De onstuitbare opmars van de Nederlandse paprika

Overal die rode exportkraker

Met bravoure, bitterballen en veel Europese subsidies veroveren de verenigde Nederlandse telers de mondiale groentemarkt. In Hongarije huilt de kleine tuinder boven zijn smakelijke puntpaprika’s. ‘Wij komen er bij de supermarktketens niet meer tussen.’

BERLIJN - ‘Het is toch mooi dat we in Hongarije nu een vrije, open markt hebben’, zegt de verkoopster van tubes paprikapuree. Ze bemant een van de Hongaarse stands op de Grüne Woche in de Duitse hoofdstad, de jaarlijkse opmaat naar het voorjaar. 'We kunnen nu tenminste ook paprikapoeder uit Brazilië kopen en California-paprika’s uit Nederland.’ Die fraaie, dikke ronde Hollandse paprika’s smaken wel een stuk minder dan de eigen puntpaprika’s, voegt ze, desgevraagd, met enige schroom toe. 'Wij Hongaren vinden die California’s rauw nogal bitter, als ze al ergens naar smaken, en wanneer je ze kookt, worden ze maar niet smeuïg.’ Maar ze zijn wel bijna het hele jaar te koop, voegt ze toe. 'Soms zelfs goedkoper dan de Hongaarse.’
Ze vervolgt met een ode aan de zo natuurlijk geteelde Hongaarse paprika, op een bedje van aarde, gevoed met eerlijke mest en echte zon. Maar daarmee is de Hongaarse paprika een seizoensgroente. Gelukkig is paprikapoeder de basis van de authentieke Hongaarse goulash, die geen goulash heet - dat is een Weens verzinsel dat verwijst naar een soep - maar pörkölt. Die kun je dus het hele jaar eten.
De Hongaar weet als beste wat smaak is, als het paprika betreft. Maar hij weet nog beter wat geld is, schampert Bela Martonffy. Hij is de hoogste baas van de overkoepelende Hongaarse handelsorganisatie voor land- en tuinbouwproducten. 'In Hongarije geldt helaas: hoe lager de prijs, des te beter. Smakeloze Nederlandse en andere buitenlandse paprika’s tegen bodemprijzen verkopen goed bij ons.’
Dr. Martonffy loopt niet rond op de Grüne Woche, want dat is een schrans- en zuipfestijn voor het Duitse volk, waar het braadworstbruin en het biergeel het frisse groen volledig in de schaduw stellen. De Hongaarse landbouwtopman bezoekt de gerenommeerde vakbeurs Fruit Logistica, die op de Grüne Woche volgt in hetzelfde Berlijnse Messe-complex. En alle kwaliteit ten spijt, het gaat niet goed met de land- en tuinbouw in zijn land, dat wil Martonffy wel toegeven. 'Supermarktketens als Lidl en Aldi willen geen inheemse groenten in het assortiment.’
Waarom niet, gezien de verfijnde smaak van de Hongaar? Die vraag blijft hangen in zijn aanval op de Europese Unie, die de Hongaarse paprika zou ruïneren. 'In het communisme’, zegt de landbouwdeskundige, 'lukte het wel om een massaproductie op poten te zetten. Maar nu hebben mijn landgenoten grote achterdocht tegen centraal geleide productiefirma’s.’ Martonffy’s oplossing is even simpel als deprimerend: 'Het Hongaarse volk moet gewoon Hongaarse waar kopen, zelfs als die duurder is en je er wat langer naar moet zoeken.’ Hij weet nog een oplossing. 'Was de paprika maar een beschermd merk, zoals onze palinka!’
Deze suggestie zal de Hongaren ook geen baat brengen. De paprika komt uit Midden-Amerika en is dus niet origineel Hongaars. En het waren de Ottomaanse, dus Turkse, overheersers die de Hongaren leerden dat je deze 'sierplant’ kon eten. Ze gingen dat pas massaal doen in het Habsburgse rijk van rond 1800, en dat was weer te danken aan de talenten van de Bulgaarse tuinders aldaar. Toegegeven, in 1937 was het een Hongaar die met zijn ontdekking van de paprika als vitaminebom de Nobelprijs in de medicijnen won.
De tubes van het verkoopstertje van de Grüne Woche bevat die vitamines in enorme concentraties, maar daarmee werft ze nou net niet. 'Otto Normalverbraucher’, die het Bier- en Bratwurstfestijn bezoekt, heeft namelijk weinig op met vitamines. De echte groenteverslinders zijn de Nederlanders, meer dan Duitsers of Hongaren. Maar als het op de 'paprikabeleving’ aankomt, wijzen de groente-experts naar de 'Turkse medemens’. Zoals de Hongaars-Nederlandse paprikateler Sandor Kosdi het verwoordt: 'Wanneer de Turken uit Nederland en Duitsland op vakantie naar Turkije zijn, zijn de betere paprikasoorten, die ik vanuit Hongarije exporteer, niks waard.’
Over smaak valt natuurlijk te twisten. Zelfs de 'Hongaarse’ puntpaprika’s die in het koude seizoen, wanneer de inheemse paprikaproductie plat ligt, uit Marokko worden geïmporteerd, ontberen de smaak van de eigen Hongaarse bodem, zegt Bela Martonffy. Hij vervolgt lacherig: 'Maar ik heb begrepen dat jullie Wageningse universiteit een toverformule ontwikkelt om de smaak van Hongaarse paprika’s perfect na te bootsen?’ Hij gelooft er niets van, maar de gedachte boezemt hem merkbaar angst in.
'Wageningen’ is op de Berlijnse Fruit Logistica-beurs present in megahal 3.2, ook wel de Holländerhalle genoemd. Universitair contractonderzoeker in smaaktesten Henry Boerrigter brandt direct los: 'Ten eerste: test blind en dan blijkt vaak dat mensen geen smaak hebben, althans minder dan ze denken. Ten tweede: de Nederlandse paprika smaakt prima, als hij maar goed wordt behandeld, bijvoorbeeld niet te vroeg wordt geoogst. En ten derde: Wageningen kan inderdaad de perfecte Hongaarse paprika maken. Hetzelfde zaad levert overal, zelfs op de Noordpool, dezelfde paprika op, zolang je alle andere variabelen maar constant houdt. Let op mijn woorden: de zaadleveranciers zijn de nieuwe multinationals.’
Zaad, daar zijn Nederlanders goed in, vervolgt Boerrigter. 'Maar omdat het produceren van Hongaarse paprikarassen in Nederland arbeidsintensiever is, is er bij de telers minder vraag naar. Daarom maken we andere paprika’s, namelijk die de consument, waar dan ook ter wereld, wil betalen.’

DE PAPRIKA is een groente die ons land een paar decennia geleden nog amper kende. Alleen daarom al kan de bekende Nederlandse exportpaprika als metafoor van succesvol ondernemerschap worden geduid. Hoe werkt die 'vrije, open Europese markt’, waarover het Hongaarse verkoopstertje zo vrolijk deed?
Om te beginnen met flair en bitterballen. Van beide bezit Ger van Burik, de grote organisator van de Holländerhalle op de Berlijnse beurs, duidelijk meer dan zijn Hongaarse evenknie dr. Bela Martonffy. Is de gewichtige, amper benaderbare Hongaar in zijn ongemakkelijke pak de oude Oost-Europese nomenklatoera in eigen persoon, dan is Van Burik een eigentijdse Piet Hein. Hij is aanspreekbaar voor iedereen, vol dadendrang, en lijkt in een permanente overwinningsroes. Met enig recht. Nederland is immers ’s werelds grootste exporteur van verse groente.
Van Burik is de organisatorische spil van het Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel (HBAG) Groenten en Fruit. Hij voorziet een paar duizend vierkante meter vol Nederlandse stands en hun cliënten van hete bitterballen, wat nog een aardig afzuiginstallatie-technisch probleem vormde, vertelt hij. De Fruit Logistica in Berlijn is voor de Holland Fresh Group, zoals Van Buriks HBAG-tak zich internationaal presenteert, dan ook the place to be, zegt hij.
In 2009 heeft Nederland voor 4,3 miljard kilo aan verse groenten geëxporteerd, wat 3,5 miljard euro opleverde, aldus de cijfers van het Productschap Tuinbouw. (De internationale cijfers over 2010 zijn nog niet volledig bekend.) Dat doet geen land de Hollanders na. Met name de glastuinbouw zit in de lift, met een volumestijging van 33 procent over de afgelopen tien jaar. Met 0,4 miljard kilo neemt de Nederlandse paprika, na de ui en de tomaat, bij de export van groente de derde plaats in. Inmiddels is Nederland, na Spanje, hét paprika-exportland.
'Waar zie je ze niet, de Nederlandse paprika’s?’ Van Burik somt op: 'In Amerika, Canada, Hongkong, natuurlijk heel Europa, in de eerste plaats Duitsland. Hoe dat kan? Dat heeft met de seizoenen te maken. Wij spelen goed in op de seizoensbepaalde productie van andere staten.’
Het begrip 'Nederlandse paprika’ vereist enige toelichting. Van Burik laat zo'n langwerpige plastic zak zien met drie kleuren exportpaprika’s uit Nederland. De rode en gele komen uit Israël, en de groene uit Holland - of andersom. 'Nederland doet ook aan re-export van buitenlandse paprika’s. Nederland handelsland, hè? Die re-export is deel van de succesformule.’
Meer dan de helft van de totale hoeveelheid door Nederland geëxporteerde verse groenten en fruit is van buitenlandse origine, heeft het Productschap Tuinbouw becijferd. Die hebben we dus eerst geïmporteerd. Want als louter groente- en fruitproducenten kunnen we lang niet tegen de mediterrane landen op. Dus werden we tevens wederuitvoerders.
Tomaten en paprika’s zijn exportkrakers. Maar de laatste vijf jaar is ook de import van deze twee groenten naar de Europese Unie, uit landen als Turkije, Marokko en Israël, bijna verdubbeld. En hoe meer Nederland daarvan binnen weet te halen, hoe meer het weer kan uitvoeren.
Wat later in het voorjaar komt de re-export van met name Spaanse paprika’s, legt Van Burik uit. Nederland heeft Spanje als grootste exportland van groente drie jaar geleden wellicht mede verslagen door de Spaanse tuinbouwvloot naar de eigen wateren te leiden. Elke Spaanse paprika die Holland uitvoert, vergroot immers het exportvolume - waarbij het oppassen geblazen is voor Spaanse paprikaoogsten vol illegaal Chinees gif onder Nederlandse vlag.
Maar waarom zou een paprika nu vanuit Spanje of Israël via Nederland naar Frankrijk of Hongarije moeten reizen? De zin van dat boompje wisselen tussen bijna identiek ogende en smakende California-paprika’s is niet direct duidelijk - anders dan de milieuschade van zulke gigantische, elkaar kruisende voedselstromen. Het antwoord ligt verscholen in dat internationale tricolore-paprikapakje van Hollandse remake, waarmee Van Burik kwam aanzetten. 'Wij kunnen dankzij de samenwerkende telers, dankzij die re-exportpaprika’s en dankzij de korte lijnen naar de verpakkings- en transportbedrijven het hele jaar door dezelfde kwaliteit leveren, in een constante vorm, altijd even snel en voedselveilig, noem maar op.’
De Nederlandse telers, im- en exporteurs en aanverwante bedrijven - ruim vijftienhonderd met een gezamenlijke jaaromzet van 12,3 miljard euro - zijn namelijk uitstekend georganiseerd. Van Buriks publiekrechtelijke HBAG bijvoorbeeld opereert namens alle bedrijven, dat scheelt ze een hoop tijd en geld. Zo kunnen ze één vuist maken in het spel met de multinationale supermarktketens, legt hij uit: 'Aldi zegt: ik wil die of die prijs voor paprika’s betalen. En wie levert? Nederland. Wij kunnen altijd leveren. En we hebben zo'n beetje de laagste kostprijs ter wereld.’
Het rendement van de exportpaprika’s is zo groot dat de transportkosten daar makkelijk tegenop kunnen: 'Ook omdat het buitenland, zeker het voormalige Oostblok, de paprika’s doorgaans zelf uit Nederland komt halen. Hongaarse chauffeurs zijn voor ons erg goedkoop.’ De geoliede batterij van de Nederlandse tuinbouwexport wordt voor nóg meer efficiency en een nóg beter imago door de Europese Unie hartstochtelijk beloond. 'Afzetbevordering, daar krijgen we geld voor’, zegt Van Burik.
Dat is zachtjes uitgedrukt. Nederland strijkt een kwart van de Europese tuinbouwsubsidies op, en dat is zo'n honderd miljoen euro per jaar. Het landbouwbeleid van de Europese Unie, waar de tuinbouw onder valt, is namelijk gericht op samenwerken, schaalvergroten en het drukken van de productiekosten. De belangrijkste EU-regeling in dezen is de Gemeenschappelijke Markt Ordening (GMO). In de tuinbouw is deze regeling voor erkende telersverenigingen bestemd. De EU draagt tot vijftig procent bij aan investeringen die aan bovengenoemde doelen bijdragen, inclusief imagocampagnes. De GMO-regeling zou Brussel door Nederland, met zijn superverenigde telers, kunnen zijn ingefluisterd. 'Zonder GMO-subsidie zou onze afzet een stuk duurder worden’, zegt Van Burik. Dankzij deze EU-regeling weet Nederland zijn positie in de mondiale markt extra te versterken.
Tot de laatste successen met de paprika behoort de verovering van de Roemeense en de Oekraïense markt. 'Vorig jaar exporteerde Nederland meer dan een miljoen kilo paprika’s naar Oekraïne’, vertelt Van Burik. Dit volume is weliswaar te verwaarlozen op de 320 miljoen kilo Nederlandse paprika’s, re-export niet meegerekend, die Nederland het afgelopen jaar binnen de EU uitvoerde, maar het is een sprong in het gat van de markt: in Oekraïne wordt in geen enkele sector nog fatsoenlijk geproduceerd.
Roemenië trad in 2007 toe tot de Europese Unie. Maar de markt was al lang geopend. In 2009 importeerde het land al zeventig procent van zijn levensmiddelen. De import overtrof de export met ruim anderhalf miljard euro - een dure grap voor het land. De supermarkten lagen vol met tomaten en paprika’s uit Holland. Vorig jaar exporteerde Nederland al bijna 1,4 miljoen kilo verse paprika naar Roemenië. Dat is weliswaar niets bij de eigen Roemeense paprikaproductie. Maar zelfs in de gewone winkels waren die inheemse paprika’s amper te vinden. En op de markt in Boekarest kostten deze vaak meer dan paprika’s op West-Europese markten.
Hoe de land- en tuinbouw zich in Oekraïne en Roemenië verder gaan ontwikkelen, kan het voorbeeld van paprikaland-bij-uitstek Hongarije misschien inzichtelijk maken. Want dat is al sinds 2004 lid van de Europese Unie. In Hongarije werd in 2009 0,16 miljard kilo paprika geproduceerd, ongeveer de helft van de Nederlandse productie. Maar de Hongaarse export is bij lange na niet de helft van de Nederlandse. Ons land exporteert 85 tot negentig procent van zijn paprika’s, en Hongarije, in het seizoen, een schijntje van de zijne. En juist aan export wordt, mede door Europese subsidies, goed verdiend.
Minder dan tien procent van de waren in Hongaarse supermarkten is Hongaars, aldus cijfers van de Zuid-Hongaarse Kamer van Koophandel. In Roemenië is dat, zoals gezegd, nog dertig procent. 'Uit een recent onderzoek’, vertelde landbouwexpert Bela Martonffy eerder in Berlijn, 'blijkt dat de Hongaar voor een mandje inkopen al vijftien procent meer betaalt dan de Oostenrijker, die een flink stuk meer verdient. En de Hongaarse producenten profiteren niet van die prijzen.’
Cijfermatig gezien is Nederland op de Hongaarse paprikamarkt een net zo kleine speler als op de Roemeense. En omgekeerd lijkt Hongarije voor Nederland van weinig belang: nog geen half procent van de Nederlandse paprikavoorraad gaat naar dit land. Maar hoe ontwrichtend werken zulke exportstromen op de Hongaarse markt?

ZUID-HONGARIJE - In de tuinderij van Zsolt Kovacs zijn de puntpaprika’s voorlopig nog niet rijp, en de 'Hollandse’ California-paprika’s, die hij er als experiment bij is gaan telen, evenmin. Vette, rijpe California’s heeft hij al wel in de grote supermarkten gezien, maar die komen uit Nederland.
De tuinderij staat de rand van een dorp in de buurt van Dombovar. Zsolt Kovacs is nog geen dertig, goed opgeleid en zeer strijdbaar als het om zijn paprika’s gaat. In maart nog stond hij ’s nachts om de drie uur op, om het potkacheltje in de met folieachtig vliesdoek bedekte kas met hout te voeden. Dat ene kacheltje moest meerdere tentkassen met paprikastekjes, via een systeem van ijzeren buizen, op zo'n twintig graden zien te houden. Inmiddels is het zo warm dat Zsolt tenminste wat nachtrust heeft. De paprika’s zijn nu uitgepoot in de volle grond. Ze worden nog wel door hun tentkas beschermd, een tunnelachtige constructie die oogt als de rupsbaan op een ouderwetse kermis.
Niet dat Kovacs vies is van computergestuurde kasverwarming. Maar EU-subsidie krijgt hij daar niet voor. Hij is niet 'georganiseerd’ in de zin van de GMO-regeling. 'De meest noodzakelijke machines huur ik van de gemeente’, legt hij uit, 'net als mijn personeel. Ons familiebedrijf maakt sinds kort deel uit van een werkverschaffingsproject. Vakkrachten kunnen we niet betalen.’ Hij kijkt rond. Veel bedrijvigheid lijkt er van zijn tien man personeel niet uit te gaan, ja, waar zijn ze eigenlijk? 'Met het merendeel zit ik in feite opgescheept. Ze werken hier omdat ze dat moeten van de gemeente. Maar die bewaakt het terrein nu tenminste.’
Zsolts ouders hadden de oude familiegrond in 1989, met moeite, teruggekregen, vertelt hij. 'Dat was verwaarloosd kolchoz-land met een monocultuur van graan. De paprikateelt lag onder het communisme bijna overal in het land op zijn gat, behalve in de privé-tuintjes.’ Aan die hobbytuintjes, waaruit ook verkocht mocht worden, dankte de Volksrepubliek Hongarije zijn reputatie van 'goulash-communisme’: een beetje vrije markt en dus lekker eten.
Zsolts ouders begonnen weer op vooroorlogse wijze paprika’s te produceren. 'Maar voor de zekerheid hield mijn vader zijn baan bij de spoorwegen aan.’ Dat was maar goed ook. 'Er werd te veel gejat. Vandaar dat we nu maar met de gemeente in zee zijn gegaan.’
Veel Hongaarse paprikaboeren ploeteren voor hun voortbestaan. Er zijn wel enige coöperaties die in echte glaskassen grootschaliger produceren, maar zij hebben veelal te kampen met verouderde technologie. En verder is het ieder voor zich, zegt Zsolt. 'Toen mijn ouders met de paprikateelt begonnen, zaten alle buren door hun ramen toe te kijken. Sommige riepen: Wedden dat het niks wordt? Tja, nijd is een markante Hongaarse eigenschap. Een spreekwoord hier luidt: ook de koe van de buurman moge doodvallen.’
Het communisme heeft de Hongaren gebrainwasht, legt hij uit: 'Iedereen werd tegen elkaar uitgespeeld. In 1956 hebben er zelfs Hongaren op Hongaren geschoten. En dat wantrouwen is gebleven. De telers delen hun vakkennis en ervaringen bijvoorbeeld nooit met elkaar.’ En de staat? 'Vergeet het maar, die doet niets voor de boeren en tuinders. We kunnen de vele warmwaterbronnen hier niet eens gebruiken. We zouden zelf de leidingen moeten aanleggen, en de regering heeft onlangs besloten dat we het thermale water ook weer moeten terugpompen. Al met al is dat onbetaalbaar.’
Zsolt zet zelfgebrande palinka op tafel. Hij vertelt dat hij nu heeft ingezet op een kleine kwaliteitsproductie van paprika’s, 'puur handwerk’, waarvoor dan iets meer moet worden betaald. Hij is vorig jaar begonnen zijn groente op markten in de regio te verkopen; kwaliteitswinkels bestaan hier amper. Het lijkt niet de simpelste weg naar een winstgevend bestaan. 'Ik ben er echt niet principieel tegen om aan supermarkten te leveren’, licht Zsolt toe. 'Maar ze willen geen kleine partijen paprika’s afnemen, of hooguit tegen een fooi. West-Europa, met name Nederland, kan tegen erg lage prijzen leveren en voor een permanente aanvoer zorgen. Jullie producenten hebben financiële reserves. Zelfs de Hongaarse coöperaties die nog wel aan supermarkten leveren, hebben die niet. Als zo'n multinationale keten van ze af wil, betalen ze gewoon niet op tijd of eisen lagere prijzen.’
Hij spreekt van 'bijna een overval op de Hongaarse markt’ als hij de levensmiddelenimport uit West-Europa typeert die na 1989 op gang kwam: 'De Hongaarse markt is klein en wordt door de westerse waren geruïneerd. Wij kunnen daar niet tegenop produceren. Alleen kleine familiebedrijven zonder personeel overleven.’ Het begon in 1990 met spotgoedkope producten in de nieuwe supermarkten, vervolgt hij. 'De bevolking kocht ze dankbaar. Ze hielden vanwege die spotprijzen van bijvoorbeeld Nederlandse paprika’s zelfs op met hun eigen tuintjes. En hoe minder concurrentie er overblijft, des te hoger de supermarktprijzen worden. Zo werken de regels van de Europese markt.’
Hij wil graag de EU-subsidieregels aan de kaak stellen: 'Duitsland krijgt bijvoorbeeld veel meer landbouwsubsidie dan Hongarije, omdat de subsidie per bebouwde oppervlakte wordt berekend. En zelfs per hectare krijgt de Hongaarse akkerbouwer gemiddeld slechts pakweg de helft van het Westen, onder het motto dat onze productiekosten zo laag zijn.’
Is het beeld dat Zsolt schetst niet te zwartgallig? Van die landbouwsubsidies bijvoorbeeld, klopt dat wel? Hongarije krijgt in totaal meer landbouwsubsidies dan Nederland. Maar bij die GMO-subsidies voor de tuinbouw, een klein onderdeel van de landbouw, vist het land met zijn vele versplinterde producentjes inderdaad nagenoeg achter het net, en gaat Nederland er met de buit vandoor. En de bulk van de 45 miljard euro aan Europese landbouwsubsidies - het leeuwendeel van het totale EU-budget - gaat inderdaad niet naar het voormalige Oostblok, maar naar Duitsland en Frankrijk. Hoe groter de schaal is waarop de landbouw wordt bedreven, des te hoger de subsidie uitvalt.
Dit verdelingsprincipe blijkt overigens niet alleen tússen de lidstaten te gelden, maar ook erbinnen. In Duitsland werden onlangs de ontvangende bedrijven van Europese landbouwsubsidies over 2009 openbaar gemaakt - afgedwongen door de EU. De uitkomst leidde tot verbijsterde berichten in de media. Want de miljoenenbedragen zijn vooral terechtgekomen bij megaconcerns die niet direct landbouw bedrijven, zoals het energieconcern RWE en de chemiegigant Bayer, producent van pesticiden en gentechniek. Kleinere landbouwers werden hooguit met een fooi afgescheept, terwijl Duitslands grootste melkfabriek Nordmilch, omzet twee miljard per jaar, van de EU maar liefst negen miljoen euro uit de landbouwpot kreeg.
'Het Westen krijgt subsidie om het Oosten op te kopen’ - die klacht was al in 1990 in de nog bestaande DDR te horen over de Bondsrepubliek. Ze bleek in het herenigde Duitsland maar al te waar te worden. Ook het herenigde Europa is bepaald geen liefdadigheidsinstelling voor armlastige, kleine voedselproducenten, al het geklaag te onzent ten spijt over de 'schouders van de belastingbetalers’ die gebukt zouden gaan onder de afdrachten aan Europa’s randgebieden.
Zelfs Hongaarse tuinders die blaken van de ondernemingszin en samenwerkingslust komen amper uit deze vicieuze cirkel. Zoals Sandor Kosdi, die is opgegroeid en opgeleid tussen de komkommers en het hogere landbouwonderwijs in het Hollandse Westland. Daar had zijn Hongaarse vader in 1956 zijn toevlucht gezocht voor de sovjettanks, en er zijn Nederlandse moeder, een tuindersdochter, ontmoet. Sinds 1997 teelt Sandor Kosdi paprika’s in Oost-Hongarije, in de omgeving van Debrecen. 'Ik was jong en dan wil je wel eens wat uitproberen’, vertelt hij aan de telefoon. 'Bovendien kwam mijn vrouw uit dit gebied.’
Op deze avond klinkt Kosdi’s stem dodelijk vermoeid. Behalve nog onrijpe paprika’s heeft hij vijftigduizend rijpe maïskolven, en die moesten op transport naar de Duitse Lidls en Kauflands. 'Er waren niet genoeg kisten teruggeleverd, en vele daarvan ook kapot, er vloog een wiel van de vrachtwagen, ik moet alle rekeningen zelf schrijven en heb ook nog de belastingen op mijn nek, een uiterst ondoorzichtig systeem…’
In Hongarije staat hij overal alleen voor, verzucht hij: 'In Nederland regelen de coöperaties al dat soort dingen, en de telers werken met de banken samen. In Hongarije heb je altijd problemen om krediet te krijgen, en als dat al lukt is het slechts tegen een hoge rente, die je amper kunt terugverdienen.’ Subsidie krijgt hij niet. 'Ik zou eigenlijk meer moeten produceren om als bedrijf te overleven.’ Maar hoe? 'Er heerst een beroerde arbeidsmoraal in Hongarije. De verhandelaars van mijn producten zijn onbetrouwbare betalers en gaan nogal eens failliet. De wijze van aanleveren is bovendien te wisselvallig voor de supermarktketens.’ Hij vertelt dat een groot deel van de inheemse paprika’s aan huis en zwart op de markten wordt verkocht. 'Anders redt de kleine Hongaarse tuinder het niet. Wie eerlijk is, zeggen ze hier, heeft de slechtste weg gekozen.’ Toch is Sandor Kosdi, in principe, zeer tevreden met zijn bedrijf in de 'buitenproductie’, op de volle Hongaarse grond: 'Mijn broer in Nederland werkt, met zijn energieverslindende megakassen, vooral voor de bank. Hij zat laatst vol in de productie van de komkommers en kon ze toen niet kwijt vanwege de EHEC-ramp. Alles moet steeds groter, steeds meer. Niet voor mij, ik blijf liever onafhankelijk.’

Zie ook De goulashsubsidie, de laatste aflevering van De slag om Brussel, VPRO-tv 4 juli. Idee en research Hongarije: Annemieke Hendriks. Te zien http://programma.vpro.nl/slagombrussel