondag in Buitenhof zei.