Opheffer

Over schnabbelen

Zielig hè voor Paul. Voor Paul Witteman, bedoel ik. Die komt nu thuis (bij zijn «jonge vriendin», lees ik voortdurend in de krant) en moet dan thuis blijven, want hij gaat niet meer op de schnabbeltour.

Die schnabbeltour, zo heb ik weer elders gelezen, deed hij vaak samen met zijn vriend Marcel van Dam. Voor zo’n acht- a tienduizend euro’s de man speelden ze met universiteiten en bedrijven Het Lagerhuis.

Soms deed Paul ook voorzittertje spelen, en soms ook interviewertje.

Ik zeg in alle eerlijkheid dat ik dit ook in mijn leven vijf keer heb gedaan. Daarna dacht ik: dit nooit meer. Niet dat ik er niet goed in was – ik was heel erg leuk – maar ik vond het weerzinwekkend werk.

«Aan tafel de directeur van dit bedrijf de heer Corduwener, de heer Van Asperen, u bent chef buitenland acquisities, en mevrouw Eggink-De Boer van personeelszaken en Hans Toffel die voorman is. Heren welkom. Dit bedrijf is een familiebedrijf. Mijnheer Corduwener, de eerste vraag is aan u: waarom bent u geen familie?»

Het was verschrikkelijk. En het schoot maar niet op. Na afloop zag ik vaak een Heel Bekende Zangeres in de coulissen staan die zelfs nog een lied op het bedrijf had gemaakt. Ook heb ik op drie van deze avonden leuke cabaretiers (stand-up comedians) mogen aankondigen, die zo slim waren om speciaal voor deze avond slappe extra grappen op het bedrijf en de directeur te maken. «Ik kom in de gang de heer Corduwener tegen. Hij zegt tegen mij: wat maak jij hier? Ik zeg: ik maak dat ik wegkom, mijnheer Corduwener.»

Later werd er drieduizend euro op mijn gironummer overgemaakt.

Toen ik pas bij De Groene Amsterdammer werkte, kreeg ik voor deze column niets betaald. Daarentegen zorgde Martin van Amerongen voor mij voor schnabbels. Vaak waren dat optredens waar hij zelf geen zin in had.

Dus kom ik ook een keer bij een kleine firma waar ze cd’s maakten om een vergadering/lezing te leiden die ging over «copyrights». Het leek me een heel interessant onderwerp. Ter voorbereiding had ik me door een bevriende advocaat in Amsterdam goed laten voorlichten, zodat ik fijne stekelige vragen kon stellen.

Eenmaal gearriveerd bleek iedereen erg teleurgesteld dat Martin van Amerongen niet kon komen. Ze waren ook heus wel blij met mij, maar toch… Dit keer kon ik zelfs het geld (vierhonderd gulden) vooraf krijgen, wat ik graag aannam. Ik ging aan een grote tafel zitten en iedereen bleek elkaar te kennen. Op die tafel stond allemaal apparatuur als cd-spelers en geluidsboxen waarvan ik aannam dat die bij een lezing gebruikt zou worden. Er werd vriendelijk geknikt en naar mij geluisterd, en toen ik mijn eerste vraag had gesteld («Waar begint plagiaat en houdt het citaat eigenlijk op?») stak een man zijn vinger op en zei: «Ik geloof niet dat dit echt de bedoeling is, mijnheer Opheffer.»

«Wat moet ik dan doen?» vroeg ik dociel.

«Met mijnheer Van Amerongen spelen we altijd Discotabel. Hij laat ons muziek horen, en dan gaan we erover praten… Met een borreltje… Een oude genever… Want daar houdt mijnheer Van Amerongen van.»

Ik vervloekte mijn goede vriend Martin binnensmonds, want die had mij gezegd: «Ach, je maakt gewoon wat slimme opmerkingen en iedereen is tevreden.»

Flexibel als ik was, schakelde ik meteen om. Dat ik alles weet van Beatles, Stones, Bob Dylan en Frank Zappa en niets van Beethoven, Mozart en Schubert verzweeg ik, en meteen zette ik een cd op, wat toevallig een cellosuite van Bach was, gespeeld door een of andere spleetoog. «En wat vinden we hiervan?» vroeg ik.

«Nee, u moet zeggen wat u ervan vindt, dit zijn onze producten en nu moet u zeggen wat u ervan vindt, mijnheer Opheffer.»

Ik kreeg het door. Maar wat vond ik ervan? Misschien lieten ze me wel bagger horen. Ik voelde me zeer beroerd. «Ik begrijp waar hij heen wil, maar volgens bereikt hij dat maar soms», zei ik. En ik lette goed op de gezichten. Na drie adagio’s en twee keer Prokovjef had ik de truc door: afbreken wat onbelangrijk is en tegelijkertijd bewonderen wat mogelijkerwijs commercieel interessant is. Dus: «Ik hou van de dirigent en deze componist, maar ik vind de keuze wat saai.»

«Heerlijk gespeeld, heerlijke muziek, maar waarom alleen het langzame gedeelte en niet het hele concert?»

«Wat Yo Yo Mah ook doet, het is altijd goed… Dat heet talent… Maar ik vraag me wel eens af, hier ook, doet hij niet te veel…»

«Wie ben ik om deze opname van Haitink aan te vallen, en deze opname is geweldig, maar ik denk toch, meer uit heimwee en chauvinisme dan op basis van mijn muzikale oor: Haitink, was toch in Amsterdam gebleven…»

Iedereen was na afloop tevreden. Ik had een natte rug.

Ik wilde zo mijn geld niet verdienen, hoe heerlijk die guldens ook waren. Ik kon het niet.

Jaren later kreeg ik enige landelijke bekendheid door een televisieprogramma dat ik presenteerde. En meteen werd ik voor van alles en nog wat uitgenodigd. Ik heb niks aangenomen.

Zou mijn journalistieke integriteit zijn aangetast? Absoluut. Dat kan niet anders. Ik ben daar een te grote slijmbal voor, en eigenlijk is iedereen dat die bij de televisie werkt. Als je geen slijmbal bent en niet over een slappe ruggengraat beschikt, heb je namelijk bij televisie niets te zoeken. Daarom geloof ik al die tv-journalisten niet die schnabbelen en beweren dat dat geen invloed heeft. Natuurlijk wel. Iedereen ziet dat je een omkoopbare slapjanus bent. En dat blijkt nu ook weer. Als Paul Witteman werkelijk een ruggengraat had gehad, dan zou hij rustig zijn blijven doorgaan met schnabbelen. Immers, het had toch geen invloed op hem? Waarom dan nu wel?