Helen Frik, The Eternal, 2015. Papier-maché, 3D-print, polyester, papier, linnen, spuitverf, 130 x 180 x 30 cm © Foto’s Peter Cox

Op de hardwitte muur, zag ik, was er een krom soort vorm opengegaan. Ook met mijn ogen dicht bleef ik die zien. Intussen werd het ook een schilderij van zwart papier. Terwijl het beeld zich ontvouwde, had het nog wat bewogen – zacht geplooid als een vlag. Toen hing het stil. Ik zat vlak voor de andere wand ertegenover. Helen Frik had daar, in elkaars verlengde, twee lage banken laten neerzetten. Het idee was daar te gaan zitten om dan, met langzaam overzicht, de vertoning van het werk te zien. De ruimte van de galerie werd zo een klein theater. Zo keek ik er ook naar. Van twee grote vensters, links en rechts, kwam overvloedig daglicht. Het was alsof de muur, tegenover waar ik zat, als bij een toneelvoorstelling extra licht kreeg. Het wit daar was hevig wit. Het witte licht onthulde het stemmige zwart van het beeld dat daardoor ook ernstiger van toon werd. Er zaten donkergrijze schakeringen in het zwart. Maar dat had ik toen zo nog niet gezien.

Eerder was ik langs de rechterzijde de trap omhoog gekomen. Bovenaan kwam ik uit aan de kant waar de zwarte voorstelling aan de wand was bevestigd. Aan de overkant stonden de twee banken. Daar liep ik heen. Terwijl ik wilde gaan zitten en daarbij ook nog draaide, zag ik in mijn ooghoeken de contour van de zwarte vorm even bewegen – inderdaad als een langzaam wapperende vlag. Toen ik daarna zat en opnieuw keek, zag ik de plooien van de vlag als roerloze rechthoek hangen. Wat een zwarte vlag leek, was toch ook een schilderij. Dat betekende dat ik naar een eigenzinnige verbeelding zat te kijken die zichzelf geduldig vertoonde. Het werk was minder zwart dan ik eerst dacht. Het was een los verkreukeld oppervlak, slordig opgespannen. Het maakte een zachtaardige indruk. Het materiaal was papier-maché. Op een of andere manier was dat vastgezet op een ondergrond van schilderslinnen. Het was een oppervlak dat door een verbogen spieraam bijeen werd gehouden. Misschien was het raamwerk hier en daar ook nog geknakt. Het dunne papier ritselde; het was licht en kwetsbaar. Het was geheimzinnig. Naar zo’n fragiel oppervlak kijk je ook behoedzaam. Je hoort het kraken en knisperen. Het was ingekleurd met dunne spuitverf. Het oppervlak was niet strak en zwart maar gekreukeld. Er zaten bewegingen van daglicht tussen de kreukelvouwen. Nergens was het oppervlak helemaal zwart. De linkerhelft was donkergrijs. In het papier was de zwarte spuitverf zo geabsorbeerd en dan ingedroogd dat het grijs vaal werd. Door de verbuiging van het oppervlak kwam er strijklicht overheen. Op de andere helft was meer stuifverf terechtgekomen. Het zwart was daar dof en donkerder. Ik zat daar naar het donker te kijken. Als kijken naar de eindeloze zee, was het een meeslepend schouwspel. In het zwart hingen een paar vreemde beeldfragmenten. Ik kon alleen maar raden: ze hingen daar verdwaald tussen schaduwen. Linksboven bijvoorbeeld een rimpelige tekening van het magere gezicht van een vrouw die heel aandachtig ergens naar kijkt. Het leek een portret. Er hing ook een rechthoekige foto van een meisje dat devoot haar handen tegen haar borst gevouwen houdt. Ze draait een stralend gezicht naar rechts – naar het licht, maar het schemert daar. Geen portret, een arrangement. Het best noem ik ze plaatjes.

Het werk is een plek van warmte. Alles kwam van her en der

Het zijn stukjes uit iemands (misschien ons aller) herinnering. Bij oude tantes hingen ze in lijstjes boven het dressoir waar ze het verleden wakker hielden. Dingen werden ook vergeten. In een oud huis bleven ze vergeten gewoon rondslingeren. Niemand wilde vergeelde foto’s of oude souvenirs opruimen. In mijn adresboek heb ik ook nooit telefoonnummers kunnen schrappen van vrienden nadat die overleden waren. Het leven zit vol overblijfsels. In oude huizen kraakt het nog. Altijd komen herinneringen in de ochtend bij het langzaam wakker worden. Ze zaten verborgen in de stille duisternis van de slaap.

Het is onvermijdelijk dat dit schemerachtige beeld van Helen Frik vol zit met haar herinneringen. Die worden daar wakker, dat is de vertelling van het werk. Het heet The Eternal. Zo heetten de verwarde vellen drukwerk die midden in het beeld op een console waren neergelegd. Ze waren moeilijk leesbaar, alsof dat niet hoefde. Van niets eigenlijk weten we precies wat het is. Opnieuw volgde ik de contour van het beeld. Nu zag ik een losse slaapzak hangen; zo zag de slaperige vorm er nu uit. Het werk is een plek van warmte. Wonderbaarlijk kwam daar samen wat Helen zich bij elkaar herinnerde. Alles kwam van her en der. Haar manier: dat is wat ze doet. Er kwam een ondoorgrondelijke vertoning tot stand van dingen, van figuraties, van verbindingen. De plek heeft nergens een vaste plattegrond. Het blijft zwerven, ook voor haar. We moeten zelf verzinnen wat we denken te kunnen zien. Ezra Pound wilde eens uitleggen hoe je zijn Cantos moest lezen. Hij had het over zijn vangst (van beelden) die hij glimmend en zilverachtig dumpte als verse sardientjes glibberig glijdend op de hoekige keien.

PS: The Eternal, galerie EenWerk, Amsterdam. Selected Cantos of Ezra Pound, Londen 1967