TONEEL Ritter, Dene, Voss

Overdrijvingskunstenaar

In zijn ‘alfabetische autobiografie’ Peymann von A bis Z schreef de Duitse regisseur Claus Peymann onlangs dat hij bij het regisseren van Thomas Bernhard-stukken (vaak wereldpremières) nooit van realisme los kon komen. Peymann: ‘Moet ik Robert Wilson vragen om een Bernhard te regisseren? Waar blijft dan de humor van de auteur? Zijn er andere manieren om met Bernhard om te gaan, scherper, grotesker?’ Na Brandhout: Een irritatie door Tg STAN hebben we nu nóg een antwoord op die retorische vraag, in de vorm van de voorstelling Ritter, Dene, Voss bij Dood Paard. Grotesk is deze toneelavond in ieder geval, scherp wordt hij in de loop van het stuk zeker ook. Met de keuze voor wel of niet realisme heeft dat weinig van doen. Bij Bernhard gaat het altijd over de voeling van de toneelspelers met de muzikaliteit van de tekst. En over een uitgebalanceerd stijlgevoel, ‘knowing which play you’re in’, zoals een Engels acteur het omschreef. Of stijl als een wijze van zien en beleven – zie de evenwichtskunst in de versie van Ritter, Dene, Voss door Discordia. Dat Peymann na al die jaren met Bernhard nog alleen maar aan de realismekoektrommel is toegekomen, zegt meer over de regiesukkeligheid van Peymann dan over Bernhards oerkracht.
De drie namen zijn overigens die van de toneelspelers die de wereldpremière van Ritter, Dene, Voss speelden tijdens de Salzburger Festspiele van 1986. Voss is Ludwig, een filosoof/schrijver die van achteren zomaar Wittgenstein zou kunnen heten en die een aanzienlijk deel van zijn bestaan doorbrengt in de sjieke Weense halvegarenkliniek Steinhof. Zijn zus Dene heeft hem daar nu weggehaald en naar het ouderlijk huis gebracht, tegen de zin van zus Ritter. Beide zussen zijn overigens toneelspeelster, Ritter wat vaker dan Dene, allebei niet fulltime, zoals hun rijke vader, die 51 procent heeft opgekocht van de aandelen Josephstadttheater, ooit heeft bedongen. De thuiskomst van Ludwig lijkt geen lang leven beschoren. En Peymann kan gerust zijn: Bernhard grotesk spelen, dat kan. Met wat coupures (ik schat dat een derde is geschrapt), onbevangen spelen en een potje ongegeneerd schreeuwen hier en daar, kom je een heel eind.
Dat geschreeuw van die twee kifterige pestkoppen van zussen, hier vertolkt door Manja Topper (Dene) en Femke Heijens (Ritter), ging me aanvankelijk niet in de koude kleren zitten. Dat schaamteloze wegtoeteren van het vilein in die mooi orgelende regels, het gaat bij mij van au. Maar het went naarmate het aantal decibellen gestaag daalt. En Dene meer en meer in beslag wordt genomen door pannenkoekenbeslag en de graflucht van dit Weens mausoleum geleidelijk plaatsmaakt voor de baklucht van perverse huiselijkheid – griezelig mooie slapstick trouwens, Manja Topper en haar pannenkoekenpan!
Wanneer de e-nor-me verschijning van Voss (vormgegeven door de in de dubbele zin des woords verpletterende Benny Claessens) dan eindelijk het toneel heeft betreden, kan dit infernale trio aan het werkelijke beulswerk beginnen. Hier toont Bernhard zich op zijn best als de overdrijvingskunstenaar tegen de overdrijvingswanhoop. De tragiek van deze drie contactgestoorde leprozen zit erin dat ze in hun verzet tegen de overleefde bourgeoiscultuur die hen ooit op de wereld zette altijd te hoog hebben ingezet, waardoor ze nooit meer ergens anders zullen landen dan in het menselijk teveel. ‘Wil ik naar een concert/ koopt zij een abonnement.’ Jammer dat de nabehandelende arts van Voss hier Freud heet. De naam die de auteur verzon was beter: Frege. Klinkt een beetje Teutoons-vaderlijk. ‘Ik heb vader altijd gehaat/ Ik wenste hem dood/ Zijn dood had op mijn haat geen invloed.’ Aanrader!

T/m 1 mei in Nederland & Vlaanderen, 27 t/m 29 april Frascati, Amsterdam; www.doodpaard.nl