Toneelteksten van Elias Canetti

Overdrijven op de vierkante millimeter

Twee Nederlandse toneelgezelschappen spelen op dit moment teksten van Elias Canetti. Het RO Theater doet ‹Bruiloft› (1932), ’t Barre Land voltooit de in 1998 begonnen bewerking van ‹Die Blendung›, Canetti’s magnum opus uit 1935

Elias Canetti (1905-1998) schreef zijn eerste toneelstuk Bruiloft toen hij 27 was. Hij stond onder invloed van Arthur Schnitzlers drama over de dubbele seksuele moraal Reigen en Bertolt Brechts jeugdwerk Kleinbürgerhochzeit. Canetti’s stuk is radicaler, een akelig pandemonium van kleinburgers die de dingen waar het hun om gaat — bezit en seks — nogal grof bij de naam noemen. Bruiloft heeft 33 jaar op de wereldpremière moeten wachten (Braunschweig, 1965), en daar kwam een hoop tumult en protest aan te pas. Alize Zandwijk regisseert het stuk nu exclusief voor de Rotterdamse Schouwburg en «haar» RO Theater, in een grijs mausoleum met in de wanden uitgespaarde nissen (ontwerp: Thomas Rupert).

Het staat met geen woord in de folders — ze kijken wel uit in Rotterdam — maar deze versie van Bruiloft laat zich bekijken als een afrekening met de rancuneuze horden die zich anderhalf jaar geleden achter Pim Fortuyn schaarden en die voor een kortstondige omwenteling in de Nederlandse democratie zorgden. Is het toeval, of is het mijn preoccupatie als kijker als ik meen te zien dat de vader van de bruid, «hoofdarchitect Seghenrijck» (Herman Gilis) trekken vertoont van supermaffioso Ed Maas, chef-marionettenspeler van de LPF? Alize Zandwijk beschouwt de personages uit Bruiloft sowieso als groteske poppen. Soms lukt dat. Ik kreeg in elk geval kippenvel toen het hele gezelschap midden in de bruiloft losbarstte in een mediterrane of Latijns-Amerikaanse variant van de vogeltjesdans, onder aanvoering van Esther Scheldwacht, het keurige maar autistische meisje Anita, tragisch genoeg de enige in dit griezelkabinet waar de toeschouwer nog wat compassie mee kan hebben.

De apotheose van de voorstelling wil spectaculair zijn: de flat van de kleinburgers stort in, de sprinklerinstallatie slaat op hol. Mijn gedachten dwaalden terug naar Christoph Marthalers versie van Hochzeit, hier midden jaren negentig in het Holland Festival te zien. Daar werd de ondergang van dit huis aangekondigd in de steeds onheilspellender wordende geluiden uit de boilers en verwarmingsbuizen in het treurige jaren-vijftig-decor. Die boerende apparaten toen waren effectiever dan de scheten van Herman Gilis hier. Ze werkten als een tikkende tijdbom. Hier is het apocalyptische slot een nogal krachteloos special effect.

In het middendeel van zijn driedelige autobiografie De fakkel in het oor beschrijft Canetti onder de titel «De vijftiende juli» een gebeurtenis die zijn leven ingrijpend veranderde. Op die dag in 1927 vond in Wenen een arbeidersopstand plaats, de politie schoot mensen dood, de rechtbank sprak de moordenaars vrij, de regeringskrant Die Reichspost beschouwde dit als «een rechtvaardig vonnis», een woedende menigte trok op naar het paleis van justitie en stak dat in brand, de politie schoot opnieuw met scherp, er vielen negentig doden. Canetti fietste naar de bestorming van het paleis van justitie en trof in een zijstraat een ambtenaar die alleen maar kon jammeren: «De archiefstukken verbranden!» Canetti observeerde de massa opstandige arbeiders en schreef daarover hallucinerend notities (de basis voor zijn latere studie Massa en macht). Maar die ene schreeuwende ambtenaar, alleen bezorgd over de brandende archieven, liet hem niet los.

Het slothoofdstuk van De fakkel in het oor heet «Kant vat vlam» en in dat hoofdstuk keert die schreeuwende archiefambtenaar terug. Hier wordt de geboorte beschreven van een boek waaraan Canetti in het begin van de jaren dertig onafgebroken werkte. Over een wereldvreemde boekenwurm die in de conceptversies eerst Kant heet, daarna Brand en uiteindelijk Kien wordt (het Duitse woord voor harsachtig hout). Het boek krijgt de titel Die Blendung, wat «blindmaking», «oogverblinding» betekent. Het wordt in het Nederlands vertaald als Het martyrium, een woord dat in de verte verwant is aan «martyrologium»: boek van martelaars.

Die Blendung is een verslavend boek, een vertelling in drie delen over de sinoloog Kien, een wereldvreemde boekenman die uitsluitend leeft voor en met zijn bibliotheek, de grootste particuliere boekenverzameling van Wenen. In het eerste deel, «Ein Kopf ohne Welt», vecht Kien een titanenstrijd uit met zijn huishoudster en levensgezellin Therese, die intelligentie en belangstelling voor boeken veinst, maar uit is op het bezit van de bibliotheek als kapitaal: de boekenkast als entree tot een lucratief testament. In het tweede deel van de roman, «Kopflosen Welt», is Kien uit zijn boekenverzameling verdreven en terechtgekomen in de Weense onderwereld. Hij valt voor de handigheid van de dwergbultenaar Fischerle die in Amerika schaakgrootmeester wil worden en daartoe het kapitaal van Kien plundert. In het derde deel, «Welt im Kopf», keert Kien terug in de kelders van zijn boekenverzameling, als gevangene van zijn doodgewaande huishoudster/echtgenote, zijn fascistoïde huis bewaarder Pfaff, en als psychiatrisch geval voor zijn broer, de in Parijs werkzame zielknijper Georges Kien. Die poogt hem ervan te overtuigen dat hij van zijn weltschmerz te genezen is, wat mislukt. Kien steekt zijn boekenverzameling in de fik en verbrandt zelf met zijn boeken.

Canetti’s Die Blendung is (met Musils Mann ohne Eigenschaften) een sleutelroman over de jaren dertig van de vorige eeuw. Hij schetst — naast Kien — een achttal personages die tot op de rand van karikaturen worden uitvergroot. Ze praten niet, ze «monologiseren». Canetti geeft ze een «akoestisch masker», een dampkring van taal waarin ze zichzelf beschermen en zodoende de misverstanden creëren waarvan ze de gevangenen zijn geworden. Het raffinement van Canetti’s schrijfstijl steekt in de ogenschijnlijk gewone, van de straat en uit de kroeg geplukte beeldtaal die op volstrekt onverwachte momenten explodeert. Canetti formuleert zijn doel als schrijver zelf als pogingen «die Menschen präzis zu übertreiben und damit die individuellen Porträts zur Kunstfigur zu verallgemeinern». Precisie in de overdrijving, de anekdote boven zichzelf uit laten stijgen. Wie bij Canetti’s schrijfstijl beelden zoekt, komt terecht bij de tijdloze tekeningen, schilderijen en montages van de Duitse expressionisten Georg Grosz, Otto Dix en John Heartfield. Canetti ontmoette hen tijdens zijn tweejarige verblijf in Berlijn, kort voor hij aan Die Blendung begon. Wat hun in beelden lukte, probeert Canetti in taal: de wortels van het kleinburgerdom uit de grond trekken, genadeloos beschrijven waar die wortels toe leiden — een woud van onkruid, domme en redeloze bezitsdrang, gewelds explosies, van haat doordesemde rancune, hersenloze autoriteitsgevoeligheid, fascisme.

De toneelspelerstroep ’t Barre Land is in 1998 begonnen in afleveringen een theaterbewerking van Canetti’s Die Blendung/Het martyrium op de planken te brengen. De intelligente bewerking (van Ditte Pelgrom en Czeslaw de Wijs) is nu voltooid. De voorstelling (bijna vier uur, twee pauzes) wordt gespeeld tegen een hoge wand van houten schrootjes, met daarvoor een tafel als speelvloer, alles zeer dicht op het publiek; deze toneelspelers hebben niets te verbergen. De speelstijl is die van schaamteloos demonstrerende komedianten: ze tonen de buitenkant én de kwetsbare binnenzijde van hun personages. De acteurs van ’t Barre Land spelen zoals Canetti schrijft: ze citeren de taalkundige realiteiten die de auteur in de Weense stegen en spelonken heeft opgevangen. Ze overdrijven, lijken in het hanteren van het grote gebaar af en toe op personages uit de Duitse stomme film van de jaren twintig. Maar ze overdrijven op de vierkante millimeter, ze schakelen van beheersing naar de bewust gekozen acteeracceleratie, ze worden allegorische kunstfiguren, ze staan voor meer dan hun anekdote.

Centraal staat Jacob Derwig, die als de wereldvreemde sinoloog bijna vier uur constant óp is en die je als toeschouwer vier uur lang alle hoeken en gaten van het toneel spelersvak laat zien: standwerker, marktkoopman, verteller, tragédien et comédien, twee plankieren en één hartstocht: ons in de kop van die man laten kijken. Zijn tegenspelers zijn allemaal aan hem gewaagd. Vincent van den Berg maakt van de opdringerig nieuwsgierige Weense jongen Franz Metzger en van de bultenaar Fischerle Himalaya’s van toneelspelersmagie. Hij is een opzwepend souffleur, schenkt drankjes in op de maten van de entre-act-muziek, creëert brisante personages alsof-ie konijnen uit een hoge hoed goochelt, ook weer precies zoals Canetti schrijft, gaukeln mit Sprache.

Margijn Bosch is onweerstaanbaar prachtig als Therese, de gevatte vrouw die uit domheid tot slimme trucs komt, of met die slimheden haar domme kracht tracht te verbergen. Ingejan Ligthart Schenk zet een doodgriezelige prefascist neer die alleen al van het uitspreken van zijn naam een hoestbui van agressie maakt.

Vóór alles: hier staat een hecht werkend ensemble, waarvan alle leden, ook Peter Kolpa, Anouk Driessen en Martijn Nieuwerf, ondergeschikt zijn aan die ene ambitie: de larger-than-life-itself-vertelling van Elias Canetti zo effectief mogelijk bij ons naar binnen masseren. Hoofd zonder wereld is een theatraal monument voor dit geniale boek, en een niet te missen ode aan het toneelspelen.