De waarheid over de moord op Pasolini

Overdag de intellectueel, ’s avonds de weerwolf

De nooit opgeloste moord op Pier Paolo Pasolini borrelt als een slapende vulkaan onder Italië. Op 2 november 2015 is het veertig jaar geleden dat het bruut verminkte lichaam van de schrijver en filmmaker gevonden werd op het strand van Ostia. Een nieuwe film blaast het mysterie nieuw leven in.

Medium 17   ppp e ninetto davoli

Het plein van Chia is onherkenbaar. Het hart van het Etruskische gehuchtje in Hoog-Lazio – een handvol huizen gebouwd op een rots van tufsteen – was niet lang geleden nog zo’n levendig Italiaans rommelpleintje waar je je auto nooit kwijt kon om te gaan eten in de spelonk Da Alfiero. De spelonk waar hij ook kwam, met een sinds 1953 onveranderd interieur, eigengemaakte fettuccine met everzwijnsaus en rode huiswijn uit een karaf.

Da Alfiero heeft nu een overdekt terras dat uitkijkt over een geplaveide vlakte die doet denken aan een oorlogsmonument. Ver in een hoek staat een bronzen buste op een stenen sokkel. Het is niet nodig eropaf te lopen om te weten wie het is: Pier Paolo Pasolini 1922-1975. Een monsterlijke kop vol diepe voren en groeven, veel ouder dan hij de kans heeft gekregen te worden, en zijn gedicht, uitgebeiteld in een marmeren plaat: ‘De zon zet Chia met zijn roze eiken in een gouden gloed/ De Apennijnen ruiken naar warm zand/ Maar de boeren van weleer zijn vertrokken/ En niet eens de stilte van de plekken die ze achterlieten is gebleven.’

In Chia vond Pasolini het verloren boerenparadijs uit zijn kindertijd in Friuli. Hij kwam er voor het eerst in de lente van 1964, op zoek naar locaties voor Het evangelie volgens Matteüs, zijn meesterwerk met een ‘communistische’ Jezus, zoals het toen heette. Zelfs het Vaticaan applaudisseerde, samen met de Europese avant-garde. Voor de doopscène van Christus en Johannes de Doper was een waterval nodig. Iemand van de filmploeg wist er een in de vallei van de Tiber bij Chia, die wel speciaal gemaakt leek voor de film. Water dat over brede rotsplateaus naar beneden komt klateren te midden van een uitbundig groen landschap. Pasolini keek om zich heen en was verkocht. Jaren heeft hij erover gedaan om de toren van Chia, het restant van een middeleeuws fort een paar kilometer buiten het dorpje, in zijn bezit te krijgen. In 1970 lukte het hem eindelijk, een gevaarte van 42 meter hoog dat als een kompasnaald boven de bossen naast de waterval uitsteekt.

‘De toren is natuurlijk een fallussymbool’, zegt de man die onbekommerd over de slagboom is geklommen waarmee de toegang naar het pad naar de toren van Pasolini wordt belemmerd. Regisseur Federico Bruno gaat voor met de zekere tred van een man die hier vaak is geweest. ‘Toen we hier twee jaar geleden moesten draaien, stond de slagboom ineens omhoog! We konden zo doorrijden met de crew, om Pasolini die met zijn Alfa Romeo GT2000 over het bospad komt aanrijden te kunnen filmen. Dat zijn van die kleine toevalligheden die ik interpreteer als toestemming van hém. Maar ik had ook gewoon een nijptang bij me, om het hangslot eventueel door te knippen. We gaan daar een beetje met z’n allen zitten wachten op de gunsten van madame Chiarcossi.’

De enige nog levende erfgenaam van Pier Paolo Pasolini is zijn nicht Graziella Chiarcossi, die samen met zijn verafgode moeder Susanna het huishouden in de eur-wijk in Rome runde in de jaren waarin ppp op zijn creatieve en intellectuele hoogtepunt was. De twee vrouwen slopen eerbiedig rond ‘Pier Paolo’, die op zijn Olivetti 22 in zijn werkkamer zat te hameren aan het dreigende ‘Io so’ (‘Ik weet’) voor de voorpagina van Corriere della Sera, de krant van het establishment. Of hij zat te typen aan het filmscript voor het shockerende Salò, of aan de roman Petrolio, die veertig jaar na de moord nog altijd als een zwart spook boven Italië hangt, of aan een gedicht, of aan een essay voor een catalogus van een tentoonstelling van Andy Warhol op diens persoonlijke verzoek.

Of hij ontving gasten van het kaliber Maria Callas en Alberto Moravia. Of hij werd geïnterviewd door journalistieke zwaargewichten uit binnen- en buitenland. De vrouwen slopen af en aan met kopjes thee, namen de telefoon aan, en schermden het monnikenbestaan dat ‘Pier Paolo’ overdag leidde af van de buitenwereld. Zij waren de poortwachters, en Graziella Chiarcossi is het nog steeds. Niet meer van de levende Pasolini helaas, maar wel van zijn erfenis.

Federico Bruno hoort er niet bij. Hij is een excentrieke eenling met net iets te zwart en te lang haar voor zijn leeftijd. Hij komt uit een goede familie, en dat schemert ook door in zijn taalgebruik en hoffelijke manieren. Maar vegeteren op het familiekapitaal was niets voor hem, zegt hij. Na jaren in Spanje allerlei aanklachtfilms te hebben gemaakt, besloot hij dat het tijd was voor het grote werk. Terug naar het vaderland, Italië, en naar de man om wie het allemaal nog steeds draait: Pier Paolo Pasolini. Zolang die moord niet is opgelost kan Italië niet met zichzelf verder, vindt Federico Bruno. En hij is niet de enige.

Medium partita calcio pasolini001

Het gaat niet om een eenvoudige who-donit. Het gaat om het feit dat Italië’s meest revolutionaire, meest visionaire intellectueel/schrijver/filmmaker van de vorige eeuw uit de weg is geruimd op het hoogtepunt van zijn invloed en productiviteit. Door ‘de machten achter de schermen’, die er allemaal baat bij hadden om deze gevaarlijke woorden- en beeldenlawine voorgoed het zwijgen op te leggen. Federico Bruno heeft voor zijn film de duidelijke titel Pasolini, la verità nascosta (‘Pasolini, de verborgen waarheid’) gekozen. Anderen zijn hem voorgegaan met dergelijke reconstructies, zoals Pasolini, un delitto italiano (‘Pasolini, een Italiaans delict’, 1995) van Marco Tullio Giordana, de regisseur van het internationaal bejubelde epos La meglio gioventù, over de lotgevallen van een Italiaanse familie vanaf de jaren zestig tot heden.

Beperkte de film van Giordana zich tot de evidente fouten in het onderzoek naar de moord op Pasolini, die van Bruno laat geen twijfel over het waarom. Een Amerikaanse kardinaal belt vanuit het Vaticaan veelvuldig met een hoge piet bij de oppermachtige Democrazia Cristiana, die op zijn beurt weer belt met een fixer van de geheime diensten, die een lijntje heeft met louche types uit de ondergrondse fascistische knokploegen en de aanverwante onderwereld. Pasolini wordt scherp in de gaten gehouden door de conservatieve krachten voor en achter de schermen, en het is wachten op een kans om hem te grazen te nemen. Pasolini serveert die kans zelf op een presenteerblaadje dankzij zijn obsessie met de ragazzi di vita (‘jongens uit het leven’) die hij oppikt bij treinstations. Iedere avond rond de klok van tien, half elf, verlaat hij spoorslags de tafel met zijn beroemde intellectuele vrienden in een Romeinse trattoria om op jacht te gaan. ‘Dat was het uur van de wolf’, heeft de grote schrijfster en persoonlijke vriendin Dacia Maraini meer dan eens verteld. ‘Je zag het aan hem: hij werd onrustig, begon op zijn horloge te kijken, vroeg dringend om de rekening, en pats, weg was hij. We wisten allemaal waarheen.’

Pasolini wordt scherp in de gaten gehouden door de conservatieve krachten voor en achter de schermen

Dat het niet het tengere, zeventienjarige straatschoffie Pino Pelosi in z’n eentje kan zijn geweest, is een waarheid waar inmiddels niemand meer aan twijfelt in Italië. Pasolini was een atleet. Weliswaar klein van stuk, maar één bonk stalen spieren. Hij was in topvorm op zijn 53ste. Op de naaktfoto’s die twee weken voor zijn dood zijn gemaakt door een jonge – uiteraard homoseksuele – fotograaf is het lichaam te zien van een man die de hele wereld aan kan. Geen onsje vet, geen millimeter verval, een waakzame tijger met een indrukwekkend groot geslacht in ruststand.

Het dode lichaam van Pasolini dat op de ochtend van 2 november 1975 op het strand bij Ostia werd gevonden was in een verbijsterende staat. Alsof er een kudde bizons overheen was getrokken. Het gezicht was tot moes geslagen, het atletische lichaam één bloederige, bont en blauwe ellende. Voor de zekerheid was er ook nog een auto over de rug van de zieltogende Pasolini op het strand gereden, wat volgens de patholoog anatoom de uiteindelijke doodsoorzaak heeft betekend. Door de verbrijzeling van de ribbenkast was het hart letterlijk geëxplodeerd. De afdruk van de autoband stond diep in het vlees.

Medium pasolini calcio

De strijd om de waarheid over het hoe en waarom van Pasolini’s dood kent onvoorspelbare piekmomenten. Af en toe is er een eruptie, als van een slapende vulkaan die onderaards doorwerkt. Het ‘jubileum’ van zijn dood – in 2015 veertig jaar geleden – is opnieuw zo’n moment. De film van de onbekende Federico Bruno heeft de hete adem in de nek van de Pasolini-film die de Amerikaanse regisseur Abel Ferrara maakte. Met Willem Dafoe als Pasolini, wat de poorten van Venetië, Berlijn of Cannes zeker zal openen. Deze film heeft wel de medewerking van de Pasolini-clan, al valt nog te bezien of die goedkeuring stand gaat houden, want één foute stap en je ligt eruit.

En Abel Ferrara speelt met vuur. Liet de drugs rock-’n-roll-filmmaker begin maart nog in de Italiaanse pers weten dat het hem ‘geen fuck kon schelen wie Pasolini heeft vermoord, want het gaat mij alleen om de tragedie van wie we hebben verloren’, eind maart was hij van idee veranderd. ‘Ik weet wie Pasolini heeft vermoord en zal het duidelijk maken in mijn film’, snoefde hij. En hij mocht meteen door naar de rechter van vooronderzoek die de zaak-Pasolini in 2010 heeft heropend naar aanleiding van brandende parlementaire vragen van een linkse politicus die ‘hem’ nog heeft gekend. Want bluffen met de dood van Pasolini als pr-stunt, dat moet je niet doen in Italië.

Het is de vraag in hoeverre wat Ferrara ‘weet’ afwijkt van wat al lang gemeengoed is: er waren meer mensen bij de moord betrokken en het was een vooropgezette valstrik, niet een uit de hand gelopen homoruzie tussen de maestro en het betaalde jongetje. Oriana Fallaci ontdekte dit op eigen houtje al op de dag van de moord, 2 november 1975. Door onmiddellijk te gaan kijken op het groezelige stuk strand van Ostia bij de Idroscalo met clandestiene houten vissersbarakjes en een afgetrapt voetbalveld. Ze keek wat rond, sprak met mensen, en stuitte op iemand die absoluut niet genoemd wilde worden, maar wel ooggetuige van de slachtpartij was geweest vanuit een van de barakjes waar hij om niet nader te verklaren redenen die avond toevallig was. Het hele verhaal tekende Fallaci op voor het weekblad Europeo. Pasolini was met geweld uit zijn Alfa gesleurd door een stel pro’s, was onder het slaken van doodskreten afgeranseld met kettingen en stukken hout, had vervolgens jammerend geprobeerd weg te kruipen over het strand, was ook toen nog achtervolgd, en uiteindelijk was er een tweede Alfa sportcoupé in het licht van de koplampen zorgvuldig over zijn rug gereden.

Die versie bestond dus al in 1975, maar is nooit onderzocht door de Italiaanse justitie. De schuldige was Oriana Fallaci, die voor de rechter moest komen om te vertellen van wie zij dit verhaal had. Dat deed ze niet, ook niet onder dreiging met gevangenisstraf. ‘Ik heb mijn woord gegeven, en dat is de heilige vakethiek van een journalist: je verraadt niet je bron.’ Zij werd veroordeeld tot vier maanden voorwaardelijk, en daar bleef het bij. Omdat de bron van Fallaci geen naam had, telde haar getuigenis niet mee.

En ook vandaag, veertig jaar na dato, is de ware toedracht van de moord op Pasolini nog steeds een mysterie. Dat is vreemd, maar in Italië ook weer niet zo vreemd. Hier wachten zo vele ‘raadsels’ nog altijd op uitleg. Ettelijke bomaanslagen met vele burgerslachtoffers in openbare gebouwen, treinstations, tunnels en op pleinen, een passagiersvliegtuig dat in het luchtruim boven het Siciliaanse eilandje Ustica explodeerde, het ware waarom van de moorden op de grote maffia-onderzoeksrechters Falcone en Borsellino, wie of wat er echt zat achter de ontvoering van en moord op oud-premier Aldo Moro, en ga zo maar door. Hoe onwaarschijnlijker de officiële toedracht, hoe groter en gevaarlijker de macht die erachter schuil gaat, krijgen de Italianen van jongs af aan mee. En in dat opzicht is de brutale – want volstrekt onwaarschijnlijke – officiële toedracht van de moord op Pasolini een visitekaartje van één of meer machten die blijkbaar nog steeds lachend achterover kunnen leunen. Nog even wachten en de laatste nog levende getuigen van die nacht zullen er niet meer zijn.

Medium 04   pasolini  callas
Pasolini was een levende provocatie die een onuitwisbaar spoor trok door de geschiedenis van zijn land

Meer nog dan zijn werk was het zijn manier van zijn: Pier Paolo Pasolini was een levende provocatie, een intellectuele rockster die een onuitwisbaar spoor heeft getrokken door de hedendaagse geschiedenis van zijn land. Slechts flarden van waar hij het over had zijn blijven hangen. Iets met de vitale schoonheid en puurheid van de armoede in de rafelwijken van de stad en op het platteland, de enige plekken waar het echte leven nog werd geleid door echte mensen die met uitsterven werden bedreigd. Iets met de gevaren van de consumptiemaatschappij die alles wat authentiek en krachtig was aan de Italianen zou vermalen tot een universele eenheidsworst. De ‘antroposofische ramp die zich onder onze ogen voltrekt, een dictatuur die veel effectiever is dan het fascisme’, zo omschreef Pasolini ‘de universele volkerenmoord van het consumisme’.

Een enkele dichtregel: ‘Alleen liefhebben, alleen te weten komen telt/ Niet liefgehad hebben, niet geweten hebben.’ Of: ‘De dood is niet niet meer kunnen communiceren, maar niet meer begrepen worden.’

Maar deze flarden wegen niet op tegen de iconische foto van een kranige, toen nog keurig als een meneer geklede Pasolini in pak en stropdas, die zich in 1960 met huid en haar stort in een partijtje voetbal met een groepje jongens uit Centocelle, een van de armste borgata’s (achterstandswijken) van Rome. Rond het veldje verrijzen de eerste flatgebouwen van de verfoeide consumptiemaatschappij, maar het is nog net een moment van onschuld. De jongens stralen in hun armoedige kloffies, Pasolini is één bonk vitaliteit. Een momentopname van twee werelden die elkaar voordien en nadien nooit meer hebben ontmoet, maar die Pasolini even tot één wist te smeden.

Die getuigenis, of misschien zelfs de betekenis van Pasolini’s leven wordt door Abel Ferrara én Federico Bruno opgevoerd in hun films. De persfoto van Willem Dafoe als Pasolini rennend over het veldje in zijn keurige pak tussen de Italiaanse sloeberjochies is alvast in omloop gebracht. Het is het ultieme Pasolini-moment, dat iedereen direct herkent. En de scène komt ook in de film van Bruno tot zijn recht, want zijn Pasolini – in het dagelijks leven een tandarts die ongelooflijk lijkt – is ook goed. Een melancholische Pasolini, die meer nog dan de echte de schaduw van de dood met zich meetorst.

Hij wist het zelf heel goed. In zijn laatste interview, van 1 november 1975 – er restte hem nog twaalf uur te leven – zei hij tegen de beroemde Italiaanse journalist Furio Colombo: ‘Ik betaal een prijs voor het leven dat ik leid… het is als een afdaling in de hel. Maar als ik weer bovenkom – áls ik weer bovenkom – heb ik andere dingen gezien, meer dingen.’

Razend was Oriana Fallaci om deze houding van de ook door haar geadoreerde Pier Paolo. Halverwege de jaren zestig was hij een paar weken in New York geweest, waar Fallaci toen al woonde. En ze waren veel samen opgetrokken, altijd volgens Pasolini’s vaste schema: overdag de intellectueel, ’s avonds de weerwolf. Vlak na zijn dood schreef ze hem een open brief, waarin haar woede om de dood waar hij volgens haar om had gevraagd streed met haar grote verdriet: ‘Ik had het meteen in de gaten toen we elkaar in New York leerden kennen, tien jaar geleden alweer. Iedere nacht vluchtte je naar de wijken waar zelfs gewapende politieagenten zich niet durfden vertonen. En je werd het nooit moe om het laagste van het laagste op te zoeken, de horror met eigen handen aan te raken, je samen te laten smelten met mannelijke relicten, drugsverslaafden, homo’s uit wanhoop, dronkenlappen. Of je nou naar de Bowery, Harlem, de Bronx of de haven ging, je was altijd daar te vinden waar het kwaad regeerde en waar het het gevaarlijkst was.’

Uiteindelijk hield Fallaci het niet meer uit en waarschuwde hem, iets wat niemand van Pasolini’s beroemde intellectuele vrienden, of zelfs zijn adorerende moeder, ooit had gewaagd. Want dat deel van zijn leven was eenvoudig onbespreekbaar. ‘We stonden voor het Lincoln Centre en jij zocht een taxi om naar een plek te gaan die je mij niet wilde vertellen. Je was zo ongeduldig dat je trilde van verlangen. Ik mompelde: “Je laat je je keel nog een keer doorsnijden, Pier Paolo.” En jij keek me aan met je glanzende, trieste ogen (je ogen waren altijd triest, ook als je lachte) en je antwoordde ironisch: “O ja?”.’

Medium 12   pasolini e davoli

Pasolini’s eeuwige geschuim door de grensgebieden, zijn fascinatie voor de borgata’s is ook de focus van de grote overzichtstentoonstelling Pasolini Roma. Na Barcelona en Parijs was de tentoonstelling in Rome te zien, om vervolgens door te verhuizen naar Berlijn voor de Berliner Festspiele. In zes etappes worden ‘Pasolini’s jaren in Rome 1950-1975’ doorlopen. De reconstructie van de liefdesgeschiedenis met dodelijke afloop tussen Pasolini en de stad, een onherkenbaar Rome, voor wie de oogstrelende beelden van La grande bellezza nog vers op het netvlies heeft staan.

Op een zwart-witfilmpje begeleidt de inmiddels beroemde Pasolini een Franse journalist door een afbraakterrein naast de met hoge muren en prikkeldraad omgeven gevangenis Rebibbia, kilometers buiten de stad. Vol trots wijst hij op een ongepleisterde barak te midden van andere illegale krotten aan een stoffig stuk weg dat van niets naar nergens voert. ‘Daar woonde ik met mijn moeder, in 1951’, vertelt Pasolini in keurig schoolfrans. ‘Je hebt in Italië van die idioten die mij beschuldigen van armoedetoerisme. Alsof ik zou koketteren met mijn liefde voor het proletariaat. Maar hier zie je de waarheid. Ik was één van hen, hier leefde ik.’

Het verkrampte bij het proletariaat willen horen is ook Pasolini’s grootste verdriet geweest

Hij wilde het hysterisch graag, één van hen zijn, maar dat was hij natuurlijk niet. Zijn kortstondige verblijf tussen het lumpenproletariat had te maken met de vlucht in 1950 naar Rome samen met zijn moeder Susanna, vanuit het verre Friuli. Vanwege gerommel met jongetjes, de rode draad van zijn bestaan. Ook toen al, als jonge leraar literatuur op een middelbare school, tartte hij het lot. Wat volgde was het voorspelbare proces, het oneervolle ontslag als leraar, krantenkoppen in de provinciale pers, zelfs zijn lidmaatschap van de communistische partij werd ingetrokken. Pasolini zat volkomen aan de grond en moest in Rome aanvankelijk overleven van het geld dat zijn moeder bijeen sprokkelde als hulp in de huishouding.

Dus ja, ze hebben heel even gedwongen in een sloppenwijk gewoond, maar ze waren als de wiedeweerga vertrokken zodra het Pasolini wat beter af ging, dankzij zijn onmiskenbare literaire talent en onstuitbare werkdrift. Binnen een paar jaar waren ze de buren van de familie Bertolucci op de Monteverde Vecchio, de benijdenswaardige heuvel boven de oude stad voor de gegoede burgerij. Buren van de grote Italiaanse dichter Attilio Bertolucci, met zijn zoons Giuseppe en Bernardo, die een van de beroemdste regisseurs ter wereld zou worden.

Het verkrampte bij het proletariaat willen horen is ook zijn grootste verdriet geweest. Op de officiële opening van de tentoonstelling Pasolini Roma in Rome loopt het symbool van dit grote verdriet zomaar rond. Ninetto Davoli, de vrolijke krullenbol uit de borgata, die op zijn vijftiende door Pasolini als het ware uit het ei werd gepeld. Jochie uit het broodarme Calabrië, met het kinderrijke gezin overgeplant in een Romeinse krottenwijk om te overleven, mee met zijn oudere broer die wat timmerwerkzaamheden had te verrichten op de set van Pasolini’s La ricotta (1963) – met Orson Welles. Maar Pasolini zag Ninetto en dat was het einde van het leven van Ninetto zoals het bedoeld was. ‘Ik kreeg ineens een speelse tik tegen mijn achterhoofd’, heeft Pasolini’s ultieme muze al ontelbare keren verteld, ‘en dat was Pasolini.’

Een paar dagen later belde de maestro: of Ninetto er niets voor voelde om acteur te worden. Ninetto had geen idee wat dat was, acteur worden, maar het geld, dat begreep hij wel, en als hij niet, dan zeker zijn ouders en zijn oudere broers.

De eerste Ninetto duikt een jaar later al op in Het evangelie volgens Matteüs, als zestienjarige bijbelse figurant, maar wel een opvallende. De verliefde camera zoomt in op de schaterlachende krullenbol die speelt met een klein huilend jongetje met een snottebel. Vanaf toen verscheen Ninetto in iedere Pasolini-film, met steeds belangrijker rollen. Negen films in totaal, met uitzondering van de laatste, het gruwelijke Salò of de 120 dagen van Sodom, omdat Pasolini zijn Ninetto niet wilde blootstellen aan deze martelgang. Van de groep van de straat geplukte jongeren die de hele film naakt moesten rondlopen om bij toerbeurt te worden verkracht en gemarteld door de vier ‘hoge heren’ zijn weinigen de ervaring psychisch ongeschonden te boven gekomen. In het beste geval zijn ze erin geslaagd om een andere naam aan te nemen en hem te verdringen, deze film waarin ‘seks een metafoor is voor macht’, zoals Pasolini het deftig omschreef. Zijn Ninetto hoefde niet uit de kleren, hoefde niet zijn eigen uitwerpselen op te eten, niet aan een ketting, niet voorover te buigen voor het gerief van de hoge heren. Want Ninetto was de liefde van zijn leven, door Pasolini altijd zorgvuldig omkleed als ‘geadopteerde zoon’, en hij liet zich publiekelijk ook ‘babbo’, ‘vader’ noemen door Ninetto.

Het leed was niet te stelpen toen de lachende krullenbol uiteindelijk toch koos voor een normaal bestaan, met een meissie uit de borgata trouwde, en twee zoontjes kreeg die hij ‘Pier Paolo’ en ‘Guido’ – de naam van Pasolini’s aan het einde van de Tweede Wereldoorlog gesneuvelde jongere broer – noemde. Het klaaglied om Ninetto snijdt als een mes door de ziel, op de tentoonstelling Pasolini Roma. ‘Het is einde Ninetto’, schrijft hij aan iemand, ‘niets heeft meer zin. En alles wat ik in het verleden heb gedaan, wat ik voelde als wezenlijk, als echt, voelt ook als bedrog. Hij zou nog in staat zijn om opgewekt gewoon timmerman te worden. O Ninetto!’

Het onderwerp van dit immense leed loopt inderdaad zeer opgewekt over de tentoonstelling waarin hij – naast Pasolini – de absolute hoofdrol vervult. Overal Ninetto, op filmbeelden, op foto’s, in de borgata’s, op het voetbalveld. De levende getuigenis van het ‘echte’ dat Pasolini zo smartelijk nastreefde, het één van hen zijn, het erbij horen. Hij is inmiddels 66, Ninetto. De brutale grijnslach is gebleven, de occhi ridarelli – de ‘lachende oogjes’, zoals Pasolini in opperste verrukking schreef – ook. Het tengere figuur van de jonge god met de smalle heupen is dat van een man van 66, de woeste donkere krullenbol is een waardige zilvergrijze haardos geworden. En hij is nog altijd in een opperbest humeur, Ninetto.

Als iemand van de massaal aanwezige Italiaanse pers hem eerbiedig aanschiet, plant hij zijn voeten breed op het glanzende travertijn van het Palazzo delle Esposizioni, kruist de armen over de volkse werkmansborst, en wacht de vraag af.

‘Hoe was het, voor u, in 1975, na zijn dood? Uw hele leven daarna, bedoel ik?’

Ninetto kijkt even diepzinnig in de lucht. Alsof hij nadenkt. Dan schraapt hij gewichtig zijn keel. ‘Pier Paolo en ik’, zegt hij nadrukkelijk, ‘wilden naar Marrakesj emigreren. Dat hadden we al afgesproken. We gingen daar een beetje in Rome blijven hangen! Kom op zeg! We waren onze tijd ver vooruit, Pier Paolo en ik.’ En Ninetto gooit zijn hoofd achterover, in een bevrijdende schaterlach.

Pasolini van Abel Ferrara draait nu in de bioscoop.


Beeld: (1) Pier Paolo Pasolini en Ninetto Davoli (Centro Studi - Archivo P. P. Pasolini/Cineteca di Bologna). (2 & 3 ) Rome, 1960. Voetballen met straatjoches; het ultieme Pasolini-moment. (4) Maria Callas en Pier Paolo Pasolini in Skorpios, Griekenland, 1969 (Gabinetto G.P. Vieusseux, Florencia (ACGV)/Fondo Pier Paolo Pasolini)