Overbodig & eenzijdig

Er is wel geen zon, maar in de Nederlandse musea is de zomer al begonnen. De traditionele zomeropstellingen zijn geen uiting van komkommertijd, want musea putten zich uit om uit hun voorraadkamers een verrassende keuze samen te stellen en daarmee zowel toeristen als autochtonen te lokken. Het Stedelijk Museum in Amsterdam heeft dit jaar Gerrit Komrij een lekker afwijkende keuze uit de verzameling laten doen, en Boijmans gaf de Duitse kunstenaar Hans Haacke de vrije hand. Haacke schijnt in de depots dingen te zijn tegengekomen waarvan de meeste medewerkers het bestaan niet eens bevroedden.

In een kunsthal zijn zulke ontdekkingen bij ontstentenis van een collectie natuurlijk onmogelijk. De Rotterdamse Kunsthal maakt van de nood een deugd en toont drie maanden lang het beste uit de Collectie Nederland, dat wil zeggen het gemeenschappelijk bezit der vaderlandse musea. Deze collectie werd een paar jaar geleden ingesteld opdat niet elk museum naar een collectie streefde die de hele kunstgeschiedenis bestrijkt. Voor surrealisme moet je bijvoorbeeld in Rotterdam wezen, waar in Boijmans de veruit grootste collectie van het land aanwezig is. Op een steenworp van Boijmans ligt de Kunsthal, zodat de transportkosten voor de expositie Surrealisme uit de Collectie Nederland tot een minimum beperkt konden blijven. Dat lijkt ook de enige reden te zijn om deze ten toonstelling te houden, want van enige noodzaak is niets te merken. Vorig jaar gaf Pop Art uit de Collectie Nederland in de Kunsthal al de indruk van uitputtende overbodigheid; Surrealisme is enkele malen kleiner en ook veel beperkter, wat in de begeleidende tekst overigens wordt toegegeven. De beweegredenen om uit zes musea surrealistische kunst bijeen te harken, worden daar natuurlijk des te schimmiger door. De directe aanleiding lijkt de recente aanschaf van Max Ernsts grafiekmap Histoire naturelle door Boijmans te zijn. Erg mooi, maar het leeuwedeel van de tentoonstelling bestaat uit werk op papier, de beelden zijn meest gipsafdrukken en de schilderijen voor het merendeel van Dali en Magritte, schilders die het populaire beeld van surrealisme hebben bepaald: raadselachtige droomlandschappen, geschilderd in een transparante, maar retrograde stijl die de Nederlander al in de zeventiende eeuw bekoorde. De inleiding geeft toe dat het tentoongestelde een eenzijdig beeld geeft van de surrealistische kunst omdat de oneirische (droom)tak veel ruimer vertegenwoordigd is dan de automatische (abstracte).
Het Nederlandse surrealisme, geboortig in Utrecht en dan ook ruim vertegenwoordigd in het Centraal Museum, is schatplichtig aan Dali en Magritte, maar afwezig in de Kunsthal, terwijl er voor een opstelling onder de vlag Collectie Nederland toch wel een enkel doekje af had gekund. Eveneens opvallend afwezig is het belangrijkste surrealistische schilderij in Nederlands bezit, De horde van Ernst.
Aan de andere kant zijn kunstenaars toegevoegd bij wiens surrealistische inborst vraagtekens geplaatst kunnen worden. Duchamp, Picabia en Picasso hebben in de jaren twintig en dertig regelmatig met de surrealisten geexposeerd, maar van veel affiniteit met de pseudo- freudiaanse beginselen kun je ze niet betichten. Picasso’s fraaie minotaurus-etsen haken inderdaad in op de surrealistische opvatting van de labyrintmythe als metafoor voor het kronkelige onbewuste, maar zijn eerder te beschouwen als uiting van des schilders midlevencrisis.
De overbodigheid van een en ander was met begeleidende teksten nog te ondervangen geweest, maar er is voor gekozen om verklaringen te beperken tot een diaprogramma en een wandvullende chronologie die van Boijmans’ zolder komt. Dat een betere begeleiding wel mogelijk is in de Kunsthal, bewijst de alweer afgelopen expositie Lust voor het oog, die uitmuntende teksten bood. De bezoeker van Surrealisme moet het doen met volledig in de lucht hangende namen en de aan het diaprogramma toegevoegde muziek, uit David Lynch’ serie Twin Peaks. Een surrealistische filmer, maar dat moet je ook maar net weten.