Overal miezerige ik-jes

Het ik-verhaal is niet voorbehouden aan de romankunst, ook de journalistiek is er inmiddels van vergeven. Maar is dat echt wat het publíek wil?

‘Je hebt het recht de mensen attent te maken op het feit dat je bestaat’, aldus een criticus in de roman The Fountainhead. Maar dat betekent niet dat je bestaan het ook waard is om beschreven te worden.

Deze zomer las ik de klassieker van Ayn Rand en ik kan wel zeggen dat mijn leven sindsdien niet meer hetzelfde is. Al schrijf ik dit met enige schroom want het feit dat ik meteen over mezelf begin is eigenlijk helemaal fout. Of beter gezegd: is een voorbeeld van linkse indoctrinatie. Cultuurmarxisme noemen sommigen dat vandaag de dag, maar als het daarover gaat, en dat gaat het nogal eens in sommige kringen, klinkt het meteen als een complot van linkse hoogleraren en talkshowredacties. In 1941 echter beschreef Rand een veel subtieler proces, samen te vatten als de viering van de middelmaat.

Zo noemt Rand bijvoorbeeld de opkomst van het zogenaamde ik-verhaal. In The Fountainhead komt een schrijver voorbij, Lancelot Clokey, die boven aan de bestsellerlijsten staat met zijn eerste boek, ‘een verslag van zijn persoonlijke belevenissen in vreemde landen’. Tegenwoordig vind je dat soort Clokey’s overal. Romanschrijvers voeren zichzelf op als personage, stellen hun eigen gedachten, gevoelens en twijfels centraal, en beschouwen de wereld zodoende vanuit hun eigen navel.

Of zoals een criticus het in The Fountainhead zegt: ‘Hoe Lancelot Clokey dysenterie kreeg in een land waar hongersnood heerste.’ Of nog beter: ‘Wereldcatastrofes als decor voor je eigen miezerige persoonlijkheidje.’

Het is een trend die zich inmiddels niet alleen tot de romankunst beperkt. Ook in de journalistiek wint het ik-verhaal aan populariteit, zoals ex-hoofdredacteur Philippe Remarque een paar weken geleden in de Volkskrant schreef. Was de krant ooit een meneer, deftig en afstandelijk, tegenwoordig leven we steeds vaker persoonlijk met de verslaggever mee. Volgens Remarque luisteren mensen nu eenmaal ‘liever naar vertellers met een gezicht’. En dus vertelt zelfs een correspondent in het journaal nu vaak hoe hij zich voelde bij het zien van alle ellende in een vreemd land.

Maar is dat werkelijk wat het publiek wil horen? Persoonlijk ken ik toch een heleboel mensen, onder wie mezelf, die al dat ge-ik ontzettend irritant vinden. Geef me gewoon een goed verhaal! Geef me ideeën en inzichten, maar laat alsjeblieft je eigen ego achterwege.

‘De geluidswaarneming van een mier is niet toereikend voor de donder’

Het stak dus wel even toen ik las dat de psychoanalyticus Paul Verhaeghe ook mij onder de ik-vertellers schaart (maar toch niet nadat ik eerst een rondedansje had gedaan: Verhaeghe heeft mijn boek gelezen!). In het laatste zomeravondgesprek in de NRC noemt hij het een generatieverschil: jonge(re) schrijvers die een onderwerp uitdiepen aan de hand van zichzelf: ‘Dat ga je niet vinden bij mensen van mijn leeftijd.’ Zelf zou hij nooit op die manier willen schrijven, zegt hij.

Verhaeghe heeft gelijk, in mijn zelfverwoestingsboek wurm ik mezelf er voortdurend tussen. Maar een generatieverschil? Nee, zegt Rand in haar roman die nog veel harder stak, zo persoonlijk trok ik me haar kritiek aan. Want het ligt niet aan de mensen die over zichzelf schrijven, het probleem zit in een cultuur waaraan ze (onbewust) bijdragen.

Het probleem zit in de kranten die een oneindige hoeveelheid columns over huiselijke beslommeringen plaatsen, in de interviews op tv die altijd persoonlijk moeten zijn, in de uitgevers die al die egodocumenten publiceren. Wat ze propageren is een ideologie van ‘het kleine’.

Die ideologie wordt in The Fountainhead verpersoonlijkt door de criticus en socialist Ellsworth Toohey. Als rechtgeaard links denker wil Toohey maar een ding en dat is een wereld waarin iedereen gelijk is. Hij streeft naar een cultuur die gericht is op herkenning, op verbinding, op het gevoel dat je niet alleen staat, omdat we samen één zijn. Voor het uitzonderlijke is hier geen plek. De mensen die meer kunnen, meer weten, dan de rest bedreigen immers de illusie van gelijkheid en daarmee ook de eenheid. En daarom was het dus ook Toohey die als invloedrijk criticus hoogstpersoonlijk een succes maakte van Lancelot Clokey’s dysenterie, juist omdat hij wist wat een armzalig boek het was.

‘Het is heel eenvoudig, Lance. Zodra het feit dat iemand een volslagen nul is en niets belangrijkers heeft gedaan dan eten, slapen en kletsen met zijn buren iets wordt om trots op te zijn en aan de wereld mee te delen en onder de ogen van miljoenen lezers te brengen, wordt het feit dat iemand een kathedraal heeft gebouwd iets om te verzwijgen.’

Het publiek kan die twee uitersten nu eenmaal niet samen aan. Door het kleine te vereren verdwijnt met andere woorden de grootsheid buiten beeld. En kunnen we blijven geloven dat we allemaal gelijk zijn. ‘De geluidswaarneming van een mier is niet toereikend voor de donder.’

Zijn de meeste hedendaagse schrijvers, journalisten en columnisten mieren die donder willen zijn? De vraag alleen al bewijst volgens Rand mijn eigen mierigheid. Deze hele column bewijst die mierigheid. Maar in één ding heeft ze in ieder geval zeker gelijk, dacht ik na het lezen van The Fountainhead: de allerbeste boeken en artikelen bieden geen herkenning, maar gooien je hele wereld overhoop. En de kans daarop is inderdaad aanzienlijk groter zonder een volslagen nul als ik-verteller in de weg.