De nieuwe megastad: Bogotá

Over tien jaar een normale stad

Twintig jaar geleden behoorde de Colombiaanse hoofdstad Bogotá tot de ‘meest hopeloze steden ter wereld’. Anno 2012 gaat het beter, mede dankzij enkele non-conformistische burgemeesters.

Medium rdh 2008 01 22 mg 4581

Ciudad Bolívar, een uur rijden ten zuiden van het centrum van de Colombiaanse hoofdstad. Carmen Piñeda, een 36-jarige moeder van drie kinderen, toont haar eenvoudige huisje, gebouwd op een steile helling, op bijna drieduizend meter hoogte, alleen bereikbaar via een smal modderpad. ‘Ik kwam in 2003 met mijn gezin naar Bogotá’, vertelt Piñeda. ‘We moesten vluchten uit Florian, ons dorp in het noorden van het land. We werden van alle kanten aangevallen, door de paramilitairen die onze grond wilden en door de guerrilleros van de farc en de eln. We moesten zo snel mogelijk weg, we lieten onze boerderij met alles wat we hadden achter. Het Rode Kruis bracht ons naar Bogotá.’

Inmiddels woont het gezin Piñeda in een piepklein maar keurig gemetseld huisje met een golfplaten dak. De woonkamer met minikeukentje grenst aan twee kleine slaapkamers. Tientallen parkieten kwetteren in een volière. Buiten blaffen honden. De thuisbasis van de familie Piñeda staat in een eindeloze zee van andere hutjes, opgetrokken uit rode bakstenen, planken, stukken plastic en golfplaten. Het zijn tienduizenden, honderdduizenden kleine, illegale bouwsels op de koude, vochtige berghellingen van de Zuid-Amerikaanse Andes. Ciudad Bolívar is een eindeloze sloppenwijk, waar de gemiddelde inwoner van Bogotá nooit zal komen. Het maakt deel uit van wat de Amerikaanse stadssocioloog Mike Davis ‘the planet of slums’ noemt. Nu al wonen er wereldwijd meer dan een miljard mensen in wijken als Ciudad Bolívar. Volgens Davis groeit dit aantal sloppenwijkbewoners de komende decennia met meerdere miljarden.

Veel bewoners van Ciudad Bolívar zijn alleenstaande jonge moeders, met vier, vijf, zes kinderen. Soms werken ze als huishoudhulp in de ‘betere’ wijken in het noorden van Bogotá. Als ze geluk hebben, is de vader van hun kinderen er nog niet met een ander vandoor en heeft hij een baantje in de beveiliging, of daalt hij ’s nachts met een handkar de hellingen van Ciudad Bolívar af naar de welvarende woonwijken, waar hij de vuilniszakken van de Colombiaanse hoofdstad op plastic, metaal en oud papier doorzoekt.

Miljoenen Colombianen vluchtten de afgelopen decennia voor het geweld op het platteland. Ze kwamen terecht in sloppenwijken als Ciudad Bolívar. Hier woont de zogenaamde estrato 0, de laagste sociale klasse in Colombia. Hier is de invloed van de staat gering, hier maken drugsbendes de dienst uit. Veel bewoners van Ciudad Bolívar hebben geen stromend water, geen elektriciteit, geen toilet. Ze koken op gasflessen, die ze op de pof betalen. De inwoners hebben moeite om maandelijks vijftigduizend pesos (22 euro) aan huur op te brengen.

Carmen Piñeda herinnert zich nog hoe ze destijds in Bogotá aankwam: ‘Het Rode Kruis bracht me met mijn man en onze twee kinderen naar een opvanghuis. Ik was hoogzwanger van een derde. Iemand gaf ons twintigduizend pesos en zei: “Neem de bus naar Ciudad Bolívar, daar gaan veel mensen naartoe die nieuw in de stad zijn.” Ik weet nog dat we hier aankwamen. We zaten ergens op een trap en ik moest huilen. We hadden honger, het was koud en we hadden geen plek om te slapen. Een vrouw hielp ons, ze legde uit hoe je afval kon verzamelen om het door te verkopen. We betaalden haar een beetje en konden bij haar slapen. Daarna ontdekten we dit stuk land. We betalen nu elke maand honderdduizend pesos aan de eigenaar van de grond en nu kunnen we hier blijven. De eerste jaren hebben we geen huis gebouwd, omdat we ervan uitgingen dat we terug zouden keren naar onze geboortegrond. Iemand uit ons dorp is daadwerkelijk terug­gegaan. De paramilitairen gaven hem twee maanden om opnieuw te vertrekken; ze wilden geen terugkeerders. Hij bleef. Vervolgens werd hij afgeslacht. Sindsdien weten we dat we echt niet meer terug kunnen. Maar hier hebben we hoop. Onze oudste zoon wil naar de universiteit. Hij wil een beurs aanvragen, we zijn al bij de ambassades van Argentinië en Cuba geweest om daar te gaan studeren. Hij wil ingenieur worden. Ik hoop dat het lukt.’

Colombia is een land met een van de grootste ongelijkheden qua inkomensverdeling ter wereld. Terwijl het gezin Piñeda om elke peso moet vechten, heeft Diego Restrepo in het exclusieve noorden van Bogotá andere problemen. De boomlange ambassadeurszoon behoort tot de typische rijke bovenlaag van de Colombiaanse maatschappij. Restrepo bezit meerdere winkelcentra in de vier grootste steden van het land en vliegt gewoonlijk naar zijn afspraken. Voor hem is de verkeerssituatie in de hoofdstad een van de grootste ergernissen: ‘De infrastructuur is een ramp. We kunnen in Bogotá geen kant op, ook niet met de woningbouw. De hele vallei is volgebouwd. Bogotá is een van de dichtst bevolkte steden van Latijns-Amerika. Daardoor zijn de prijzen voor onroerend goed hier absurd hoog.’

Restrepo heeft waarschijnlijk meer gemeen met de gemiddelde academicus in de Amsterdamse grachtengordel dan met Carmen Piñeda uit Ciudad Bolívar. Hij woont samen met zijn vrouw en hun drie kinderen in een exclusieve, gesloten wooneenheid. Terwijl zijn vrouw de worstjes serveert die Restrepo een week eerder tijdens een zakenreis in de Verenigde Staten kocht, brengt de huishoudelijke hulp in sneeuwwitte bediensterskleding de drie koters naar bed. De kinderen gaan naar een Amerikaanse privé-school. Moeder liet haar jongste kind bewust in een privé-kliniek in Miami ter wereld komen, omdat het daardoor automatisch ook de Amerikaanse nationaliteit heeft.

Rijke Colombianen zoals de Restrepo’s wonen bij voorkeur in steriel aandoende, onpersoonlijke, op vijfsterrenhotels lijkende appartementen met beneden bij de liften een bewapende portier. Nabij de exclusieve appartementen liggen achter vijf meter hoge muren de ambassades. Op loopafstand bevindt zich de Zona Rosa, een uitgaanswijk waar restaurants, sjieke discotheken, verrassend Britse architectuur en luxe shopping malls afleiding bieden aan de welverzorgde blanke bovenlaag van Bogotá. Dit deel van de stad is letterlijk mijlenver verwijderd van Ciudad Bolívar.

Terwijl het de inwoners van het rijke noorden van Bogotá goed gaat, lijkt ook de situatie in sloppenwijken als Ciudad Bolívar zich licht te verbeteren. De macht van de guerrillagroepen is in het afgelopen decennium teruggedrongen. Her en der bouwt het stadsbestuur scholen. Dat was enkele jaren geleden anders. Bogotá bereikte haar dieptepunt ergens in de eerste helft van de jaren negentig. Het was de tijd dat de Colombiaanse drugskartels hun strijd openlijk op straat uitvochten in de grote steden. Het stadsbestuur was door en door corrupt; niets functioneerde. Bergen afval hoopten zich op langs de trottoirs. Het was tevens de tijd dat de guerrilleros van de farc en de eln hun hoogtijdagen beleefden. In de jaren negentig waren ze zo sterk dat ze met hun tienduizenden gewapende strijders letterlijk de Colombiaanse staat bedreigden. De farc was de hoofdstad tot aan de rand genaderd; ze had delen van de sloppenwijken onder controle, ze beheerste de bergketens rondom de stad. Aanslagen in de hoofdstad waren aan de orde van de dag. Bogotá was een stad zonder hoop.

Het precieze moment van ommekeer was misschien wel de campagne om het burgemeesterschap van Bogotá in 1994. In dat jaar voerde ene Enrique Peñalosa campagne. Zijn tegenkandidaten bestreden elkaar tijdens meerdere debatten, maar Peñalosa deed niet mee. De reden: hij voerde campagne op straat. Terwijl de andere kandidaten elkaar met modder begooiden, deelde Peñalosa folders uit in stadsbussen en sprak hij met de burgers van de stad. Zoiets was in Bogotá nog nooit eerder vertoond. Peñalosa’s populariteit steeg snel, en alles duidde erop dat hij de nieuwe burgemeester zou worden. Totdat de rector van de universiteit van Bogotá, Antanas Mockus, op het toneel verscheen. Mockus, zoon van Litouwse immigranten, wiskundige en filosoof, type verstrooide professor met baard, had het begin jaren negentig zwaar te verduren met de radicale studenten op zijn universiteit, die regelmatig gewelddadige acties uitvoerden.

Op een dag, tijdens een demonstratie in de aula, kwam Mockus niet boven het rumoer van de tweeduizend studenten uit. Ten einde raad deed Mockus het onmogelijke: staand op het podium liet hij de broek van zijn dure pak zakken, draaide zich om, bukte naar voren, en toonde zijn billen aan het studerende volk. Niet lang daarna nam Mockus met een betraand gezicht ontslag. Volgens Mockus hadden de studenten met zijn witte achterwerk echter wel ‘de kleur van vrede’ gezien. Na het ontslag van Mockus gebeurde er iets opmerkelijks: met zijn onorthodoxe actie had hij op wonderbaarlijke wijze het respect van de Colombianen gewonnen. In enquêtes noemden mensen opeens ‘die gek Mockus’ als kanshebber voor de post van burgemeester. Hij besloot aan de verkiezingen mee te doen. De intellectueel voerde vervolgens campagne in een rood en geel Superman-pak.

Mockus won de verkiezingen en de rest is geschiedenis. Waarschijnlijk zijn grootste verdienste als burgemeester was dat het hem lukte om de Bogotanos binnen enkele jaren weer vertrouwen in de toekomst te geven. Tegenwoordig is hij president van de stichting Visionarios por Colombia. Anno 2012 is hij slechts een schim van de man die hij een jaar of vijftien eerder was. De belangrijkste reden: de zestigjarige Mockus lijdt sinds enkele jaren aan Parkinson. Dat is ook de reden waarom hij in 2010, tijdens de presidentsverkiezingen, ‘slechts’ 28 procent van de stemmen kreeg, als kandidaat van de Colombiaanse Groenen, en daarmee de presidentsverkiezingen tegen Juan Manuel Santos verloor.

Medium rdh 2012 05 30 mg 5794

Hoewel Mockus tegenwoordig een zwakke indruk maakt, heeft hij nog steeds genoeg ideeën voor Colombia. ‘Colombianen hebben te weinig respect voor het proces’, vertelt hij in zijn kantoor in het centrum van Bogotá. ‘Het maakt vele Colombianen niet uit hoe ze hun doel bereiken, als het maar lukt. Dat gaat dan vaak met geweld gepaard. Dat willen we veranderen.’ Mockus streeft dan ook een andere burgercultuur na: ‘We moeten mensen meer tijdens besluitvormingsprocessen meenemen.’ Wanneer hij terugkijkt naar zijn eerste burgemeesterschap van 1995 tot 1997 herinnert hij zich Bogotá als ‘een grijze stad zonder hoop’. ‘In die tijd was corruptie alomtegenwoordig’, vertelt hij. ‘Mensen vroegen hardop of een rekening met of zonder btw opgesteld moest worden. Het was de norm. Mensen vroegen constant om voordeeltjes, om iemand een plezier te doen, in plaats van dat mensen iets kregen omdat ze er recht op hadden. Overal heerste cliëntelisme. Ik heb daar een einde aan gemaakt. Ik heb ervoor gezorgd dat er respect voor de publieke gelden kwam. Ik heb ook de gemeentelijke belastingen verhoogd. Maar liefst 63.000 families hebben zelfs vrijwillig tien procent meer belasting betaald.’

Mockus zette zich verder in voor een andere ‘cultuur’ in het waanzinnige verkeer in Bogotá. Om deze doelstelling te bereiken, huurde hij animateurs in om tijdens de spits op drukke kruispunten de mensen te vermaken. Verder liet hij rode en groene kaarten met daarop een duim onder de autobestuurders verdelen. Bij agressief rijgedrag van andere bestuurders kon je een rode kaart met een duim omlaag tonen; bij goed gedrag een groene kaart met een duim omhoog. Uiteindelijk daalde het aantal verkeersdoden tijdens zijn burgemeesterschap met 34 procent.

Ricardo Montezuma, een van Colombia’s bekendste urbanisten, looft het vooruitstrevende burgemeesterschap van Mockus. ‘Hij had een groot verantwoordelijksgevoel wat betreft het gemeentebudget’, meent Montezuma. Hij kijkt constant op zijn horloge, bang als hij is om zijn vlucht naar Parijs te missen, waar hij op een congres over de ontwikkelingen in Bogotá spreekt. ‘Geld is in principe ook niet het probleem voor Bogotá, we zijn geen arme stad. We hebben een olie_boom,_ een mijnbouw_boom,_ de economie groeit met vijf procent per jaar en dat geldt ook voor Bogotá. Als we tien jaar lang al het geld dat we binnenkrijgen goed investeren, zijn we qua infrastructuur klaar in de hoofdstad.’

Volgens Montezuma is een van de grootste problemen voor Bogotá dat er geen visie voor de lange termijn is. ‘Wanneer er een nieuwe burgemeester komt, maakt hij een plan voor de komende vier jaar en dat was dat. Er bestaat geen ontwikkelingsplan voor de metropolitane regio van Bogotá. Terwijl in de jaren zestig en zeventig de stad explodeerde door de trek naar Bogotá is die groei nu iets afgenomen. Destijds verdubbelde het aantal inwoners in vijftien jaar. We zijn nog steeds bezig de problemen die zijn ontstaan door de ongecontroleerde groei van de afgelopen decennia in te halen. Tegenwoordig groeit Bogotá nauwelijks nog door migratie, we hebben zelfs te maken met suburbanisatie. Daar ligt het echte probleem. In de slaapsteden rondom Bogotá wonen inmiddels miljoenen mensen. Die steden zijn niet op de komst van al die mensen voorbereid, maar ze hebben wel te maken met echte grotestadsproblemen.’

Bogotá is in veel opzichten een atypische stad in Zuid-Amerika, zegt Montezuma. ‘De meeste hoofdsteden liggen aan zee, maar Bogotá ligt midden in het land, ver weg van de kust, in een bergachtig gebied. De verkeersverbindingen met andere delen van het land zijn enorm slecht, we hebben geen goede verbinding met de kust. Colombia is een land van bergen en van oorlog. Daardoor is de infrastructuur slecht ontwikkeld.’ Volgens Montezuma kun je Colombia daarom zien als een land van stadstaten. ‘Vier, misschien vijf grote steden maken de dienst uit: Bogotá, Medellin, Cali en de havensteden Barranquilla en Cartagena. Omdat de wegen zo slecht zijn en de spoorwegen al jarenlang buiten gebruik zijn we vooral van luchttransport afhankelijk.’

Hoewel het verkeer in de Colombiaanse hoofdstad angstaanjagend is en de Bogotanos tijdens de spits vaak urenlang in de file staan, heeft Bogotá het afgelopen decennium toch een revolutie op verkeersgebied ondergaan. Die revolutie werd ingezet door Mockus en overgenomen door Enrique Peñalosa, die Antanas Mockus in 1998 opvolgde. Peñalosa introduceerde een revolutionair bussysteem in de stad van zeven miljoen inwoners, de zogenaamde Transmilenio. Het stadsbestuur van Bogotá praat al tientallen jaren over de bouw van een metro, maar die is er nog steeds niet. Om de hopeloos verstopte straten in de hoofdstad te ontlasten besloot Peñalosa een systeem van snelle bussen aan te leggen, die door een soort bakken razen die alleen door de bussen mogen worden gebruikt. Het systeem werkt goed: terwijl autobestuurders in de file staan, zoeven de bussen langs de hoofdwegen. Dagelijks maken meer dan 700.000 mensen gebruik van de snelle stadsbussen. De Transmilenio is inmiddels een voorbeeld voor andere wereldsteden geworden.

De afgelopen jaren was er echter veel kritiek en begin dit jaar ontstonden zelfs hevige rellen rondom de Transmilenio, waarbij vijf busstations compleet werden gesloopt. Ricardo Montezuma kan het wel enigszins begrijpen. ‘Het systeem van de Transmilenio werkt in principe prima. Maar de bussen zijn vaak overvol en veel mensen vinden de bus te duur. Het stadsbestuur wil helaas niet accepteren dat goed openbaar vervoer geld kost. In Bogotá willen we altijd dat het openbaar vervoer compleet met de inkomsten uit de ticketverkoop gedekt wordt. Maar het is een illusie om te geloven dat dat lukt. Overal ter wereld moet er geld bij. Het gaat dus om de vraag wie het bussysteem moet betalen.’

German Camargo is het voormalige hoofd van de planningsafdeling van Bogota van 2001 tot 2003, tijdens het tweede burgemeesterschap van Mockus. Hij kent Mockus en Peñalosa en hun visies op de stad maar al te goed. ‘Volgens Peñalosa leven de verschillende sociale klassen in Bogotá veel te gescheiden van elkaar’, zegt hij. ‘Vooral de hogere sociale klassen leven verstopt achter de muren van hun unidades cerradas, hun gesloten wooneenheden. Peñalosa was de enige die erover nadacht hoe dat veranderd kon worden. Volgens zijn visie is de openbare ruimte de enige plek in de stad waar mensen uit verschillende klassen met elkaar contact hebben. Daarom besteedde hij veel aandacht aan het inrichten van parken, aan wandelwegen, aan honderden kilometers fietspaden. Hij voerde in 2000 de autovrije zondag in Bogotá in, waardoor nu elke zondag honderdduizenden Bogotanos uit alle lagen van de bevolking samen op straat fietsen. Hij voerde de pico y placa in, een systeem waarbij tijdens spitsuren auto’s met bepaalde nummerborden niet mogen rijden. Verder besloot hij openbare bibliotheken in arme wijken te bouwen. Mensen verklaarden hem voor gek, ze vroegen hem waarom hij niet in belangrijker dingen zoals het asfalteren van de straten investeerde. Maar Peñalosa zei: “Dat komt nog wel, maar niemand zal ooit een bibliotheek bouwen in een arme wijk. Daarom doe ik dat.” Met de bibliotheken bereikte hij dat de mensen zich gingen interesseren voor cultuur en trots werden op hun wijk.’

Terwijl Camargo lyrisch is over het werk van Mockus en Peñalosa is hij zwaar teleurgesteld in de prestaties van de linkse burgemeesters die hen opvolgden. Het dieptepunt werd bereikt met de voorlaatste burgemeester, Samuel Moreno. Hij zit inmiddels in de gevangenis, wegens corruptie en verduistering. De huidige burgemeester, Gustavo Petro, is een ex-guerrillero van de inmiddels opgeheven rebellenbeweging M-19. ‘Hij heeft net zijn eerste honderd dagen achter de rug, dus hij heeft nog het voordeel van de twijfel, maar het lijkt erop dat hij meer met zijn carrière bezig is dan met de toekomst van de stad. En dat terwijl hij veel mogelijkheden heeft. Er is genoeg geld om er iets van te maken.’

De toekomst van Bogotá ziet er goed uit. Hoewel afgelopen mei voor het eerst sinds jaren weer een dodelijke bomaanslag in de stad plaatsvond, is de angst voor geweld door militante groepen die de Bogotanos jarenlang verlamde grotendeels verdwenen. Tijdens de avondspits lijkt Bogotá vandaag de dag bijna een doorsnee Europese hoofdstad in november: het is vroeg donker en fris, de bussen zitten propvol met kantoorvolk dat moe is en naar huis wil, terwijl de bus over donkere straten langs grijze woonblokken zoeft. De verbeterde veiligheidssituatie heeft ertoe geleid dat het toerisme in de Colombiaanse hoofdstad sinds enkele jaren snel groeit. Oscar Payan, voorzitter van Asacan, de vereniging van hosteleigenaren in Candelaria, het historische centrum van Bogotá, is hoopvol over de toekomst. ‘Alleen al het afgelopen jaar openden twaalf nieuwe hostels hun deuren. Inmiddels zijn er meer dan veertig. Zes jaar geleden was er nog niet één. Er komen steeds meer bezoekers naar Bogotá.’

Niet alleen toeristen, maar ook investeerders zoals Mike deMiguel maken deel uit van het nieuwe Bogotá. DeMiguel groeide op in de Verenigde Staten, als zoon van een Amerikaanse moeder en een Colombiaanse vader. Sinds anderhalf jaar woont hij in Bogotá, waar hij begin dit jaar zijn restaurant Xarcutería opende, dat inmiddels tot een van de meest populaire van de stad behoort. ‘Ik geloof dat ik nergens anders zulke goede kansen zou hebben gekregen’, meent de 28-jarige deMiguel. ‘Deze stad biedt zoveel mogelijkheden. Ik zie massa’s mensen naar Bogotá komen, ook heel veel buitenlanders die hier investeren. De prijzen voor onroerend goed schieten omhoog. Afgelopen week sprak ik nog een paar mensen uit New York die hier ook een restaurant willen beginnen. De economie groeit snel, mensen hebben geld om uit te geven. Bovendien zijn de Bogotanos heel goed opgeleid. Natuurlijk is Bogotá nog geen doorsnee stad, er zijn nog steeds veel mensen die met lijfwachten naar ons restaurant komen en in gepantserde auto’s rondrijden. Nog een jaar of tien. Dan is dit een normale stad.’


De nieuwe megastad

Ruim de helft van de wereldbevolking woont in een stad. Volgens de VN zal in 2025 zelfs zeventig procent van de wereldpopulatie in steden leven; in 1950 was dit nog geen dertig procent. Er ontstaan ook steeds meer megasteden met meer dan vijftien miljoen inwoners. Werk is een van de belangrijkste redenen waarom mensen naar de stad trekken. Verder spelen status, macht, internationalisme, sociale tolerantie en controle een rol in ’s werelds grootste steden. Deze zomer besteedt De Groene Amsterdammer aandacht aan de nieuwe supermetropolen, die regionale centra van macht, armoede, drukte en ontwikkeling. Na Bogotá komen Nairobi, Jakarta, São Paolo, Delhi en Istanbul aan bod.