De Achtste Internationale Architectuurtentoonstelling

Overdosis esthetiek

Op de Achtste Internationale Architectuurtentoonstelling van de Biënnale van Venetië laat de architectuur zich vooral van haar bevallige kant zien. Grote uitzondering is de Israëlische bijdrage, waarin niet aan zelfpromotie wordt gedaan, maar aan zelfkritiek.

Waar gaat het om in de architectuur? Om het kleine promillage van gebouwen dat de architectuurtijdschriften haalt? Of om honderd procent van de gebouwde omgeving? Zijn mooie gebouwen de essentie van architectuur of gaat het om een betrokkenheid bij de wereld? Deyan Sudjic (1952), directeur van wat kortweg de Achtste Architectuur biënnale wordt genoemd, huldigt het promillagestandpunt. Dat is tevens het enige echte standpunt dat hij inneemt.

De Engelsman Sudjic, hoofdredacteur van de Italiaanse architectuurglossy Domus, heeft van Next, de centrale tentoonstelling in het Arsenale, een driedimensionaal tijdschrift gemaakt, waar je als bezoeker doorheen bladert, hier en daar iets lezend of nauwkeuriger bekijkend. De expositie bevat een overdonderende hoeveelheid ontwerpen waarvan het de bedoeling is dat ze de komende jaren worden gebouwd, of die al in uitvoering zijn. Next is onderverdeeld in ongelijksoortige rubrieken als wonen (vooral villaontwerpen), musea, onderwijs, torens, werk, stedenbouwkundige masterplannen, Italië en shopping. Tussendoor is als een advertorial ook nog een verzameling prototypen opgesteld voor de thee- en koffieserviezen die architecten zijn gevraagd te ontwerpen voor Alessi, en zijn de inzendingen opgehangen voor een recente ideeënprijsvraag van The New York Times Magazine voor hoogbouw in downtown Manhattan.

Het kolossale Arsenale is voornamelijk gevuld met projecten van de bekende namen van dit moment, van Frank Gehry en Richard Meier tot Toyo Ito en Jean Nouvel. Het woord «next» uit de titel heeft niet méér diepgang dan dat wordt getoond wat deze beroemdheden de komende tijd zullen opleveren. Het is een overzicht zonder analyse of interpretatie van een heleboel mooie gebouwen in wording, elegant gepresenteerd in de door de Britse minimalist John Pawson ingerichte expositie. Veel meer dan geparfumeerde goede smaak biedt Next echter niet. Sudjic laat alle namen uit zijn balboekje passeren, de Londense architect David Chipperfield voorop, die met een record aantal van zes projecten plus een theeservies present is, terwijl de meeste ontwerpers het moeten doen met een of twee projecten.

Rem Koolhaas komt als enige grote naam niet in Sudjic’ balboekje voor. Hij is slechts aanwezig met een bescheiden paneel in de prijsvraag van The New York Times Magazine en in een rubriek met foto’s van architectenbureaus. Bovendien wordt hij in vrijwel elk artikel in de catalogus genoemd, maar van zijn werk is op de tentoonstelling niets terug te vinden. De Nederlandse delegatie op Next bestaat bij Koolhaas’ afwezigheid uit MVRDV, Wiel Arets, Ben van Berkel, Erick van Egeraat Associated Architects en Mecanoo.

Sudjic legitimeert zijn eigen onuitgesprokenheid met de onderkoelde opmerking dat het «niet het moment is om definitieve uitspraken te doen over modernisme of postmodernisme, over de superioriteit van een benadering of generatie ten opzichte van een andere». Hooguit wil hij daaraan toevoegen dat het «mogelijk is om bepaalde trends te ontwaren die op verschillende plaatsen in verschillende vormen opduiken». Welke trends dat zouden kunnen zijn, laat Sudjic echter in het midden. Hiermee is zijn visie op de hedendaagse architectuur net zo vlak als die van Franco Bernabè, de president van de Biënnale van Venetië, die in zijn voorwoord bij de catalogus monter constateert dat «de Achtste Internationale Architectuurtentoonstelling duidelijk maakt dat de architectuur wereldwijd in goede gezondheid verkeert en vastbesloten is om belangrijke sporen na te laten voor toekomstige generaties».

Als Next iets niet is, dan is het een overzicht van de mondiale architectuur. Next beperkt zich tot het gebruikelijke drietal West-Europa, Verenigde Staten en Japan, met een enkel uitstapje naar Australië, Latijns-Amerika en het Midden-Oosten, waar de Japanse architect Arata Isozaki voor de minister van Cultuur van Qatar, sjeik Saud, een buitensporig huis gaat bouwen van twintigduizend vierkante meter. Ter vergelijking: het onlangs opgeleverde ING-hoofdkantoor in Amsterdam van Meyer & Van Schooten heeft ongeveer dezelfde omvang.

De opdracht van een Japanner in Qatar is tekenend voor de huidige internationalisering in de architectuur, die zowel blijkt uit Next als uit de afzonderlijke landenpresentaties: Japanners bouwen in China en Nederland, een Amerikaan in Rusland, Finnen in Guinee en Senegal en een Spaans-Brits bureau uit Londen in Japan. Zelfs in Italië, lange tijd afzijdig van deze internationalisering, is het meer dan ooit een komen en gaan van buitenlandse architecten.

De landenpresentatie in de paviljoens van de Giardini di Castello biedt tegenwicht aan de geografische beperkingen van Sudjic’ tentoonstelling. Hier is iets te zien van wat zich op dit moment afspeelt in Oost-Europa, Latijns-Amerika, Zuid-Korea, Egypte en Israël. Bovendien wordt de architectuur in enkele presentaties uit de vacuümverpakking van de autonome esthetiek getrokken en blijkt er engagement met de buitenwereld te kunnen bestaan. Brazilië toont projecten voor openbare ruimtes in favelas, met daarbij de opinie dat «de oplossing van de stedelijke chaos niet komt van de architectenbureaus die de vermeende bezitters van esthetiek zijn». Gelijktijdig tonen de projecten dat enige esthetiek wel een verademing is in de stedelijke chaos van een sloppenwijk.

In dezelfde categorie goede werken die architecten kunnen verrichten, vallen de twaalf lichtgewicht prefab-bouwwerken van Juan Pedro Posani voor culturele buurthuizen in Venezuela. Deze onmiskenbaar politiek correcte Biënnale-inzending schijnt vrij lang in de race te zijn geweest voor de Gouden Leeuw, die echter aan Nederland is toegekend voor de fraaie presentatie Fresh Facts. Deze tentoonstelling, vormgegeven door Herman Hertzberger, bestaat uit projecten van vijf jonge architectenbureaus (MVRDV, NL Architects, VMX, René van Zuuk en Korteknie & Stuhlmacher), geselecteerd door het Nederlands Architectuurinstituut.

Een prijs was ook op zijn plaats geweest voor Borderlinedisorder, de Israëlische bijdrage die — de symboliek is niet te missen — bijna tegen het Amerikaanse paviljoen aan ligt. De Verenigde Staten tonen foto’s van de wtc-puinhopen en al eerder geëxposeerde toekomstplannen van architecten voor deze plek, met voor de deur een geoxideerd stuk staal van de Twin Towers als relikwie. Israël toont een ander facet van het veelzijdige conflict waarmee ook de aanslag op het WTC te maken heeft. Borderlinedisorder gaat in op de architectonische en stedenbouwkundige gevolgen van de Israëlische politiek. En dat met steun van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Cultuur. Daarmee is Israël het enige land dat de Biënnale niet gebruikt voor zelfpromotie maar voor openlijke zelfkritiek, hoewel dat op ministerieel niveau misschien niet helemaal is doorgedrongen.

Het paviljoen is ingepakt met een schutting van aluminium en pvc, sinds de jaren zestig de meest gebruikte bouwmaterialen in Israël. Op en door de schutting heen is de tentoonstelling te zien en te horen. In het voorwoord van de catalogus bij de tentoonstelling noemt minister van Cultuur Matan Vilnai deze oplossing een bewijs van Israëls improvisatietalent, waarmee voorbij wordt gegaan aan de polemische intentie van die schutting. Het dichtgetimmerde paviljoen is een ondubbelzinnig commentaar op de Israëlische ruimtelijke politiek in de bezette gebieden, die architect Zvi Efrat, een van de samenstellers van de tentoonstelling, samenvat als «het manipuleren van lijnen, het in beslag nemen van oppervlak en het liqui deren van ruimte».

Nog duidelijker brengt de catalogus van Borderlinedisorder aan het licht wat de consequentie is van deze politiek om de Westoever met steeds nieuwe en uitdijende nederzettingen, militaire kampen en barricades in beslag te nemen. Het gevolg is dat nergens meer een duidelijke grens tussen Israëlisch en Palestijns gebied loopt. De grens is overal en dus nergens, en zolang het conflict voortduurt, zal ook de strijd zich overal afspelen.

Op de schutting is een patchwork in camouflagekleuren te zien van Israëlische en Palestijnse nederzettingen op de Westoever, een abstractie van de kaart die architect Eyal Weizman met de mensenrechtenorganisatie B’tselem heeft gemaakt voor een rapport over de wijze waarop Israël mensenrechten schendt door de bouw van nederzettingen en afscheidingen. Weizmans kaart was in juli een centraal onderdeel van A Civilian Occupation: The Politics of Israeli Architecture, een tentoonstelling die hij samen met Rafi Segal heeft georganiseerd. In de bijbehorende catalogus staan bijdragen van grotendeels dezelfde architecten, journalisten en critici die ook betrokken zijn bij Borderlinedisorder. Kern van A Civilian Occupation is dat architecten en stedenbouwkundigen die aan de bouw van nederzettingen meewerken onherroepelijk vuile handen maken.

A Civilian Occupation was de Israëlische bijdrage aan een internationaal architectencongres in Berlijn, in juli van dit jaar. Vanwege de controversiële politieke inhoud heeft de opdrachtgever, de Israel Association of United Architects, op het laatste moment de tentoonstelling teruggetrokken. Dat gebeurde onder druk van de ministeries van Cultuur en Buitenlandse Zaken die om financiële bijdragen waren gevraagd. De oorspronkelijke catalogus is uit de handel genomen, maar zal dit jaar bij een andere uitgever alsnog verschijnen. Opmerkelijk genoeg hebben dezelfde ministeries van Cultuur en Buitenlandse Zaken die A Civilian Occupation weigerden te ondersteunen het nauwelijks minder kritische project Borderlinedisorder wél aanvaardbaar bevonden. Misschien als compensatie voor de eerdere actie, misschien omdat de boodschap wat subtieler is verpakt. Die boodschap wordt er echter niet minder dringend op.

Next, de Achtste Internationale Architectuurtentoonstelling van de Biënnale van Venetië, duurt tot en met 3 november 2002