Joseph Stiglitz’ antiserum tegen het neoliberalisme

Overal vingerafdrukken van het grootbedrijf

In zijn recente boek De euro roept Joseph Stiglitz Europese politici als Jeroen Dijsselbloem op om de door hen aanbeden begrotingsdiscipline te verlaten voordat het te laat is. Opdat het niet opnieuw 1919 wordt.

Medium stiglitz 2003

Toen John Maynard Keynes in de zomer van 1919 teleurgesteld terugkeerde uit Parijs beschreef hij zijn deprimerende ervaringen tijdens de vredesonderhandelingen in Versailles in de moderne klassieker The Economic Consequences of the Peace. Het was en is geen vrolijk boek. De geest van wraakzucht die Keynes in de wandelgangen en vergaderzalen van Versailles gewaar werd, deed hem het ergste vrezen voor de toekomst van de Europese civilisatie. De toen 36-jarige econoom-ambtenaar verzuchtte aan het slot in zijn prachtige Engels: ‘If we aim deliberately at the impoverishment of Central Europe, vengeance, I dare predict, will not limp. Nothing can then delay for very long that final civil war between the forces of Reaction and the despairing convulsions of Revolution, before which the horrors of the late German war will fade into nothing, and which will destroy, whoever is victor, the civilization and the progress of our generation.’

Op zoek naar de wortels van de woede die op allerlei plekken door de huid van het nieuwe boek over de eurocrisis van de veelgelauwerde Amerikaanse econoom Joseph Stiglitz heen prikt, lees ik hem in een hotel in Amsterdam zonder bronvermelding bovenstaande passage voor. Stiglitz is die ochtend aangekomen uit Amerika en ondanks zijn vermoeidheid zie ik aan zijn oplichtende ogen dat de gedragen, omineuze taal zijn uitwerking niet mist. Hoewel hij het niet onmiddellijk kan plaatsen, weet hij waar de ‘finale burgeroorlog’ naar verwijst. Hij heeft dan ook aan ‘Keynes’ genoeg om het boek te dateren en de titel ervan te identificeren. ‘Uncanny’, is zijn eerste reactie, ‘griezelig dat iemand, zo jong, zo vroeg al, de politieke kettingreacties kon voorvoelen op de revanchistische verarmingspolitiek die de “triple entente” in 1919 met het desastreuze Verdrag van Versailles in gang zette en die in 1933 leidde tot de machtsovername van de nazi’s en in 1939 tot de inval in Polen.’

Stiglitz behoort tot een generatie economen – samen met de voormalige voorzitter van de Federal Reserve Ben Bernanke, de stercolumnist van The New York Times Paul Krugman en de bekende economisch historicus Barry Eichengreen – wier biografie diep is getekend door de politieke maalstromen van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Veel van hun bijdragen aan het economische corpus zijn geïnformeerd door een grondige bestudering van deze periode en zijn in feite in mathematica verpakte depressielessen: zorg voor voldoende liquiditeit in het financieel stelsel; werp de deflationaire ketenen van de goudstandaard zo gauw mogelijk van je af; sla niet het pad naar handelsoorlogen in, en gebruik de verzorgingsstaat om de conjunctuurcyclus te temmen. Zoals Keynes in zijn magnum opus uit 1936, The General Theory of Employment, Interest and Money, omstandig heeft uitgelegd, zijn uitkeringen namelijk niet alleen een kostenpost maar ook koopkracht en dus consumptie en groei.

Volgens Stiglitz moeten deze lessen steeds opnieuw worden geleerd. Niet alleen omdat de omstandigheden keer op keer verschillend zijn, maar ook door de krachtige verleiding die uitgaat van het idee van de volmaakte markt die er zonder overheidsingrijpen voor zal zorgen dat het universum altijd in evenwicht is. Juist in deze neoliberale tijden – volgens de meeste economen een leeg scheldwoord maar door Stiglitz in De euro onbekommerd gebruikt om de heersende politiek-economische ideologie mee aan te duiden – zijn politici erg vatbaar voor deze marktverleiding. En, zoals Stiglitz al even onbekommerd schrijft: er zijn altijd wel drie economen te vinden die bereid zijn om het met het neologisme ‘groeikrimp’ van academische legitimatie te voorzien – ‘economen houden nou eenmaal van contra-intuïtieve analyses’, heet het droogkomisch in De euro: Hoe de gemeenschappelijke munt de toekomst van Europa bedreigt.

Het inzicht dat markten niet perfect zijn maar onderhevig aan irrationaliteiten en om die reden constante interventie vereisen, bijvoorbeeld om de gevolgen van de ongelijke toegang tot informatie tegen te gaan, vormt de ruggengraat van Stiglitz’ academische werk en leverde hem in 2001, samen met George Akerlof en Michael Spence, de Nobelprijs voor de economie op. Om dat praktisch te illustreren verwijst hij naar zijn ervaringen bij de Wereldbank, waar hij in 1997 als hoofdeconoom actief werd en waar hij drie jaar later vanwege felle kritiek op wat destijds de ‘Washington Consensus’ heette weer werd ontslagen. Het mondde twee jaar later uit in het brisante Globalization and Its Discontents, waarin Stiglitz korte metten maakte met het marktfundamentalisme.

Stiglitz nu over die periode: ‘De programma’s van het imf en de Wereldbank die in de jaren tachtig aan Latijns-Amerikaanse landen werden opgelegd en in de jaren negentig in Azië, maakten de kwaal erger in plaats van minder. De diagnose was verkeerd en dus de remedie. De crises aldaar waren niet een gevolg van te weinig markt maar van te veel markt, vooral te veel financiële markt. En de interventies van imf en Wereldbank hebben de schade alleen maar vergroot, met rampzalige gevolgen voor de burgers.’ Volgens Stiglitz heeft het neoliberalisme in Afrika de economische ontwikkeling met ten minste 25 jaar vertraagd, heeft het in Azië tot een verloren decennium geleid en zijn wij in de eurozone hard op weg om dat nog eens dunnetjes over te doen.

Terwijl imf en Wereldbank, door schade en schande wijs geworden, zich langzaam hebben afgewend van dit marktfundamentalisme en bijvoorbeeld voorzichtig voorstanders zijn geworden van kapitaalcontroles om de in- en uitstroom van speculatieve kapitaalbewegingen aan banden te leggen, en het imf zich in een veelbesproken schrijven zachtjes heeft afgevraagd of de baten van het neoliberalisme niet te veel zijn opgeblazen en zich in een aantal zelfstudies uiterst kritisch heeft betoond over de eigen rol in de eurocrisis, heeft Europa zich in de euforie van de val van de Muur in 1989 en het kapitalistische triomfalisme dat zich in die periode van het Westen meester maakte kritiekloos laten meesleuren in een monetair avontuur dat tot in de haarvaten is doordesemd van neoliberale geloofsbeginselen.

Stiglitz in De euro: ‘De grondleggers van de euro werden geleid door ideeën over hoe economieën functioneren die weliswaar in de mode maar desalniettemin overduidelijk verkeerd waren. Zij geloofden heilig in de heilzame werking van markten maar hadden geen benul van hun beperkingen en wat er nodig is om markten goed te laten functioneren.’ Waarbij ‘goed’ verwijst naar iedereen, in plaats van naar de deelbelangen van het grootbedrijf.

De fixaties op begrotingstekort (drie procent), staatsschuld (zestig procent), inflatie (minder dan twee procent) en het mandaat van de ecb (geen werkgelegenheidsdoelstelling) wijzen alle één richting op: het afdwingen van interne devaluatie door externe devaluatie via de band van het wisselkoersmechanisme onmogelijk te maken. In gewone mensentaal: concurrentieverschillen kunnen in een muntunie niet langer worden opgevangen door de munt te devalueren, maar vereisen verlaging van de arbeidskosten door de verzorgingsstaat af te breken, arbeidsmarkten te flexibiliseren en de rechtsbescherming van werknemers te ontmantelen.

Volgens Stiglitz was dat van meet af aan de bedoeling van de euro: ‘De Europese Monetaire Unie functioneert als een automatische de-stabilisator, die garandeert dat een recessie een depressie wordt. Als de economie inzakt en de belastinginkomsten teruglopen, moeten de belastingtarieven omhoog om aan de begrotingseisen te voldoen, en daardoor krimpt de economie verder. Het is sadistisch. En suggereert een geheime agenda van de ontwerpers ervan: een kleinere overheid, met een geringere rol in de economie. Kijk naar de hervormingsprogramma’s van de trojka en de beleidsaanbevelingen van de Europese Commissie in het kader van de buitensporige tekortprocedures.’

Die beschuldiging wordt gestaafd door de archieven: ‘Als we een economische en monetaire unie hebben, kan een land als Nederland niet meer vrijelijk de begrotingstekorten naar eigen genoegen opfokken (sic!). Brussel gaat opleggen wat kan en niet kan. Sommigen betreuren dat je die vrijheid kwijtraakt. Ik niet, ik juich dat toe. Natuurlijk versterkt dat de positie van de minister van Financiën. Je kunt Brussel gebruiken om ministers en parlement in het begrotingsgareel te houden.’ Aan het woord is Onno Ruding en we staan aan de vooravond van het Verdrag van Maastricht van 1992. Ruding is op dat moment net minister van Financiën-af maar is nauw betrokken geweest bij de voorbereidingen van de Europese Monetaire Unie. Het citaat illustreert een wereldbeeld. In die periode werd de overheid, vrij naar Ronald Reagan, als het probleem gezien en de markt als oplossing: hoe kleiner het monster van de verzorgingsstaat, hoe beter het in de ogen van Ruding en zijn generatiegenoten was.

‘De Unie functioneert als een automatische de-stabilisator, die garandeert dat een recessie een depressie wordt’

Het is de terugkeer van dit soort virulente antikeynesiaanse en ten diepste antidemocratische aandriften die Joseph Stiglitz deed besluiten zijn boek te schrijven: ‘Toen mij berichten bereikten dat sommigen in Europa de eurocrisis wilden misbruiken om dat zeer succesvolle voertuig van emancipatie, pacificatie en harmonisatie, de verzorgingsstaat, willens en wetens af te breken, kon ik me niet langer beheersen en ben ik in de pen geklommen.’

Wat Ruding voorspelde geschiedde. En De euro doet vervolgens in pakweg honderd pagina’s verslag van wat er mis ging. Sinds de introductie van de euro in 2002 stagneren in het Noorden (en in Italië) de lonen, al probeerden sommige landen (Nederland, Ierland) dat te compenseren door huizenzeepbellen te blazen, en rijzen de winsten van het grootbedrijf de pan uit. In het Zuiden – waar volgens de al even eurokritische Duitse arbeidssocioloog Wolfgang Streeck de instituties ontbreken om economiebreed lonen te matigen – hebben stijgende arbeidskosten geleidelijk de competitiviteit uitgehold en leidde het resulterende tekort op de lopende rekening per definitie tot oplopende begrotingstekorten (en dus stijgende staatsschulden). Totdat, eind 2009, beleggers steeds meer gingen twijfelen over de houdbaarheid van die schulden en Griekenland, Ierland en Portugal in 2010 en 2011 en 2015 bij de andere lidstaten moesten aankloppen voor noodfinanciering, waarna de trojka van EU, ecb en imf zijn kans schoon zag om alsnog af te dwingen wat het Noorden vrijwillig deed, namelijk de verzorgingsstaat naar de maat van het grootkapitaal snijden.

Heilig gelovend in de economische magie van de woorden meenden de grondleggers van de euro dat de convergentiecriteria van Maastricht als vanzelf de voorwaarden voor een ‘optimale muntunie’ zouden scheppen, die de monetaire econoom Robert Mundell in 1961 aan het papier had toevertrouwd. Kort: voldoende arbeids- en kapitaalmobiliteit tussen landen; voldoende prijs- en loonflexibiliteit binnen landen; voldoende solidariteit tussen staten, en een min of meer gedeelde conjunctuurcyclus. De hoop was dat als lidstaten hun tekorten maar zouden terugdringen en hun schuldenlast maar zouden reduceren en als de ecb de inflatie maar onder de twee procent zou houden markten als vanzelf de structurele convergentie in euroland zouden afdwingen die in de theorie van Mundell de voorwaarde was voor een muntunie. Convergentie dus als uitkomst, in plaats van als startpunt.

Medium stiglitz 2008

En als je alleen naar de rentestanden op overheidsobligaties keek, zou je haast geloven dat de markten de grondleggers gelijk gaven. Opslagen op Griekse staatsobligaties boven op Duitse staatsobligaties daalden van pakweg vijftien procent in 1995 naar verwaarloosbare tienden van een procent na 2002. Ook volgens professionele beleggers deed de euro kennelijk wat die moest doen: landen met verschillende culturen, geschiedenissen en instituties macro-economisch naar elkaar toe duwen.

Tot aan de herfst van 2008 was er zo op het oog dan ook geen vuiltje aan de lucht. Maar toen in oktober 2009 de nieuwe regering van Giorgos Papandreou de eurocrisis in gang zette met haar erkenning dat het Griekse begrotingstekort met 12,7 procent bijna twee keer zo hoog was als eerder werd aangenomen, bleek Brussel jarenlang naar de verkeerde metertjes te hebben gekeken. De convergentie van renteopslagen had, samen met het geloof in markten, de goegemeente in slaap gesust voor wat er in de jaren ervoor feitelijk was gebeurd: de rijke landen waren rijker geworden en de arme landen armer, met grote tekorten op de lopende rekening in het Zuiden en overschotten in het Noorden tot gevolg. En het was alleen te danken aan de kortzichtige graaizucht van banken als Deutsche Bank, BNP Paribas, Commerzbank en Société Générale dat Griekenland, Spanje, Portugal en Ierland hun scherp opgelopen (publieke en vooral (!) private) schulden hadden kunnen financieren waardoor de onderliggende spanningen aan het zicht waren onttrokken. Wat een convergentiemachine had behoren te zijn was een krankzinnige divergentiemachine geworden.

Zoals Stiglitz overtuigend in De euro laat zien, zijn de verschillen tussen de lidstaten niet kleiner geworden maar groter, en zijn de lidstaten sinds het uitbreken van de eurocrisis in 2010 slechts verder uit elkaar gedreven. ‘Europa creëerde een divergerend systeem terwijl het dacht een convergent systeem in elkaar te hebben gezet’, heet het daar. Het zou tot 2015 duren totdat de ecb officieel zou erkennen dat er van convergentie inderdaad bitter weinig terecht was gekomen.

Het derde deel van De euro gaat dieper in op het Griekse drama. Stiglitz’ sleutelobservatie is dat het een naargeestige speling van het lot is geweest dat Griekenland als eerste in de problemen kwam. Dit voedde namelijk, om met Keynes te spreken, ‘de krachten van de reactie’ die de eurocrisis wilden gebruiken om begrotingsdiscipline af te dwingen en dus een casus van hoge publieke schulden en grote begrotingstekorten nodig hadden om de lidstaten mee om de oren te slaan. Griekenland was koren op hun molen. Sindsdien is begrotingsdiscipline het voornaamste doel geworden van de vele institutionele paragrafen die nachtelijke vergaderingen in Brussel hebben opgeleverd.

Stiglitz betreurt het niet alleen omdat Brussel louter en alleen om een voorbeeld te stellen Griekse burgers vervolgens meedogenloos in het Vagevuur van eeuwige depressie heeft gesmeten, maar ook omdat het de aandacht heeft afgeleid van wat in feite een veel groter probleem in de eurozone was (en – zie Deutsche Bank – nog steeds is), namelijk achterblijvende binnenlandse koopkracht, die in een aantal lidstaten is gecompenseerd door de kredietvoorwaarden voor hypothecaire leningen verregaand te versoepelen en inheemse huizenzeepbellen te blazen die, zo bleek in 2008, grote sociale en economische schade berokkenen wanneer ze knappen.

Het verhaal van Spanje, Ierland en Nederland heeft namelijk niets gemeen met het verhaal van Griekenland. Daar geen verkwistende overheid, maar wankele grootbanken met ondemocratische chantagemacht en veel schuldhorige huishoudens. Als Ierland Griekenland voor zou zijn geweest, zou het verhaal van de eurocrisis niet een verhaal van begrotingstekortreductie tegen elke prijs zijn geworden, maar een verhaal van fors hogere bankenbuffers, betere debiteurbescherming en publieke steun bij het terugdringen van de private schuldenlast. Of zoals Stiglitz in De euro schrijft: ‘Het is onfortuinlijk dat het eerste land dat in financieringsproblemen kwam Griekenland was, omdat de problemen van Griekenland Duitsland en andere in staat stelde de aandacht te vestigen op overheidsverkwisting, daarmee de problemen waarmee andere lidstaten kampten die (in ieder geval voor de crisis) geen hoge staatsschuld en geen grote begrotingstekorten kenden onder het tapijt vegend.’

In twee woedende hoofdstukken laat Stiglitz vervolgens geen spaan heel van de drie programma’s die de trojka Griekenland sinds mei 2010 heeft opgelegd. Volgens Stiglitz heeft de trojka zo ongeveer alles fout gedaan wat ze maar fout kon doen: procyclische bezuinigingen, verkeerd ontworpen lastenverzwaringen, potsierlijke privatiseringsprogramma’s die de staat kostbare inkomsten scheelden, wel snijden in pensioenen en niet in de aanschaf van peperdure Duitse duikboten, te late en te geringe schuldafwaardering, en noodfinanciering die in het Noorden werd verkocht als steun voor luie Grieken, maar die in werkelijkheid terechtkwam bij verwende Duitse en Franse bankiers. Hetzelfde geldt voor de afgedwongen hervormingen: micromanagement van brood- en melkmarkten, uitschakelen van vrije loononderhandelingen tussen werkgevers en werknemers, makkelijkere huisuitzettingen en afbraak van de verzorgingsstaat. Volgens Stiglitz zijn overal de vingerafdrukken van het Noord-Europese grootbedrijf te ontwaren.

Er was geen enkele reden om de euro de neoliberale ziel te geven die ze met het Verdrag van Maastricht heeft gekregen

Afgelopen vrijdagavond kruisten in de aula van de Universiteit van Amsterdam Joseph Stiglitz en voorzitter van de eurogroep Jeroen Dijsselbloem de degens over Griekenland. Uiteraard betwistte Dijsselbloem Stiglitz’ lezing. Zo had het oprekken van de juridische definitie van verse melk van vier naar tien dagen niets te maken met de belangen van Campina, maar juist met de creatie van een landelijke Griekse melkmarkt die zou moeten leiden tot lagere melkprijzen. Belangrijker was dat Dijsselbloem toegaf dat de trojka fouten had gemaakt. Er was te veel haast gemaakt; er was te veel geleund op lastenverzwaringen; de bezuinigingen waren hier en daar ondoordacht, en – brisanter – er had eerder en dieper moeten worden gesneden in de Griekse staatsschuld. En daarmee gaf Dijsselbloem de kortstondige Griekse minister van Financiën Yanis Varoufakis ‘postuum’ alsnog gelijk. Ook was het voor het eerst dat ik Dijsselbloem hoorde erkennen dat de Grieken slachtoffers waren, al voegde hij er in één adem aan toe dat ze ook daders waren.

De euro smeult van nauw verholen woede. Stiglitz verwijt Europese politici ‘onwaarachtigheid’, ‘hubris’, ‘hypocrisie’, ‘oneerlijkheid’, ‘stupiditeit’, een ‘ondemocratische inborst’; heeft het over loopjongens van de financiële sector; noemt ze verblind door een ideologie (‘neoliberalisme’ of ‘marktfundamentalisme’, synoniemen in Stiglitz’ ogen) die blind maakt voor economische feiten; spreekt van ‘op hol geslagen cognitieve dissonantie’; vergelijkt de Duitse autoriteiten met middeleeuwse kwakzalvers die geloven in de heilzame werking van aderlating; beschuldigt oud-ecb-president Jean-Claude Trichet ervan willens en wetens Ierse burgers te hebben geofferd om Duitse banken te redden; doet hetzelfde met Mario Draghi die vorig jaar de liquiditeitskraan van de ecb misbruikte om Tsipras en de zijnen op de knieën te dwingen en Griekenland nog een dosis toxische medicatie door de strot te kunnen douwen, en noemt Jean-Claude Juncker in de epiloog over de Brexit die aan de Nederlandse editie is toegevoegd fijntjes ‘de trotse vader van het Luxemburgse belastingparadijs’.

Leesplezier gegarandeerd, maar klopt het ook? Doet Stiglitz hiermee wel recht aan de politieke complexiteit en de tijdsdruk waaronder dit soort beslissingen plaatsvinden? Impliceert dat niet een wat genereuzere beoordeling van de hoofdrolspelers in het zedenspel dat eurocrisis heet? ‘Mijn boek is geen historische reconstructie van de politieke geschiedenis van de euro’, antwoordt Stiglitz. ‘De euro is een oefening in ideologiekritiek. Ik erken dat de totstandkoming van de eenheidsmunt zijn wortels heeft in een politieke uitruil die mogelijk werd gemaakt door de val van de Berlijnse Muur in 1989. Ook erken ik dat politieke beslissingen “feiten” produceren die net zo hard en dwingend kunnen zijn als economische “feiten”. Waar het mij om gaat, is dat er geen enkele reden was om de euro de neoliberale ziel te geven die ze met het Verdrag van Maastricht heeft gekregen. Die beslissing heeft alles te maken met de ideologische waanideeën van die tijd: markten weten altijd beter.’

Het is alweer Keynes die dit mechanisme als eerste heeft beschreven: ‘Practical men who believe themselves to be quite exempt from any intellectual influence, are usually the slaves of some defunct economist. Madmen in authority, who hear voices in the air, are distilling their frenzy from some academic scribbler of a few years back.’

Stiglitz’ boek leest als een antiserum tegen dit soort neoliberale, ideologische verdwazing-voor-het-te-laat-is en is daarmee primair bedoeld voor de ‘madmen in authority’ van Keynes; mannen dus als Dijsselbloem. Stiglitz’ vrees voor de fragmentatie van het populisme die dreigt als Europese leiders burgers blijven slachtofferen op het altaar van de heilige eenheidsmunt is de voornaamste reden waarom hij hen in het vierde deel van zijn boek de binaire keuze voorhoudt van meer of minder Europa. Als je de euro wilt behouden, aldus Stiglitz, moet je ervoor zorgen dat de constitutionele ophanging van de munt zodanig wordt aangepast dat de muntunie ten goede komt aan iedereen en niet alleen aan Duitse, Nederlandse en Oostenrijkse multinationals. Als je daartoe niet bereid bent, moet je er vervolgens niet vreemd van opkijken als je vroeg of laat geconfronteerd wordt met de noodzaak om de euro op te geven om de Europese Unie te redden. Stiglitz: ‘De euro is een middel, niet een doel.’ En: ‘De Europese Unie is te belangrijk om haar door de euro te laten verpesten.’

De waslijst van wat er mis is met het dna van de euro is lang en dus is ook de lijst van wat er gedaan moet worden om de euro levensvatbaar te maken veelpuntig. Ik pik er een paar uit: een echte bankenunie, inclusief een gemeenschappelijk depositogarantiestelsel; gemeenschappelijke obligaties; slimmere begrotingsregels; Europese belastingheffing; Europese werkloosheidsuitkeringen; loonstijgingen in overschotlanden; een dubbel mandaat voor de ecb (niet alleen inflatiebestrijding maar ook werkloosheidsbestrijding); hervorming van financiële markten en banken om ervoor te zorgen dat ze de reële economie dienen en niet elkaar; een bodem onder de winstbelasting om belastingontwijking tegen te gaan; schuldkwijtschelding voor landen met te hoge staatsschulden.

Het betekent verdragswijziging, referenda, politieke contestatie en veto’s en contrasteert schril met de bijna achteloze wijze waarop Stiglitz de kosten van een Grexit, Nexit, Frexit of Dexit bagatelliseert. In tegenstelling tot bijna het hele economengilde dat al jaren hamert op het altaar van de angst is Stiglitz opmerkelijk luchthartig als over de kosten van ontvlechting. De redenering is een eigentijdse: hoe groter de digitale geldeconomie, hoe geringer de transitiekosten. De invoering van de digitale euro in 1999 was een eitje, de invoering van de chartale euro in 2002 was een logistieke nachtmerrie. En waar ‘cash’ nog wel ‘king’ is (Griekenland, Duitsland) kan een Grexit of Dexit een fantastische gelegenheid zijn om versneld de toekomst van het nieuwe, digitale geld binnen te glijden.

Als ontvlechting zo makkelijk is, waarom geeft Joseph Stiglitz dan de voorkeur aan het lastige, met voetangels en klemmen bezaaide pad naar meer Europa? Het antwoord is simpel en lijkt als twee druppels water op wat er in 1919 misging. Om Stiglitz te parafraseren: als jullie niet kiezen voor het pad der wijsheid zullen de omstandigheden jullie onvermijdelijk het pad der onzekerheid op jagen. En volgens Stiglitz is de kans groot dat die omstandigheden gaan worden bepaald door Europa’s nog altijd onvoldoende gekapitaliseerde bankwezen – en daar klinkt inderdaad de actuele situatie van Deutsche Bank, een van ’s werelds grootste en wankelste banken, levensgroot in door. Stiglitz in het hotel omineus: ‘Doormodderen is een uiterst gevaarlijk scenario waar hoge kosten aan zijn verbonden, zowel economisch, politiek als sociaal.’

Terug naar 1919, terug naar The Economic Consequences of the Peace van John Maynard Keynes, die na de naargeestige passage waarmee ik het interview begon, een beroep deed op het betere zelf van zijn tijdgenoten om het onvermijdelijke noodlot af te wenden: ‘Even though the result disappoints us, must we not base our actions on better expectations, and believe that the prosperity and happiness of one country promotes that of others, that the solidarity of man is not a fiction, and that nations can still afford to treat other nations as fellow-creatures?’

En leg dat naast de passage waarmee Stiglitz De euro eindigt: ‘Ik heb een hervormingsagenda geformuleerd voor de structuur van de eurozone en voor het economische beleid dat de eurozone dient te volgen zodra een van haar leden in crisis verkeert. Deze hervormingen zijn economisch niet ingewikkeld; noch zijn ze institutioneel lastig te realiseren. Maar zij vereisen wel een modicum aan Europese solidariteit – het soort solidariteit dat fundamenteel anders is dan het zelfmoordpact waar sommige Europese leiders om roepen.’

Net als Keynes doet Stiglitz een beroep op wat er niet is: voldoende vertrouwen (‘solidariteit’) tussen de lidstaten van de eurozone om de muntunie op de lange termijn levensvatbaar te maken. Het cynische is dat het sterk gegroeide wantrouwen tussen Noord en Zuid in belangrijke mate het onbedoelde neveneffect is van de misgeboorte die euro heet. En dus neemt de kans op het onvermijdelijke ongeluk alleen maar toe. Het is de angst voor populistische fragmentatie waarmee de dwingende kracht van de omstandigheden is omgeven, die Stiglitz, kleinkind van de depressie, heeft ingefluisterd een laatste poging te wagen Europese politici als Dijsselbloem op te roepen te luisteren naar hun betere zelf voor het te laat is. In 1919, weten we nu, was het vergeefs. Het is een open vraag of dat nu anders zal zijn.


Joseph Stiglitz, De euro: Hoe de gemeenschappelijke munt de toekomst van Europa bedreigt, Athenaeum, € 22,50


Beeld: ‘De Europese Unie is te belangrijk om haar door de euro te laten verpesten’