De jongen die zelf dreigt te vallen

Over The catcher in the rye

The Catcher in the Rye is het coming of age-verhaal van de picareske Holden Caulfield die als zeventienjarige inrichtingspatiënt terugkijkt op zijn rampzalige schoolcarrière en gehavende familie.

Medium graa

Het zou een heel goed idee zijn om voortaan alle romans zo sober mogelijk op de markt te brengen, dus zonder misleidende flaptekst, auteursfoto, biografietje en smakelijke voorkant. De naam van de schrijver en de titel van zijn boek voldoen. De tekst ín het boek doet het werk. De Penguin Modern Classic die ik op 5 augustus 1976 in Londen van J.D. Salingers The Catcher in the Rye (1951) kocht, is zilverkleurig en zo simpel uitgegeven als ik zojuist geschetst heb. Dat wilde Salinger graag. De kluizenaar, wonend in een huis ergens in het bosrijke New Hampshire, was publiciteitsschuw en wenste onzichtbaar te blijven. Groot gelijk had hij. Lees mijn roman, oordeel zelf en zeur verder niet. Is The Catcher in the Rye ruim een halve eeuw later nog een roman met zeggingskracht of is Salingers naoorlogse aanklacht tegen de hypocrisie van de volwassen wereld achterhaald? Moeten we The Catcher in the Rye anno 2008 wel lezen als een schelmenroman of is er een andere leesmogelijkheid? The Catcher in de Rye – dat in het Nederlands werd vertaald als Eenzame zwerftocht (1955), Puber (1958), De kinderredder van New York (1967), De vanger in het koren (1967) en De vanger in het graan (1989), is het coming of age-verhaal van de picareske Holden Caulfield. Hij kijkt als zeventienjarige inrichtingspatiënt in Californië al schrijvend terug op zijn rampzalige schoolcarrière en op zijn gehavende familie. De schijnbaar achteloze bravouretoon waarmee Caulfield zijn relaas optuigt (‘Dat was ik vergeten te vertellen. Ik was van school getrapt.’) vermengt hij met machteloze boosheid. Zijn geschiedenisleraar op de dure Pennsylvaniaanse kostschool legt hem uit dat het leven een spel is dat je volgens vaste regels moet spelen. ‘Me reet’ is Caulfields stilzwijgende reactie. Die toon getuigt van veel meer dan jeugdige opstandigheid. Er spreekt woede uit, die hij verbergt. Via zijn protagonist speelt Salinger met de verwachtingspatronen van de lezer die is opgegroeid met het dickensiaanse realisme en de naturalistische mode. Verwacht geen sentimenteel David Copperfield-gedoe, en ook niet ‘my whole goddam autobiography or anything’. Het geklets over een ellendige jeugd verveelt immers snel. Bovendien wil Caulfield, geestelijk aan de grond maar niet gek, zijn zeer gevoelige ouders sparen. Hij ontloopt ze systematisch. Vaders zijn altijd afwezig, moeders ‘allemaal een beetje getikt’. De lezer zal zelf uit het verhaal, dat zich afspeelt aan de vooravond van een ijskoude kerst, die verstrooide elementen moeten plukken die Caulfields crisis min of meer verklaren.

Wat langzaam maar zeker duidelijk wordt, is dat de depressieve en drankzuchtige schlemiel Holden Caulfield een trauma heeft opgelopen en omringd wordt door schijndoden en door echte doden die niet dood hadden mogen gaan. Na het opgelopen verlies is Caulfield niet goed opgevangen: niet door zijn ouders, die hun handen vol hebben aan zichzelf, en ook niet door welke school dan ook. Alleen Phoebe, zijn vroegwijze zusje en New Yorks orakel, heeft een luisterend oor en een steunende stem. Wie zijn Caulfields doden dan? In de eerste plaats is dat broer Addie, op 18 juli 1946 gestorven aan leukemie. Caulfield koestert diens linkerhonkbalhandschoen, waarop hij met groene inkt gedichten had geschreven. ‘Dat had hij gedaan om iets te lezen te hebben als hij in het verre veld stond en er niemand aan slag was.’ Caulfield schrijft, als zogenaamde vriendendienst op de valreep, een opstel over Addie’s handschoen. Taal blijkt niet alleen drijfzand in het contact met anderen – de roman bestaat uit een reeks ontmoetingen met ‘nepfiguren’ en een paar met oprechte mensen – maar ook een houvast in een omgeving die hem ontglipt, een omgeving die hem niet meer kan velen. Jane Gallagher is de enige jongedame aan wie hij de handschoen laat zien, maar hoewel hij vaak met respect aan haar denkt_,_ neemt hij geen contact met haar op. Hij zoekt het gezelschap van ‘een dikke schijnheilige zak’ die hem onvolwassen gedrag verwijt en gaat met de ‘enorme trut’ naar een saai toneelstuk.

De andere dode is de scholier James Castle, die werd getreiterd door medescholieren en uit het raam sprong. ‘Hij had een coltrui aan die hij van mij had geleend. De gozers die op zijn kamer waren geweest, werden alleen maar van school gestuurd.’ Caulfields ex-leraar Antolini tilde de dode Castle op (‘zijn tanden en zijn bloed waren alle kanten opgespat’). En het is die gewaardeerde leraar die hij aan het slot van The Catcher in the Rye bezoekt. Maar ook hij lijkt een verrader, omdat hij met Caulfields vader heeft gesproken en omdat hij toenadering zoekt die de seksueel bangelijke Caulfield verkeerd interpreteert. Antolini heeft het over een afschuwelijke val waarin Caulfield dreigt te lopen of waarnaar hij op weg is. ‘Het is de man die valt niet toegestaan om te voelen of te horen dat hij neerkomt. Hij blijft gewoon maar doorvallen.’ Degenen die dreigen te vallen hebben het zoeken opgegeven voordat ze echt waren begonnen, zoals Holden Caulfield.

Het vallen is het kernbeeld van The Catcher in the Rye. In een droom die hij midden in de nacht thuis aan Phoebe vertelt (zij vraagt hem wat hij wil worden), ziet Caulfield zich aan de rand van een afgrond staan. Duizenden kinderen spelen een onduidelijk spel in een groot graanveld en het is zijn taak om de afgedwaalde kinderen die richting afgrond rennen op te vangen. Een onmogelijke opgave. De jongen die zelf dreigt te vallen, wil andere kinderen voor eenzelfde val behoeden.

Holden Caulfield ziet een jongen uit een gezin dat pas uit de kerk is, vlak langs de stoeprand lopen en ‘Als je iemand, zomaar iemand, vangt in ’t graan’ neuriën. Veel later in de roman wordt hij die jongen zelf als hij op Fifth Avenue loopt en hij merkt dat hij nooit de overkant zal halen als hij van de stoeprand stapt. ‘Ik dacht dat ik alleen maar omlaag, alleen maar omlaag zou gaan, en dat niemand me ooit nog zou zien.’ The Catcher in the Rye is een roman over de angst voor het verdwijnen, voor de starheid. In de inrichting maakt Caulfield een pas op de plaats en reconstrueert hij zijn wanhopige acties in de dagen vlak voor Kerstmis. Hij steekt nog niet over, hij stelt uit, hij ziet wel, hij schrijft zoals zijn dode broer Addie op de honkbalhandschoen schreef. Het kind in hem is nog niet gevallen en monddood gemaakt door een ijskoude omgeving. Misschien is Caulfield wel een van die eenden in de vijver van Central Park South waardoor hij zo gefascineerd is. Waar te blijven als die vijver dichtvriest? Dat blijft een intrigerende vraag in dit kerstpel voor Amerikanen en andere kinderen.