De krochten van de Bengaalse textielindustrie

‘Over zes maanden is iedereen Rana Plaza weer vergeten’

Opgeschrikt door het zoveelste dodelijk ongeluk in de kledingindustrie belooft Bangladesh de veiligheid te verbeteren. Maar de muffige, donkere fabrieken draaien weer op volle toeren.

Medium 42 47814113
© reazsumon/Demotix/Corbis

Dhaka – Nazami Begum weet dat ze geluk heeft gehad. Op 24 april nam ze tegen haar zin plaats achter de naaimachine in de kledingfabriek Rana Plaza in Savar, even buiten de drukke hoofdstad van Bangladesh. De dag daarvoor hadden zij en haar collega-naaisters centimeters diepe barsten in de muren van het gebouw gezien. Het bankfiliaal dat op de begane grond zat, was uit voorzorg ontruimd. Toch stond die ochtend haar superieur op de stoep om te vertellen dat ze moest werken. Een grote bestelling T-shirts en broeken, bestemd voor de Europese kledingmarkt, kon niet wachten.

Halverwege de ochtend viel de elektriciteit plotseling uit. De generator begon te draaien, stopte, en startte weer. Daarop begonnen de verdiepingen van Rana Plaza te schudden. Pleister­werk viel naar beneden en de muren barstten. Begum begon te rennen. Ze werkte op de zevende verdieping en bereikte de vierde voordat het fabriekspand volledig in elkaar stortte. Twee uur later werd ze onder het puin vandaan gehaald, licht gewond aan haar rug en benen. ‘Ik wist zeker dat ik dood zou gaan’, zegt ze, ‘ik zat vast, het stof was verstikkend.’

Begum, een stevige dame van halverwege de dertig, gekleed in een zonnebloemgele sari en met een gouden knopje in haar neusvleugel, vertelt haar verhaal op de binnenplaats van een woningcomplex in Imandipur, een dorpje met groene velden, doerianbomen en traag grazende koeien op een half uur lopen van het modderige gat waar Rana Plaza eerder stond. De blauw­geschilderde eenkamerwoninkjes in het complex worden stuk voor stuk bewoond door families die hun brood verdienen als textielarbeider.

De ramp in Savar kostte volgens de officiële statistieken aan 1131 mensen het leven en is daarmee het grootste ongeluk in de geschiedenis van de kledingindustrie. Het bracht opnieuw aan het licht wat er mis gaat in de Bengaalse kledingfabrieken. In een paar decennia is een onoverzichtelijke industrie ontstaan die textiel maakt voor bodemprijzen. De druk van de wispelturige westerse modemerken is hoog. Wie niet op tijd levert, loopt de kans een volgende order mis te lopen. In deze snelkookpan komt veiligheid vaak op de laatste plaats. Veel kledingfabrieken zijn haastig in elkaar gezet of huizen in panden die ongeschikt zijn voor zware machines. Zo ook Rana Plaza, waarvan de bovenste verdiepingen illegaal gebouwd waren. Toezicht is er nauwelijks. Inspecteurs komen enkel op verzoek van fabrikanten poolshoogte nemen.

In Savar worden nog steeds arbeiders vermist, maar hoeveel precies is onduidelijk. Een laboratorium in Dhaka probeert met dna-testen de identiteit van de slachtoffers te bepalen, maar is onderbemand. Iedere westerse bezoeker die aankomt bij de Rana Plaza-ruïne wordt aangeklampt door een menigte die hoopt op compensatie voor een verloren leven. Ze houden geplastificeerde velletjes vast met daarop een foto van hun dierbare plus een telefoonnummer.

Tarma is een van hen. Ze heeft de bedrijfspas bij zich van haar achttienjarige dochter Farzana, naaister nummer 1663, productielijn D, van het bedrijf Phantom Apparels. Voor zevenduizend taka in de maand (ongeveer zeventig euro) stikte Farzana zeven dagen per week T-shirts, vaak twaalf uur per dag. ‘Ik zoek nog steeds’, zegt haar moeder wanhopig. Of het klopt wat ze zegt, is moeilijk na te gaan. Er komen ook mensen naar Rana Plaza met een gefingeerd verhaal, die hopen de schadevergoeding op te strijken die door de westerse kledingmerken en de Bengaalse overheid aan nabestaanden is beloofd.

Wat Rana Plaza extra tragisch maakt, is dat het ongeluk toont hoe hardleers de kleding­industrie is. Hoewel het dodental nooit zo hoog was, is dit ongeluk het zoveelste op rij. In november vorig jaar brak er een brand uit in een fabriek waar onder andere C kleding liet maken. Het blusmateriaal was kapot en nooduitgangen ontbraken. Ruim honderd mensen kwamen om. In 2005 stortte een sweaterfabriek in elkaar, ook in Savar. Gevolg: 64 doden en talloze gewonden. Ook toen werd er gesproken van een wake-up call voor de industrie. Ook toen moest overleg tussen alle stakeholders een nieuwe ramp voorkomen.

Dat Rana Plaza een déjà vu is, voedt het cynisme. ‘Het geheugen van de mensen is kort’, zegt Khasrul Alam Khan tijdens een lunch in de golfclub van Savar, op steenworp afstand van Rana Plaza. Hij heeft vijfhonderd mensen in dienst die broeken maken voor onder andere de Nederlandse keten WE. Ook hij begon in een provisorisch fabriekje op een gehuurde verdieping. Inmiddels bezit Alam Khan een speciaal gebouwd fabriekspand. Hij geeft ruiterlijk toe dat hij flink heeft moeten omkopen om de vergunning te verkrijgen. ‘Zes maanden’, zegt hij, ‘dan is iedereen Rana Plaza weer vergeten.’

De openhartigheid van Alam Khan gaat echter niet verder dan de eettafel. Op de vraag of ik zijn fabriek van binnen mag zien, begint hij zenuwachtig op zijn stoel heen en weer te schuiven. Hij zou graag toezeggen, maar de machtige Bangladesh Garment Manufacturers and Exporters Association (bgmea), een bond van werkgevers, heeft zijn leden gemaand geen vreemde ogen toe te laten op de fabrieksvloer. Maar, zo verzekert Alam Khan, zijn werkplaats voldoet aan alle veiligheidseisen.

De reactie van Alam Khan typeert het klimaat in Bangladesh in de nasleep van Rana Plaza. De sector is doodsbang dat nog meer negatieve publiciteit orders zal kosten. Walt Disney BV kondigde onlangs al aan niet meer te willen kopen in Bangladesh omdat kleertjes met vrolijke tekenfilmfiguren zich slecht verdragen met de omstandigheden waaronder ze worden gemaakt. Prijsstunter Primark, een van de bedrijven die in Rana Plaza kleding liet maken, heeft aangegeven een andere bestemming te zoeken als de veiligheid in de Bengaalse fabrieken niet verbetert.

Wie de deur wel open zet, is Mohammad Hasan, eigenaar van Babylon, een van de grootste kledingfabrieken van het land. In zijn grote, lichte hallen worden vandaag shirts gestikt volgens klassiek industrieel model: knippen, stikken, vouwen, iedere arbeider verricht een handeling en geeft het shirt door aan de volgende. Nagenoeg iedereen heeft een mondkapje voor als bescherming tegen het stof. Op iedere twintig medewerkers is er één gestoken in een vest met het woord ‘firefighter’.

Mohammad Hasan krijgt vaker buitenlands bezoek. Onlangs keek de Engelse onderminister voor International Development rond in zijn fabriek. Bij binnenkomst vertrekt er net een inspectieteam van de Amerikaanse keten Wal Mart, gestoken in fluorescerende vestjes. Mijn visitekaartje verdwijnt in een dikke stapel, tussen die van de bbc, Reuters en vele andere.

Wie bij Babylon werkt, boft. Alle dagen van de week staat er een bedrijfsarts klaar, ook voor familieleden. Het loon – bovengemiddeld hoog – wordt op tijd uitbetaald, iets wat niet gebeurt bij andere werkgevers. Hij doet dit niet alleen vanuit de goedheid van zijn hart, zegt Hasan. Hij houdt er het motto op na dat in Europa zorgde voor betere arbeidsomstandigheden: een gezonde, tevreden werker is een harde werker.

Tijdens de rondleiding wijst hij naar belendende fabrieken. Bij de ene zijn de muren zwart geblakerd als gevolg een brand, een paar maanden geleden, maar de fabriek is inmiddels weer in bedrijf. Bij de andere is de bovenste verdieping afgebroken. ‘Illegaal gebouwd’, zegt Hasan. ‘De schrik bij de fabriekseigenaren zit er goed in.’

Het rumoer in de Bengaalse kledingindustrie brengt nog iets aan het licht: de klagende textiel­baron. Unisono mopperen ze over de lage prijzen die westerse inkopers bieden voor hun kleding. ‘Een paar cent meer of minder is voor de meeste bedrijven al genoeg om naar de ander te gaan’, zegt Samsul Ahshan Rumi, een tussenpersoon die orders plaatst voor onder andere de Wibra en het Duitse bedrijf Kik. Een fabrieksdirecteur die anoniem wil blijven houdt tijdens een rondleiding een wit T-shirt met kleurige opdruk omhoog. Deze zomer voor 17,99 euro te koop bij een internationaal modehuis van Duitse origine. Volgens de eigenaar bedraagt de inkoopprijs nog geen vijf euro, zijn eigen winst is 25 cent.

Omar Chowdury is ook een ondernemer die zich gepiepeld voelt. Verontwaardigd over de kritiek op de textielsector schreef hij een betoog in de Bengaalse krant The Dhaka Tribune over zijn strijd als ‘garment-wallah’. Het hindoestaanse woord ‘wallah’ wordt op het subcontinent gebruikt om laagbetaalde arbeid mee te duiden. De riksja’s worden bestuurd door de riksja-wallah, de thee wordt gezet door de chai-wallah. Omdat hij zijn positie als fabrikant ook als niet licht ervaart, kwam Chowdury met garment-wallah op de proppen. ‘Wij worden stelselmatig gedemoniseerd’, zegt hij in zijn eenmanskantoor in centraal Dhaka. Vanuit hier, gezeten achter zijn Apple-laptop, geeft hij leiding aan twee kledingfabrieken. Op het kastje achter hem staat een verzameling golftrofeeën en een replica van de Eiffeltoren. ‘Ik ben geen slechterik. Ik betaal belasting, verschaf werk en houd me aan de veiligheidseisen. Mensen zoals ik houden de economie van dit land draaiende.’

Hoewel de problemen van Chowdury waarschijnlijk een stuk draaglijker zijn dan die van de gemiddelde textielarbeider, heeft hij op één punt gelijk: de kledingindustrie is de kurk waarop Bangladesh drijft. Tachtig procent van de export bestaat uit ready made garments. Vorig jaar verdiende het land er ruim vijftien miljard euro mee, omgerekend bijna een vijfde van het landelijke bnp. Rana Plaza heeft aan deze ronkende cijfers weinig veranderd. De afgelopen maand bereikte de export van kleding een recordhoogte. De sector verschaft werk aan meer dan vier miljoen mensen, van wie tachtig procent vrouw. Een baan in de kledingindustrie betekent voor veel families het verschil tussen een minimaal bestaan en bittere armoede. Volgens een recent rapport van de Wereldbank is het aantal armen in Bangladesh de afgelopen tien jaar met een kwart gedaald, grotendeels dankzij de kledingindustrie.

Maar als er één klasse is die profiteert van Bangladesh’ rol als naaiatelier van de wereld, dan zijn het de fabriekseigenaren. Het land kent tientallen textielmiljonairs, zoals Mohammed Fazlul Azim, een man die dertig jaar geleden met een enkel naaiatelier begon en tegenwoordig een kledingimperium bestuurt dat jaarlijks tweehonderd miljoen dollar omzet en 26.000 mensen in dienst heeft.

En zoals dat gaat in een land waar de democratie met losse draadjes aan elkaar hangt, betekent macht over de economie macht in de politiek. Dertig kledingbaronnen in Bangladesh, onder wie Fazlul Azim, hebben behalve een fabriek ook een parlementszetel. Volgens Babul Akter, voorman van het Bangladesh Center for Workers Solidarity, heeft de helft van alle politici directe banden met de kledingindustrie. Ook Sohel Rana, de eigenaar van Rana Plaza, was politiek actief. Hij is een kopstuk van de jeugd­afdeling van de regerende Awami League in Savar. En hoewel Rana werd gearresteerd toen hij naar India probeerde te vluchten, zijn de verantwoordelijken voor eerdere industriële ongelukken de dans tot nu toe ontsprongen.

De kledingindustrie wordt bovendien bijgestaan door de Industrial Police, een speciale politie-eenheid van drieduizend man die oproer onder de kledingarbeiders de kop in moet drukken. Onlangs opende een bataljon agenten het vuur op demonstranten die zich bij Rana Plaza hadden verzameld. Ze eisten uitbetaling van achterstallig loon en schadevergoeding voor families en overlevenden van het ongeluk. Volgens lokale nieuwsberichten vielen hierbij tientallen gewonden.

Het clubhuis van de fabriekseigenaren is een glimmend kantoorgebouw in hartje Dhaka, aan alle kanten omgeven door water en bereikbaar via een brug. Hier huist de Bangladesh Garment Manufacturers and Exporters Association. Over deze organisatie doen in Dhaka flinke verhalen de ronde. Als de bgmea het wil, kan ze de kleding­industrie morgen veranderen, zeggen verschillende lokale journalisten die de kledingsector volgen. Want wie internationaal zaken wil doen, moet toestemming hebben van deze club. Als zij erop staan dat veiligheidseisen ook worden nageleefd, zal iedere ondernemer zich daarnaar moeten schikken.

Volgens de bgmea zelf wordt hun macht overschat. ‘Wij zijn geen schaduwregering’, zegt Riaz Mahmud, de jonge charismatische vice-voorzitter van de organisatie. ‘We kunnen geen fabrieken sluiten of openen. Wij kunnen alleen advies geven.’ Hij zegt geschrokken te zijn door Rana Plaza. De fabrieksdirecteuren die daar zaten zijn op staande voet uit de organisatie gezet. De bgmea heeft bovendien een team inspecteurs aangesteld om die panden te controleren. Volgens Mahmud zijn er op hun aangeven inmiddels negentien gesloten.

Sinds Rana Plaza heeft Bangladesh de ene buitenlandse delegatie na de andere ontvangen die met eigen ogen wilde zien hoe de industrie functioneert. Het programma was telkens hetzelfde: gesprekken met de bgmea, een praatje met vakbonden, overleg met de verantwoordelijke politici en een bezoek aan de ruïne in Savar. De donkere krochten van de textielsector werden vakkundig buiten het zicht gehouden.

Ook een Nederlandse vertegenwoordiging reisde af naar Bangladesh. Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Lilianne Ploumen bezocht Dhaka op 16 en 17 april nadat ze eerder negen miljoen euro had toegezegd om de veiligheid in de kleding­fabrieken te verbeteren. Hard nodig omdat Bangladesh – een straatarm land, aldus de minister – ‘daar zelf de capaciteit niet voor heeft’.

Nederland is een relatief kleine afnemer van het spotgoedkope Bengaalse textiel, maar wierp zich na Rana Plaza op als aanjager van een gecoördineerde poging om de veiligheids­omstandigheden in de kledingfabrieken te verbeteren. Een nieuw veiligheidsplan, mede door Ploumen opgesteld, is door veel grote kleding­merken ondertekend. Het is de vraag of de fraaie voornemens deze keer wel effect hebben. Want achter de talloze keurmerken die kleding­fabrieken bij elkaar kwartetten, gaat een troebele industrie schuil.

Volgens Mujibur Rahman, hoofd van de afdeling civiele techniek van de Bangladesh University of Engineering and Technology, is ongeveer in zestig procent van de gebouwen iets mis met de structuur. ‘Al betekent dat niet dat ze op instorten staan’, zegt hij. Uit een onderzoek van de Bengaalse autoriteiten is gebleken dat een derde van de kledingfabrieken brandonveilig is.

Tegelijkertijd beweren textielfabrikanten dat 75 procent van alle kleding wordt gemaakt door zo’n duizend bonafide textielondernemers, die allemaal keurig volgens de veiligheidsvoorschriften van de bgmea handelen. Dit cijfer is echter geflatteerd vanwege subcontractin _g__ ,_ waarbij fabrieken orders doorspelen aan andere naai­ateliers. Bovendien doen veel inkopers zaken via een tussenpersoon, waardoor het moeilijk te achterhalen is waar een shirtje vandaan komt. Ook een aantal van de Rana Plaza-fabrikanten werkte aan bestellingen voor andere bedrijven. Fabrikant Khasrul Alam Khan zegt bijna uitsluitend als onderaannemer te werken.

En zelfs als de gebouwen veilig zijn, zijn er nog veel andere arbeidsomstandigheden die doen denken aan de vroegere industriële grimmigheid in Europa. De werkweken zijn lang, en voor jou zijn er altijd anderen. Minder dan vijf procent van de textielarbeiders, waarvan het merendeel ongeletterd is, hoort bij een vakbond. De laatste verhoging van het minimumloon vond plaats in 2010: van 1662 naar 3000 taka. Maar ondertussen kijkt Bangladesh tegen een jaarlijkse inflatie aan van tegen de acht procent.

Ondernemers zeggen dat ze voorzichtig moeten zijn met loonsverhoging omdat Bangladesh anders minder concurrerend wordt. Maar de lonen in het land zijn zo laag dat zelfs bij een verdubbeling van het maandsalaris Bangladesh nog steeds het goedkoopste land ter wereld is. Een kledingarbeider in Bangladesh verdient een basisloon van ongeveer 38 dollar in de maand. In het op een na goedkoopste land ter wereld, Cambodja, is dat 120 dollar.

Tegenover dit sombere beeld staat het ‘dit nooit meer’-gevoel dat Rana Plaza heeft aangewakkerd. De Verenigde Staten en de Europese Commissie dreigen dat ze voorkeurs­tarieven voor de export uit het land – de motor die de industrie op gang hielp – zullen schrappen als de arbeidsomstandigheden niet verbeteren. Er zijn plannen om alle vijfduizend fabrieken te verhuizen naar speciale bedrijven­terreinen. De eerste 530 hectare is inmiddels in gebruik, maar er is minstens het driedubbele nodig om alle fabrieken te huisvesten die nu nog op gammele zolders en in donkere kelders zitten.

Voorlopig zullen kledingfabriekjes zoals die in Mohammadpur, een oude volkswijk in centraal Dhaka, dus nog blijven bestaan. Verspreid over vier verdiepingen boven een winkel­complex bevindt zich een handvol werkplaatsen. De donkere trap naar boven is bezaaid met rommel. Eigenlijk had het pand nog een vijfde verdieping, waar arbeiders woonden, maar die is onlangs gesloopt. Een eenzame werker met een sloophamer slaat de laatste restjes bakstenen muur aan puin.

Na lang aandringen laat een van de eigenaren zijn fabriek zien. Hier geen mondkapjes, en de naaitafels staan dicht op elkaar. De gangen daartussen worden nog kleiner gemaakt door grote bergen kleding. Het is niet moeilijk voor te stellen dat kortsluiting de muffige ruimte in een inferno kan veranderen. Op de vraag waar hier de nooduitgang is, spoedt een bewaker de hoek in. Een rolluik wordt opgelaten en een ijzeren traliedeur wordt ontgrendeld. De tweede vluchtroute is de helft kleiner gemaakt door een stapel kartonnen dozen.

Volgens gegevens van de bgmea had dit gebouw eigenlijk gesloten moeten zijn omdat de muren barsten vertonen. Van de vier bedrijven die hier zitten heeft er één deze raad opgevolgd. De andere tonen een certificaat waaruit blijkt dat de fabrieken tot november open mogen blijven, op voorwaarde dat er snel grondige inspectie plaatsvindt. Een lastige opdracht, zo laat de betrokken ingenieur weten, omdat van bouwtekeningen ieder spoor ontbreekt.