Overal is de overkant

Ze zouden naar de zee gaan. En ze gingen naar de zee. Maar ze kwamen allebei op een andere plek terecht. De een op de Wadden, de ander ‘op’ Scheveningen. Gelukkig konden ze elkaar nog schrijven.

HUGO, BOVENSTEBESTE, ik moet in de verkeerde trein zijn gestapt. Of ik ben op het verkeerde station eruit gegaan. Want ik dacht dat we naar zee gingen. Om eens rustig te kunnen uitrusten. Een beetje wandelen, een beetje zitten, een beetje praten en peinzen, over het leven en de dingen. Daar is per slot van rekening de zee voor: een beetje peinzen en piekeren langs het strand. Wij Hollanders zijn maar gezegend met dat ding op een steenworp afstand. Stel je voor dat je in Oostenrijk woont of zo. Ik heb de eerste twintig jaar van mijn leven altijd in kapitale villa’s in de bossen gewoond, half verscholen voor de wereld, half verzonken in de eenzaamheid. Ik ken het bos door en door. Ik kan het bos niet meer zien. Daarom ben ik vóór zure regen. Bossen doen mij dus niet veel meer. Liever de zee. Maar waar is die dan? Ik zie niks. Ik zie alleen maar mensen. Dikke mensen. Vette mensen, met hangende buiken. Buiken die als een blouse over de broekband heen bollen. Vet dat tijdens het lopen beweegt. Het gaat niet op en neer, maar het schommelt, het deint, het wiegt. Het is meer een onderhuids vibreren, een soort zoemen, maar dan zonder geluid. Wat is de reden dat al deze mensen hiernaar toekomen? Niet de zee. Niet de golven, de branding, de wind, het geluid, de horizon, de verte, de geur - de romantiek, kortom, van die oude, oude zee. Denk aan Dood in Venetië, als Dirk Bogarde in zijn strandstoel zit te verkommeren. Alleen, helemaal alleen in die stoel. Alleen op de wereld. Zoveel mensen om hem heen, ook de jongen Tadzio dartelt in zijn gestreepte zwempakje rond de oude, oude man. Zijn eenzaamheid, zijn afgezonderdheid van de wereld wordt nog groter door de zee, daar tegenover hem. Hij kijkt naar het water, en hij weet dat alles dood is. Alles ademt de dood, daar in Venetië, te midden van het leven, en Bogarde weet dat, begrijpt dat. Hij maakt zich klaar om te sterven: hij gaat zitten in een strandstoel, op het zand, enkele meters van de golven. Alsof hij zich aanbiedt en wil zeggen: kom maar, neem me maar mee. Het is tijd. En de zee, de zee die de dood is, hoort hem. Als de zee de dood is, dan is Scheveningen de aula. Geen koffie en cake, maar hamburgers en bier. Alles is hier hamburgers en bier. HOI ROB, dat ging dus mis met die trein. Maar het doet me deugd dat jij het in Scheveningen niet naar je zin hebt. Deugd omdat het dus goed was niet met je mee te gaan. Ik toef aan dezelfde zee als jij maar daar is dan ook alles mee gezegd. Hier geen heksenketel. Slechts het ruisen en ik… de zee… ik… de zee… Vlieland is weer heel anders dan Schier en Terschelling. Er is nóg minder te beleven. Op Schier kom je dagelijks acht biologen tegen, hier maar een. Daarom zie je hier veel meer vogels. Ik zit nu aan de waddenkant. Heb wat door een gebied gebanjerd met allerlei harde struikjes en stekelige plantjes. Overal van die slingerende wateraders die op elk eiland weer anders heten: sleuven, slenken, slufters, kreken, kwelders. In ieder geval gaat het om brak water, zoveel is zeker. Het is allemaal erg oer en verlaten. Vlak voor mij vliegen allerlei soorten eenden en ganzen rond. Ze maken zich behoorlijk druk, god mag weten waarom. Ik vergeet altijd hun naam, maar er is een hele vlucht met van die rotkoppen bij. Opgefrotte snavels. Dat zullen de rotganzen wel zijn. In de verte zie ik de havenloods van Harlingen en ik vraag me af hoe nou precies de Nederlandse kust loopt. De kust is de scheiding tussen land en water. Voor iemand in Zwolle zit jij dus aan de kust. Maar ik? Die Zwollenaar zou in Harlingen het water in moeten om mij de hand te kunnen schudden en daarom heb ik besloten dat ik niet aan de kust zit. De zee begint bij Harlingen. Rob, toen ik in Harlingen voor de zoveelste maal de pont opging! Rederij Doeksen bakt patat en kroketten. Weg met die gebakken landlucht, dus ik stond meteen op het bovendek. Het was helder en ik zag het kleine platte driehoekje alweer boven de horizon uitsteken. De oostkant van Vlieland. Hunkering! Als dan de mist hoorn loeit en de pont het land de rug toekeert, ben ik de gelukkigste mens op aarde. Maar dat duurt maar kort. Na een klein stukje varen zie je iets ten westen van Vlieland een klein verticaal pieletje en gaandeweg wordt dat de Brandaris van West-Terschelling. Altijd als ik naar Terschelling ga denk ik dat het op Vlieland beter is en als ik dan weer naar Vlieland ga denk ik hetzelfde van Terschelling. Buurmans groene gras. Je komt er niet uit. Gisteren heb ik de Vliehors gedaan. Een enorme zandplaat aan de zuidkant. Je loopt uren vooruit en er verandert niets. Man wat een uitgestrektheid. Eerst dacht ik nog aan Saskia. Ik kan maar niet geloven dat het moest gebeuren. Het onverbiddelijke ervan, de onmacht. Ik raak het niet kwijt. Waarom zij? Na verloop van tijd dacht ik niets meer. Het enige wat me bezighield was de vraag hoeveel zandkorreltjes er onder m'n voeten voorbijkwamen. En hoeveel er op de hele plaat lagen. Honderd miljard? Of bestaat een kubieke meter al uit honderd miljard? Bestaat iets in de wereld in grotere aantallen dan zandkorreltjes? Nou ja, je weet het niet. Uiteindelijk liep ik het water in. Dat was het dan. Verder kon niet. Uren lopen om niets te bereiken en vervolgens staren over een zee zonder eind. Houdt het nooit op, dat eeuwige verlangen naar niets? Ik was droevig en verrukt tegelijk. Niets is mooier dan het verlangen naar niets. Niets is leger. Jij begrijpt nooit dat mensen zichzelf zoeken. Ik ook niet. Jij wil jezelf juist kwijtraken. Moet je hier komen. BESTE HUGO, heb jij dat nou ook, dat gevoel dat je echt ouder wordt, dat je een steeds groter deel van je leven achter je hebt liggen en met ‘vroeger’ moet aanduiden? Zou dat door de zee komen? Vroeger gingen we wel eens met een paar mensen, een soort 'clubje’, naar het strand. Naar de zee, bedoel ik. Om te vliegeren. Om te drinken. Om te praten. Om pillen te slikken en in milde extase over het zand te rennen. Dan reden we naar het strand, waar we elkaar verhalen vertelden. Die gingen over kleine dingen waaraan we grote conclusies verbonden. We wisten zeker dat we 'later’ geen afstand zouden nemen van de dingen die we op dat moment dachten en zeiden. Want we waren jong, vonden we, en onoverwinnelijk. Onze overtuigingen en ideeën waren sterk en onontkoombaar. We bezaten de waarheid, en er was niemand die haar ons kon afnemen. Omdat we de jeugd hadden, en de kracht, omdat we ons bloed juichend door onze aderen voelden stromen, omdat we jong, en sterk, en moedig en mooi en slim en kritisch en talentvol en eigenlijk-ontzettend-geniaal waren en wisten, als we omhoog keken naar de sterren in de donkere hemel, dat die sterren daarboven nog minder betekenden dan wijzelf. We kregen altijd collectief de slappe lach als er oudere mensen bij waren, dertigers, die na één jointje begonnen te zuchten, naar de lucht tuurden en op lijzige toon dingen uitkraamden als: 'Wat is de mens toch een nietig wezen, als je zo omhoog kijkt naar de hemel…’ Wat nou nietig? Wij, we waren groot. Wij waren groter dan het universum. Niemand van ons voelde zich klein. Maar dat was toen, en dit is nu. En nu, dat is: twee etterbakjes van jengelkinderen die zand over me heen scheppen, en daarbij schaterend hun tandeloze bekkies wijd openen. Hup, nog een schep nat zand over mijn kleren (ik draag kleren, ik ben de enige geloof ik; de mensen kijken me aan of ik gek ben). En hun ouders, hun ouders zitten als koeien naar ze te gapen, met een soort instinctmatige trots in hun blik - ook hun mond zakt een beetje open - en ze zeggen: 'Ja, lief zijn ze, hè? En ze kunnen al zoveel. O kijk eens, wat leuk, hij spuugt u zomaar in uw gezicht, wat een bengeltje hè? Kom eens hier, John-Rodney.’ Ik ga eens even een stukje wandelen. Schoenen aan, want je breekt je nek over de bierblikjes en de chipszakken. Ondertussen is het een dag om verliefd te worden. Niet om verliefd OP te worden, maar een dag waarop je graag verliefd zou zijn. Dat lijkt me wel wat. Ik denk dat ik verliefd ga worden. Dat past ook goed bij de zee. (Ik schrijf je daar later over.) Romantiek kan er niet genoeg zijn, toch? Hebben ze hier ook niet. Bij jou waarschijnlijk wel. Vertel het me allemaal. Ik weet niks over jouw zee, en over dat eiland. Wat doet het met je? Waar denk je aan? Kom je daar wél tot inkeer? Word je blij? Of juist droevig? HOI ROB WEER, was je hier, dan had je rust en stilte. Inkeer, dat durf ik niet te zeggen. Inkeer betekent dat je zus of zo voortaan gaat laten vanwege de nare gevolgen. Maar hoe vaak ben ik niet volslagen vergeten dat ik tot inkeer was gekomen over een kwestie van belang! Alles neemt uiteindelijk toch weer z'n gewone loop. Het is net als te veel skunk achter de kiezen hebben. Je ziet ineens scherp hoe de dingen in elkaar steken en je lacht je te pletter, maar als het zaakje is uitgewerkt rest er niets dan wezenloos voor je uit staren. Huh? Alles kwijt. Het is net licht geworden. Ik zit met een campinggasje op dezelfde plek als enkele dagen geleden met die rotganzen. Koffie. De zon zal opkomen maar ik zal haar niet zien. Ik zie ook de loods van Harlingen niet. Het is grijs. Het ebt hier aan de waddenkant. Tot zover ik kan kijken zijn er ribbels, vochtige ribbels. Ik hunker. De zee is weg. Ik kan lopen wat ik wil. Dat is het! Het is niet de zee. Het is het ver-weg. Ouder worden houdt mij niet zo bezig. Tenminste niet zoals het jou bezighoudt. Niet in de zin dat er toen van alles in het verschiet lag en nu niet meer. Ik ging nooit met clubjes naar het strand. Ik kom uit Twente en ik weet van niks. Wat mij beheerst is dat je verdomme nooit zult weten of je de juiste keuzen maakt. Dat het leven daarvoor domweg te kort is. Je hebt nauwelijks dingen kunnen doen waarop je je stappen kunt baseren, en heb je een stap gezet, dan rest er geen tijd meer om na te gaan of het de juiste was. Het is altijd god zegene de greep. En dan wordt het verhaal pas echt eenzaam, want god zal het allemaal worst wezen. Ik weet nog dat ik met Saskia op het strand van Terschelling stond. Elke plek in Nederland heeft een overkant. Holland ligt tegenover Engeland. Vlieland tegenover IJsland, Ameland en Schiermonnikoog tegenover Noorwegen. Maar als je vanuit Terschelling de zee neemt, kom je nergens meer aan wal. Uiteindelijk blijf je steken in het ijs van de noordpool. Het is allemaal gruwelijk. Ik vertelde het Saskia. 'Laten we een bakkie doen’, was haar antwoord. Dat was nou Saskia. Mijn enige goede keuze tot nu toe. Gisteravond wat door Oost-Vlieland gewandeld, het enige dorpje hier. Een straat en je hebt het weer gehad. De mensen wat ouderwetser kleden en je loopt rond in een vergeelde eilandroman. Te bedenken dat hier vroeger alles draaide om walvis. Wat hebben die mensen nu nog met de zee? Met z'n allen die ene zeevogelbioloog per dag van het nodige voorzien? Ik ben even naar boven geklommen, naar de vuurtoren. Iedereen houdt iedereen bezig. Altijd en overal. Het zou zo geweest kunnen zijn: de vuurtorenwachter stookt zijn vuur. Dat loodst de walvisvaarders behouden naar huis. Die verkopen hun walvistraan aan de wachter zodat die weer kan stoken bij hun volgende vaart. Komen de vissers weer behouden thuis. Zinloos allemaal. Wellicht was het anders, maar de gedachte werd mij zwaar te moede. Cirkels. Ik moest door het bos - ik hou niet van bos - om op het noordwestelijke strand te komen. Daar kwam voor het eerst die dag de zon achter de wolken vandaan. Rood. Laag. Een zwarte streep deelde haar in tweeën. De zee bewoog niet. Aan de horizon stond zij in brand. Weer die hunkering naar onbestemde verten. Dat is het met de wadden. Dat is het met de zee. Overal de verte. Alles is onmetelijk. Niets doet er nog toe. Je bent verdwenen. Rob, nooit meer Scheveningen!