Overdaad die niet schaadt

Francois Rabelais, Gargantua en Pantagruel. Vertaald door Theo Buckinx, uitg. Bert Bakker, 352 blz., f45,-
ER IS DE afgelopen eeuwen oneindig veel getheoretiseerd over Rabelais’ ontzagwekkende meesterwerk, de romancyclus Gargantua en Pantagruel. Honderden interpretaties bestaan ervan, legers filologen hebben zich opgewonden over de exuberante woordenrijkdom gebogen, elke uitdrukking is geinterpreteerd, bijna elk door Rabelais zelf gemaakt woord geduid. Het verhaal heeft een ongekende stroom theologische, historische en literair-wetenschappelijke commentaren opgeleverd.

Verwonderlijk is dat allemaal niet, want deze schelmenroman is van alles ineen: sproke, sprookje, vocabulaire van het patois, studie van de petomanie, menukaart van spijzen en dranken, lexicon van dronkemanstaal, encyclopedie van de schijnheiligheid, satirische kroniek, vrolijke wetenschap, parodistische theologie, kolder. Gulzig als Rabelais was, zoog hij er grote delen van de wereldliteratuur in op. Homerus, Plato, Ovidius, Vergilius, Plutarchus en Erasmus kregen er hun plaats in. Gargantua en Pantagruel is het verhaal van de overdaad die niet schaadt, van de bulderende lach die bevrijdt. Niet alleen de hoofdpersonen zijn gigantesk, ook het boek als geheel.
Dat geldt niet minder voor het aantal bewonderaars ervan. De libertijnen uit de zeventiende eeuw beschouwden Rabelais’ oeuvre als de bijbel voor hun vrijzinnig denken. Voltaire zag er een historische parallel in tegen het christendom. Marnix van St. Aldegonde, Moliere, La Fontaine, Sterne, Goethe en Bacon spraken er in superlatieven over, moderne auteurs als Balzac, Flaubert, Joyce, Celine en Perec hebben het geroemd. Over Flaubert wordt zelfs beweerd dat hij nooit ging slapen vooraleer hij zich van een hoofdstuk Rabelais had bediend. In 1838 vertrouwde hij in een brief een jeugdvriend toe dat Rabelais en Byron de enige twee auteurs waren voor wie hij diepe bewondering koesterde omdat ze de mensheid onbeschaamd in het gezicht durfden uit te lachen.
Inmiddels heeft zowat iedereen die zich met zijn werk heeft beziggehouden, Rabelais een eigen gezicht gegeven. Hij is een spot-evangelist genoemd, een vrijdenker, drinkebroer, veelvraat en individualist, een anti- monarchist en antiklerikalist, een levensgenieter. Wat daar ook van waar is, hij was in elk geval een kenner van de Griekse filosofie en liefhebber van de Italiaanse cultuur, monnik en arts, een rire gaulois, wat wil zeggen: een vertolker van een typisch Franse komische traditie en een reiziger uit noodzaak zoals zijn levensloop laat zien. Iemand dus die niet in een paar woorden valt te typeren, een legende.
FRANCOIS RABELAIS werd omstreeks 1483 geboren op het landgoed La Devinere in de Loire-streek vlakbij Chinon, een stadje dat hij spottend heeft omschreven als een ‘voorname stad, edele stad, aloude stad, ja, de eerste van de wereld volgens het oordeel en de getuigenis van de godgeleerdste massorahzifters’. Zijn geboortehuis staat er nog steeds, het herbergt op dit ogenblik een aan hem gewijd museum.
Tot 1520 is er niets over zijn leven bekend. In dat jaar neemt hij als novice intrek in het franciscaner klooster van Fontenay- le-Comte. Zijn monnikenbestaan was niet van lange duur, daarvoor was hij te zeer een vrijzinnige geest. Zijn kennis van het Grieks, zijn enthousiasme voor de klassieken en het humanisme naar erasmiaans model brachten hem al snel in conflict met de kerkelijke instanties en hun belangrijkste universitaire bolwerk, de Parijse Sorbonne, waar sinds de reformatie alles wat ook maar een haarbreed afweek van de orthodoxie onmiddellijk als ketters werd veroordeeld.
Voortdurende strijd met de kerkelijke overheid zou verder zijn leven tekenen. Eerst ruilde hij de franciscaner orde in voor de benedictijner die wat soepeler tegenover de nieuwe denkbeelden stond, maar uiteindelijk verliet hij met pauselijke dispensatie ook die gemeenschap en begon hij in 1527 een zwerftocht langs ongeveer dezelfde universiteiten waar ook zijn romanfiguur Pantagruel terecht zou komen. Zo weefde hij allerlei stukjes levensdraad door zijn literair werk.
Rabelais studeerde achtereenvolgens theologie en rechten en raakte met dit wereldje voldoende vertrouwd om de hele quasi- diepzinnige, scholastieke rimram van zijn tijd belachelijk te maken in een burleske catalogus die hij de jonge Pantagruel laat doorbladeren in de bibliotheek van Saint-Victor. Niet minder worden in Pantagruel dank zij figuren als Baisecul ('Gatlikker’) en Humevesne ('Bloedzuiger’) de eindelo ze en ondoorzichtige rechtsprocedures in een waanzinnige enscenering te kakken gezet.
In 1530 begint Rabelais een studie aan de befaamde medische faculteit van Montpellier. Na de voltooiing daarvan, omstreeks 1532, vertrekt hij naar het Hopital du Pont-du-Rhone in Lyon. Daar laat hij ter gelegenheid van de jaarmarkt in november van dat jaar een boek verschijnen: Horribles et espouvantables faictz et prouesses du tres renomme Pantagruel, roy des Dipsodes, fils du grant geant Gargantua, composes nouvellement par maistre Alcofribas Nasier.
Alcofribas Nasier is - zo blijkt uit alles - een man van de taal. Van de taal van horen zeggen wel te verstaan, de taal van het volk, van het marktplein, de kroeg en het schellinkje. De auteursnaam is een anagram van Francois Rabelais. Hij modelleerde het epos naar een populair volksverhaal. Het boek beschrijft de geboorte en kindertijd van de reus Pantagruel, zijn studie aan verschillende universiteiten in de provincie en Parijs, zijn vriendschap met Panurge en de oorlog met de Dipsoden die het bestonden het utopische rijk van zijn vader aan te vallen. Nog geen jaar na verschijnen wordt de roman aan de Sorbonne als obsceen veroordeeld, maar meer dan de scabreuze scenes zullen de humanistische tendens en de ketterse inslag ervan oorzaak zijn geweest voor het verbod.
Twee jaar later volgt Gargantua, waarin Rabelais geraffineerder dan in Pantagruel uithaalt naar de orthodoxe despoten en zeloten, de 'sorbonnisten’ en 'sorbonnages’ uit het toen allerminst verlichte Parijs. Enkele malen moest hij Frankrijk verlaten, maar steeds vond hij een veilig onderkomen bij Guillaume du Bellay, gouverneur in Turijn, waar hij in 1542 de heruitgave verzorgde van de Gargantua en Pantagruel, die Theo Buckinx heeft gebruikt voor zijn in lekker bekkend Nederlands geschreven vertaling. Het later geschreven eerste deel bevat de geschiedenis over de zoon van Grandgousier, Gargantua, die na zijn studie zijn vader meehielp in de strijd tegen Pricochole, koning en, zoals zijn naam zegt, gifkikker. Hij wint de slag voor hem en beloont een van zijn beste makkers in de strijd, de monnik broeder Jean, met een abdij in het land van Theleme aan de Loire.
Het bijzondere aan Rabelais’ oeuvre is dat het een schakel vormt tussen twee tijdvakken, de middeleeuwen en de renaissance. Rabelais sluit de rij van gerenommeerde Franse en Italiaanse verhalenvertellers en is een van de eerste Franse prozaisten. Zijn figuren zijn rechtstreeks afkomstig uit de Franse folklore: Gargantua is alom bekend uit legendes en volksverhalen, zijn zoon Pantagruel is uit de toneelwereld weggehaald. In mysteriespelen speelde hij de rol van pesterig duiveltje dat de dorst van drankzuchtigen aanzet door zout in hun kelen te strooien als ze hun roes uitslapen. Rabelais verklaart de eigennaam uit het woord panta dat 'alles’ en gruel dat 'dorstig’ betekent, maar maakt van de querulant een goedmoedige reus die als maatje Panurge naast zich krijgt. Ook al een afgezant van de mondelinge wereld.
Panurge is een schelm met het truken- en strekenarsenaal van Tijl Uilenspiegel, zoals blijkt uit de hilarische scene waarin hij een alleraantrekkelijkste Parisienne die niets van zijn avances moet weten, tijdens een processie door zeshonderdduizendenveertien pissende honden laat bespringen. Gevolg van het feit dat hij tijdens de kerkdienst het extract van een loopse teef op haar kleding heeft aangebracht. Of uit de manier waarop hij de godgeleerden van de Sorbonne te grazen neemt door het plaveisel waarover ze het universiteitsgebouw moesten bereiken, met een 'Bourbonse marmelade van knoflook, gomhars, duivelsdrek, beversperma, verse drollen en pus uit sjankergezwellen’ in te smeren. Met als gevolg dat al die brave lieden in het openbaar zaten 'te kotsen alsof ze een vos hadden ingeslikt. Tien of twaalf stierven er aan de pest, veertien werden er melaats, achttien kregen er last van jicht, en meer dan zevenentwintig kregen de sief. Maar dat deerde hem niet.’
HET IS DE Russische literatuurwetenschapper Michail Bachtin geweest die voor het eerst heeft gewezen op de carnavaleske traditie waarin de schelmenroman gesitueerd moet worden. Daar is veel voor te zeggen. Om te beginnen wordt Gargantua zelf door Rabelais nogal nadrukkelijk met de carnavalstijd in verband gebracht. Zo situeert hij zijn geboortedag op 3 februari, de feestdag van de heilige Blasius, schutspatroon van alle droge en schorre kelen. Vandaar dat de namen van vader, zoon en kleinzoon, Grandgousier, Garantua en Pantagruel naar de strot verwijzen. Moeder Gargamelle bevalt in de elfde maand van haar reuzenzoon en elf is zoals bekend het gekkengetal.
Maar dat zijn slechts wat in het oog springende bijkomstigheden. Belangrijker is de thematiek van de omgekeerde wereld die daarachter schuil gaat. Voor Bachtin is het carnaval behalve een grotesk en uitbundig vermommingsfeest, een kritische tegencultuur waarin de heersende orde en moraal belachelijk wordt gemaakt door het verhevene te vernederen en het nederige te verheffen. Het volk probeert zijn gezagsdragers te overbluffen met spot en geeft zichzelf over aan zelfspot. Tegenover de traditie beklemtoont het carnaval de toekomst, tegenover ascese en voorrang aan de geest legt het nadruk op de vitaliteit van het lichaam en vooral de seksuele en faecale functies ervan. In Gargantua en Pantagruel krijgt die vitaliteit een zinnebeeldige pendant in winderigheid, opgedaan door een overvloed aan wijn en spijs.
Wind en wijn zijn van oudsher de symbolen van de dichterlijke inspiratie. Rabelais brengt beide bij elkaar in een kolderiek hoofdstuk waarin allerlei manieren van de-kont-afvegen zijn beschreven en de vergelijking van de dichtersarbeid met de stoelgang wordt gemaakt. Dat is bouffonnerie op zijn best. Eigenlijk wordt deze cultuur van de dubbelzinnigheid, die uiteindelijk als belangrijkste kenmerk de tegenstelling tussen bevestigen en ontkennen, tussen leven en dood heeft, al vanaf de proloog meesterlijk bespeeld. Het carnaval ontkent de eschatologie van de officiele theologische doctrine en legt het accent op de cyclus van geboorte en dood. Een van de belangrijkste groteske figuren ervan is bijvoorbeeld een oud wijf met bolle buik, zinnebeeld van de dood die nieuw leven voortbrengt. Geen wonder dus dat Gargamelle sterft op het moment van Gargantua’s geboorte.
Maar inmiddels is Bachtins omgekeerde-wereldtheorie stevig onder vuur komen te liggen. Wat hij als volks beschouwde, doordesemt volgens zijn critici minstens evenzeer de stadse elitecultuur van die tijd. In die opvatting blijken de humanisten niet meer de smetteloze helden van de geest waarvoor zij lange tijd zijn ge houden. Er lijkt tussen de culturele uitingen van volk en bovenlaag wel degelijk sprake te zijn van uitwisseling, vooral als het gaat om vormen van trivialiteit, scabreusheden, overdrijving en scatologie. Rabelais buit de subversieve mogelijkheden daarvan op meesterlijke wijze uit en weet zo de traditionele hierarchie van de literaire genres stevig te ondermijnen.
AL LIJKT ZIJN wellustig, tomeloos en niet zelden godsliederlijk taalgebruik van de straat afkomstig, evenals veel van zijn delirerende fantasieen, toch is het merg in dit boek van een geheel andere substantie. Het verhaal heeft met De lof der zotheid van de bewonderde Erasmus gemeen dat die zotheid als het er ten slotte op aankomt, de wijste is. Hoe kan het anders bij een geseculariseerde monnik die nog met een been in de middeleeuwen stond? Alle gulzigheid van pik en pens, de winderigheid van het kontgat, de stromen stront en stralen pis die door de lezer heen zijn gegaan, hebben uiteindelijk een purgerende werking als gevolg.
De kern van deze reuzenroman ligt aan het eind van het eerste boek, Gargantua, dat eigenlijk het tweede boek is, al weet je het nooit zeker, want verwarring zaaien is Rabelais’ handelsmerk. Hierin schetst Rabelais nadat hij regelmatig naar de Utopia van Thomas More heeft verwezen, zijn omgekeerde wereld. Het is een paradijselijk luilekkerland waar wellust en deugdzaamheid een zijn en waar vrijelijk het pantagruelisme wordt bedreven, een levenshouding die valt samen te vatten in termen als ledigheid van lichaam en lenigheid van geest, antisystematiek in denken en systematische genoegdoening van het lichaam. Op basis van dit ideeengoed begint de vos de passie te preken.
De plek waar dat allemaal kan, heet abdij van Theleme (thelema betekent wil), een antiklooster dat broeder Jean voor zijn krijgshaftig optreden in dienst van Gargantua’s leger heeft mogen bouwen. Het convent kent klok noch zonnewijzer; in plaats van regels en wetten gelden er persoonlijke beslissingen; geloftes van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid zijn overbodig. Mannen en vrouwen leven in dit serene lustoord voor en met elkaar. Het sleutelwoord is vrijheid, de belangrijkste leefregel: 'Doe waar je zin in hebt.’
Maar daarmee is het oppassen geblazen. Rabelais gaat namelijk als volgt verder: 'Want vrije, goed onderlegde mensen van goeden huize, die in een beschaafd gezelschap verkeren, zijn van nature geneigd het goede te doen en het kwaad af te wenden; daar stellen ze een eer in. (…) Door hun vrijheid ontstond er tussen hen een gezonde wedijver om datgene te doen waarvan ze zagen dat het de ander aangenaam was.’
Er blijkt dus wel degelijk een boodschap in Garagantua en Pantagruel te zitten, een die het omgekeerde behelst van wat het boek op het eerste oog doet veronderstellen. Rabelais’ roman is ondanks alle erin opgestapelde onbeschaamdheid, opmerkelijk genoeg nog het meest een pleidooi voor innerlijke beschaving. Voor een wijze van leven waarin niets menselijks de mens vreemd is en al zeker niet het bandeloos fabuleren. Fantaseren is bij Rabelais altijd grensverleggend, de werkelijkheid overstijgend en daarmee gericht op het bedenken van andere vormen en nieuwe mogelijkheden. Hem lezen betekent niet alleen de ogen de kost geven, die raadselachtige zintuigen die niet alleen zien, maar vooral zichzelf bekijken bij het zien en daarom de organische voorbeelden van de filosofie zijn. En niet minder de buik.
Voor de lezer die ongegeneerd kan schransen, is dit boek dus volop genieten geblazen.