‘overal zijn gekken’

DE SERVISCHE familie Bakrac leek eindelijk eens geluk te hebben. Enkele weken geleden gingen zoon Ivan (19), Vojko (48) en zijn vrouw Vesna (43) op weg naar Belgrado, al voor de derde keer. In Belgrado zouden ze opnieuw de Amerikaanse ambassade bezoeken, om een gesprek te hebben met een hoge functionaris. De uitkomst van het gesprek zou waarschijnlijk zijn, zo liet een medewerker van de ambassade weten, dat ze naar het Beloofde Land konden emigreren.

De Servische familie woonde vijftien jaar lang in Zagreb, Kroatië. Toen in 1991 de oorlog begon, werd het leven voor hen daar ondraaglijk. Ze vertrokken naar Belgrado, dat in die tijd werd overspoeld met Servische vluchtelingen. In Belgrado was geen werk, in Kosovo wel, werd ze verteld. Uiteindelijk vond Vojko een slecht betaald baantje als ober in een hotel, Vesna werd kapster. Maar opnieuw kwam de familie in een burgeroorlog terecht, ditmaal tusen Albanezen en Serviërs. Er restte nog maar één uitweg: weg van de Balkan.
De familie Bakrac reisde in een bus vol Albanezen. Langs de weg zagen ze soldaten van het Albanese Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK). De stemming in de bus was vrolijk, mensen zwaaiden naar de strijders. Na een paar kilometer doken opnieuw guerrilla’s op. Dit keer stopte de chauffeur om hen de hand te schudden. De UÇK-commandant wilde de identiteitsbewijzen van de passagiers controleren. ‘Een formaliteit’, zei hij. Het zou de reis maar tien minuten ophouden. De bus vervolgde inderdaad al snel weer zijn weg, maar zonder vier mannen die een niet-Albanese achternaam hadden. Mevrouw Bakrac moest man en zoon bij de strijders achterlaten. Zelf mocht ze verder. Vrouwen zijn niets waard voor het UÇK.
Uiteindelijk was het geluk toch met de familie Bakrac. Vader en zoon werden na een paar weken gijzeling vrijgelaten op voorwaarde dat ze Kosovo zouden verlaten, naar Amerika zouden vertrekken om nooit meer terug te keren. De familie wacht nu in Belgrado op een visum.
ZEGT IBRAHIM RUGOVA, leider der Kosovo-Albanezen, tegen Slobodan Milosevic: 'Kom op, Slobo, geef ons een eigen republiek.’ 'Sorry, Ibrahim’, antwoordt Slobo, 'dat kan ik echt niet doen.’ Zegt Rugova: 'Maar Slobo, de Montenegrijnen hebben wel een eigen republiek en die zijn maar met 500.000. Wij zijn wel met twee miljoen!’ Milosevic knikt begrijpend. 'Wel, Ibrahim, ik beloof je: zodra jullie met 500.000 zijn, zul je je eigen republiek krijgen.’
Geen bitterder grap kan de situatie in Kosovo beter beschrijven. Servische speciale politietroepen, vaak bijgestaan door legereenheden en paramilitaire milities doen hun best om zo veel mogelijk Albanezen Kosovo uit te drijven. Maar dat is niet het hele verhaal. Het UÇK is inmiddels in het tegenoffensief gegaan. In Kosovo wonen maar 195.000 Serviërs. Zo'n dertigduizend van hen zouden al zijn gevlucht naar Servië en Montenegro. De achterblijvers worden steeds vaker het slachtoffer van Albanese terreur, bedreigingen en ontvoeringen. Het UÇK claimt alleen al in de Drenica-regio, het hart van Kosovo, meer dan zeventig Serviërs vast te houden. Afgelopen week kwamen daar veertig Servische gevangenen bij die door het UÇK werden afgevoerd na hevige gevechten rond het voornamelijk door Serviërs bewoonde stadje Orahovac.
Heel Kosovo is in de greep van de angst. Albanezen hebben alle reden de Servische politie en milities te vrezen. Serviërs kunnen dorpen en steden bijna niet meer uit vanwege de ontvoeringsdreiging. Het UÇK roept mannen in gevechtsleeftijd tot zich om hen een week lang te trainen in het gebruik van kalasjnikov en pistool. Daarna keren ze terug naar hun dorpjes en steden, om te wachten op wapens en nadere orders. Enkele weken terug, op maandag 20 juli, riep een UÇK-commandant op de Albanese staatstelevisie alle Kosovo-Albanezen op zich klaar te maken voor de strijd. 'Het moment is bijna daar. Bereidt u voor’, sprak hij plechtig.
Dessa en Marija Aleksic waanden zich tot voor kort nog veilig in hun dorpje onder de rook van de Kosovaarse hoofdstad Pristina. De omgeving zit tjokvol Servische politie- en legertroepen, dus wat kon hen gebeuren? Nu durven ze bijna hun huis niet meer uit. In het voorportaal hebben ze hun meest waardevolle bezittingen opgetast. Als de oorlog ook hier losbarst, zijn ze binnen een half uur vluchtklaar. Maar het ziet er naar uit dat ze zullen moeten vluchten zonder Goran Aleksic. Hij is Marija’s echtgenoot en Dessa’s broer. Ze hebben al een maand lang niets meer van hem gehoord.
Dessa Aleksic: 'Mijn broer verdween op 28 juni. Hij ging met de auto naar zijn werk. Hij reisde samen met twee Albanese collega’s en nog twee Serviërs. Ze werden aangehouden door gewapende Albanezen. Die namen de drie Serven gevangen, maar ze lieten de twee Albanezen ongemoeid. Ik weet nog steeds niet waar mijn broer is. Niemand wil ons helpen, ze vinden ons lastig. Mijn vraag is of u iets over Goran weet. Misschien via het Rode Kruis of een humanitaire organisatie? We proberen alles, ook via de media, maar niemand weet iets.’
Marija Aleksic kan alleen nog maar huilen. Ze houdt een foto vast van haar man. 'Hoe kan ik mijn drie kinderen uitleggen waar hun vader is? Elke dag vragen ze me waar papa blijft. Ik begrijp niet waarom dit gebeurd is. Hij had helemaal geen problemen met onze Albanese buren en hij sprak nooit over politiek.’
Spasic, politiecommandant, kan niets doen voor de families van de ontvoerden. Zijn manschappen hebben slechts gewapend contact met het UÇK. In zijn regio vinden regelmatig gevechten en kidnappingen plaats. Veel Servische burgers zijn er bewapend, in het dorp Obelic heeft hij ze zelf van pistolen en kalasjnikovs voorzien. Er was geen andere manier om hun veiligheid te garanderen. Maar of het zo'n goede beslissing was, valt nog te bezien. In Obelic heerst nu anarchie. Woeste burgers, sommigen gemaskerd, belagen journalisten en Albanezen. Spasic’ agenten staan erbij en kijken ernaar. Spasic: 'Dit is een pistolennatie. Iedereen is hier gewapend. Ik ben niet bang. Zie, ik draag geen pistool. Ik weet dat het probleem in Kosovo in achtenveertig uur kan worden opgelost. Als het Westen ons maar met rust zou laten en we al onze troepen konden gebruiken.’
In het dorpje Velika Reka woont mevrouw Cveta Andjelkovic, vierenzeventig jaar oud. Ze is de enige overgebleven Servische inwoner. Twintig jaar geleden was dit een Servisch dorp, vertelt ze. Maar alle Serviërs hebben hun huizen en hun land verkocht aan Albanezen. Voor heel veel geld. Dat geld komt van de Albanezen die in het buitenland werken, zegt mevrouw Andjelkovic. Elk jaar weer vertrokken Servische families met een dikke portemonnee naar Servië. Daar kochten ze een appartementje en zochten ze saaie stedelijke baantjes. Het boerenbestaan gaven ze eraan, omdat hun veiligheid hun liever was dan het vrije boerenleven. Schande, vindt ze.
Een paar maanden geleden zijn de overgebleven Serviërs uit Velika Reka weggetrokken naar een vluchtelingenkamp. Daar werden ze ironisch genoeg opgevangen door Servische vluchtelingen uit de Krajina, van huis en haard verdreven in 1995, toen Kroatië het gebied in een blitzkrieg veroverde. Door de Servische autoriteiten zijn ze in Kosovo geplant om nog enigszins tegenwicht te bieden aan de snel groeiende Albanese bevolking. De oude vrouw is in haar eentje teruggekeerd naar Velika Reka. De overige familieleden verblijven nog in het kamp. Met haar Albanese dorpsgenoten heeft ze geen enkel contact meer.
Cveta Andjelkovic: 'Op een dag kwam onze Albanese buurman naar ons toe. “We zijn altijd goede buren en goede vrienden van jullie geweest”, zei hij. “Maar ik kan jullie niet beloven dat jullie hier veilig zijn. Als julllie jezelf kunnen beschermen kunnen julie hier blijven, maar anders kunnen jullie beter vertrekken. Wees erg voorzichtig want overal om je heen zijn gekken met wapens.” Ik ben teruggekomen omdat ik in het kamp niet kon leven. Iedereen huilt er de hele dag. Natuurlijk ben ik bang, vooral ’s nachts. Maar alles is beter dan te leven als een vluchteling in je eigen land. We moeten weten waar we aan toe zijn. Kan de politie ons nog beschermen, of kunnen we beter vertrekken naar Servië? Als Serviërs hier niet veilig meer kunnen leven, moeten ze Kosovo maar aan de Albanezen geven.’
IN HET CENTRUM van Pristina staat Hotel Bozur, gebouwd voor honderd gasten. Nu herbergt het vervallen gebouw meer dan vierhonderd Servische vluchtelingen uit de Krajina. Op de driepersoonskamer 301 woont al drie jaar de vijfkoppige familie Bibic. Vader Gojko Bibic lacht aan een stuk door. Hij weet zeker dat buitenlanders in elk geval één woord Servisch verstaan: 'Dobro’ (goed). Dus is alles 'dobro’. In zijn voorhoofd heeft een kogel van een Kroatische sluipschutter een diepe geul achtergelaten. Drie operaties waren nodig om zijn leven te redden. Nu onderhoudt hij zijn vrouw en drie kinderen door op straat sigaretten te verkopen.
Als de naam Milosevic valt, betrekt het gezicht van Gojko Bibic. Milosevic is helemáál niet 'dobro’. Hij voelt zich verraden door de Servische regering. Die beloofde hem een vredig nieuw bestaan in Kosovo, inclusief een huis en een baan. Bibic voelt zich verraden. Hij heeft geen enkel vertrouwen in de Servische troepen. Die sloegen in de Krajina en masse op de vlucht toen het Kroatische leger naderde. Het liefst zou hij terugkeren naar de Krajina, maar hij vreest dat hij opnieuw vluchteling wordt.
Dat zal Jovo en Milan, uit het Servische dorp Gojkula, niet gebeuren. Ze zijn vastberaden elke Albanese aanval af te slaan, ook al is hun dorp absoluut onverdedigbaar. Gojkula is niet alleen omringd door Albanese gehuchten, in het zuiden grenst het bovendien aan een oncontroleerbare beboste heuvelrug.
Jovo: 'Het is moeilijk om hier te leven. Ons dorp is het enige Servische in de regio. Om ons heen zitten Albanezen, Turken en zigeuners. Tot nu hadden we geen problemen met onze buren, maar we weten niet wat de toekomst ons zal brengen. We hebben wachtposten rond het dorp geposteerd, dag en nacht. Er is een dorpeling ontvoerd, een aantal anderen zijn vermist. Waarschijnlijk zijn die ook gekidnapt, maar dat weten we niet zeker. Ik zou niet weten wat voor toekomst we hier nog hebben.’
Jovo en Milan zijn boeren. Hun bedrijfje is klein en arm, zoals zo'n beetje elk boerenbedrijf in Kosovo. Op een afgescheiden terreintje grasduinen twee varkens. Achter het huis is een lapje grond waarop wat gewassen worden verbouwd. De grootste akker die Milan en Jovo hebben, ligt aan de rand van het dorp. Die durven ze niet meer te bewerken zonder een geweer op de rug.
Milan haalt de wapens te voorschijn. Twee oude geweren van het voormalige Joegoslavische Volksleger. In 1993 kregen ze die uitgereikt door de politie. Ietwat verlegen tonen ze de geoliede magazijnen. Je kunt er maar één schot tegelijk mee afvuren. UÇK gebruikt semi-automatische kalasjnikovs. Dat deze oude geweren hun leven niet kunnen redden, weten ze. Maar ongewapend voelen ze zich helemáál vogelvrij. En er zijn altijd nog de Servische veiligheidstroepen. Alleen hebben ze die al weken niet meer in het dorp gezien.
Milan is erg bang. 'We kunnen de velden en de bossen niet in. Elke dag wachten we met onze wapens thuis. Alle families zijn bewapend. Er is hier nog niet gevochten, maar dat zal niet zo blijven. Na acht uur ’s avonds vertoont niemand zich nog buitenshuis. Het is een groot probleem voor ons om naar het ziekenhuis te gaan, want daarvoor moeten we door Albanese dorpen reizen. Elke man verdedigt zijn eigen huis, dit is een vreselijk leven.
Met mijn Albanese buren spreek ik gelukkig nog op een normale manier. Ze helpen me zelfs met het werk op het land. Maar we praten nooit over politiek. We hebben het alleen maar over het weer, en onze akkers. Normale dingen. Niet over de situatie hier. Eigenlijk willen we van elkaar helemaal niet weten dat we tot een ander volk behoren. Daarover kun je in deze situatie maar beter zwijgen.’