Het akkoord van Johannesburg

Overeenkomst door uitputting

Op de conferentie in Johannesburg is duidelijk geworden dat veel politieke leiders tot nu toe weinig hebben gedaan aan milieu en duurzame ontwikkeling. En dat ze dat ook niet eens meer willen. Toch kwam er een akkoord.

Johannesburg — «Castro, Ghadaffi, Mugabe and Blair. There goes the neighbourhood.» Zo kopt een reclamebord van een FM-radiostation bij de afslag naar het conferentiecentrum in Johannesburg waar de wereld bijeen is om over duurzame ontwikkeling te praten.

Daar gaat de wereld, zou je ook kunnen zeggen.

De VN-top geeft een nauwkeurig beeld van de stand van zaken op het gebied van milieu bescherming, en van de politieke wil en onwil om werkelijk zaken te doen op dit gebied. De conferentie is een voortzetting van wat tien jaar geleden in Rio werd afgesproken en nooit werd uitgevoerd. Rio was de conferentie van een bezorgde wereld die zich realiseerde dat de ontwikkeling van de menselijke soort op deze manier zou leiden tot het uitsterven van diezelfde soort.

Want dat is waar het bij deze discussie om gaat: het voortbestaan van de aarde is niet in gevaar, maar wel het voortduren van menselijk leven op die aarde. Rio was de conferentie van politieke leiders die een andere weg in wilden slaan. Johannesburg is de conferentie van politieke leiders die zich realiseren dat ze weinig hebben kunnen doen op dit gebied en dat nu dus ook niet eens meer willen.

Als het bedrijfsleven dan de boosdoener is op veel gebieden, dan moet datzelfde bedrijfsleven het ook maar oplossen, zo is de trend. En wel vrijwillig. Er wordt goed geluisterd naar de lobbyisten van de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie (WTO): initiatieven van het bedrijfsleven zijn de beste manier om ontwikkeling en milieubescherming vorm te geven. Dat daarvan in de afgelopen tien jaar helemaal niets is gebleken, wordt in Johannesburg als een verwaarloosbaar detail beschouwd. Dat bedrijven vooral vrijwillig iets doen als ze anders worden gedwongen, dat is een uitvoeringsdetail. McDonald’s trekt de collecte bussen open voor Unicef, Greenpeace sluit een megadeal met «Big Businesses for Sustainable Development», en BMW domineert met een lichtgroene autoshow het enige pleintje waar de geachte gedelegeerden een hapje frisse lucht kunnen halen in het conferentiecentrum. Partnerships is het toverwoord, maar dat voldoet nauwelijks om te verhullen dat politieke leiders zich machtelozer opstellen dan ooit.

En dan zijn er natuurlijk de smoezelige details: Rusland dreigt het Kioto-verdrag op te zeggen, want doordat de Verenigde Staten dat niet ratificeren, gaan de handelsvoordelen die Kioto met zich meebracht voor Rusland verloren. Afspraken op het gebied van water worden ingeruild tegen veel vagere afspraken op het gebied van energie. De ontwikkelingslanden beloven het niet meer te hebben over exportsubsidies als het Westen ophoudt met zeuren over democratie en goed bestuur. De bijna-overeenkomst over biodiversiteit wordt opgeblazen omdat een aantal grote ontwikkelingslanden zich ineens realiseert dat dit betekent dat ze moeten ophouden met het kappen van het laatste beetje tropisch regenwoud. Over verliezen aan alle kanten gesproken.

En er zijn de kleine ruzietjes: «We kunnen de toestand in Zimbabwe niet negeren», meent een vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk naar aanleiding van de komst van Mugabe, de president van dat land. «Dit is toevallig een VN-top en geen picknick van het Britse Gemenebest», blaft de ambassadeur van Zimbabwe terug.

Intussen is de scheiding der geesten tussen binnen en buiten het conferentiecentrum compleet: binnen worden de woorden globalisering, liberalisering en privatisering met gepaste eerbied en immer positief uitgesproken; buiten, waar de niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) en tal van sociale bewegingen confereren, zijn diezelfde woorden bij consensus synoniem met al wat de wereld bedreigt.

«Rights for people and rules for business», rechten voor mensen en regels voor bedrijven, zo luidt een van de weinige spandoeken die de gedelegeerden uit het raam van hun ommuurde stad kunnen zien.

Binnen wordt zelfs het al niet zo denderend eerlijke spelletje dat globalisering heet niet volgens de spelregels gespeeld. Want als het heil moet komen van de vrije marktwerking, dan zouden de landbouwsubsidies in de EU en de VS toch echt moeten worden afgeschaft, en dat gaat natuurlijk niet gebeuren.

Cynici wijzen onophoudelijk op wat deze top de wereld kost (veel), op de milieuoverlast die de top veroorzaakt (niet gering), op de kaviaar en champagne die de gedelegeerden tot zich nemen (valt mee). En zoals altijd is er een merkwaardige coalitie aan het werk van uiterst rechts (sowieso tegen instellingen als de VN) en uiterst links (ook sowieso tegen instellingen als de VN).

«Het volk wordt hier niet gehoord», scandeerden de demonstranten zaterdag tijdens een protestmars tegen de top. Dat zou geen probleem zijn als de gekozen vertegenwoordigers van dat volk dan maar hun werk zouden doen, maar de werkelijkheid is dat veel van de aanwezige topleiders noch zijn gekozen noch hun werk doen.

De onverbeterlijke optimisten (vooral te vinden in kringen van de Verenigde Naties zelf die wanhopig de geloofwaardigheid van het instituut proberen op te poetsen) wijzen er voortdurend op dat duurzame ontwikkeling tien jaar geleden een vaag, nietszeggend begrip was terwijl nu iedereen het erover wil hebben. «Praten gaat vooraf aan handelen», zo staat te lezen in het memo dat de VN-staf kreeg uitgereikt bij wijze van handleiding voor gesprekken met journalisten.

De enig overgebleven supermacht, de Verenigde Staten, weet in Johannesburg met zichzelf geen raad. Ze willen niks, maar ze willen toch wel een beetje positief overkomen. Hun diplomaten zijn nieuw, onervaren en uit de klei getrokken. Hun voorstellen zinloos en hoogstens cosmetisch. Hun verveling is nauwelijks verhuld, ze willen naar huis en zich bezighouden met de zaak waar het echt over gaat: de oorlog tegen het terrorisme. Gelukkig maar dat er meer vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zijn dan ooit eerder op een VN-top, dat is tenminste vertrouwd. Als op een persconferentie een journalist de relatie legt tussen de nieuwe en uiterst strenge regelgeving op het gebied van boekhouden en financiële informatie en de Amerikaanse lamlendigheid op het gebied van milieuregels, kijkt de top onderhandelaar van Bush ronduit verbijsterd: «Wat heeft dat in hemelsnaam met elkaar te maken?» Maar als de nieuwe regelgeving directeuren persoonlijk verantwoordelijk houdt voor te optimistisch boekhouden, waarom zouden ze dan niet persoonlijk verantwoordelijk zijn voor het veroorzaken van milieurampen?

Een ander effect van de «zakelijke» benadering van milieuvraagstukken op de top is dat onderwerpen als mensenrechten en de positie van vrouwen volledig ondersneeuwen. Zulke softe noties als bijvoorbeeld het feit dat negentig procent van het werk in de landbouw wereldwijd door vrouwen wordt gedaan en verduurzaming van de landbouw dus via vrouwen de meeste kans heeft, worden hier niet gehoord.

Handig opereren leidde er bovendien toe dat als bij toverslag werd vastgelegd dat de afspraken van Johannesburg in overeenstemming moeten zijn met de WTO-verklaringen. En wat zegt de WTO? Dat beperkingen van de vrije markt en vrije handel alleen zijn toegestaan als er onomstreden wetenschappelijk bewijs voorhanden is. In gewone taal betekent dat dat bijvoorbeeld regeringen alleen de import van genetisch gemanipuleerd voedsel kunnen weren als «wetenschappelijk onomstreden» vaststaat dat genetisch gemanipuleerd voedsel schadelijk is. Ja, dat krijg je als je een aantal belangrijke onderwerpen doorverwijst naar een werkgroep van ministers van Handel in plaats van naar milieubewindslieden.

Een lichtpuntje in Johannesburg wordt gevormd door de afspraken die zijn gemaakt op het gebied van het belonen van goed bestuur in ontwikkelingslanden met harde pecunia in plaats van alleen maar mooie woorden.

Koortsachtig onderhandelen tot midden in de nacht, demonstratief de vergadering verlaten als het te gortig wordt (zoals de EU deed toen men alleen nog maar over vrije handel en de bevordering daarvan wilde praten), bilaterale deals sluiten en geld uitdelen voor mooie zaken (Van Ardenne deed de hele week niets anders): het is natuurlijk allemaal reuze spannend en opwindend en internationaal en belangrijk.

De aard van een dergelijk proces leidt er onvermijdelijk toe dat er, ongeacht de uitkomst, van succes en vooruitgang wordt gesproken. Psychologisch brengt bijna niemand het op om na twee weken keihard werken ronduit te verklaren dat het niet is gelukt. Overeenkomst door uitputting heet dat in VN-jargon.

Zo presenteerden de onderhandelaars bij de Kindertop van de Verenigde Naties om drie uur in de ochtend triomfantelijk de verklaring waarover men het eens was geworden. Het was niet gelukt om de wereldleiders te laten verklaren dat de doodstraf voor kinderen diende te worden afgeschaft maar het adagium «beter geen verklaring dan een heel erg slechte verklaring» is aan diplomaten niet besteed.

De grote spelers in het NGO-gebeuren staan dan voor de keus om de paar goede afspraken die zijn gemaakt te omarmen en uitgevoerd proberen te krijgen, of om de hele zaak tot een echec te verklaren. Dan geldt echter weer wat voor de Verenigde Naties altijd gold en zal gelden: het is een tamelijk machteloos instituut en het kan niet verder springen dan het zwakste of vervelendste lid wil. Ja, het is een praatcollege, en de macht ligt elders. De echte beslissingen worden genomen op basis van de overtuigingskracht van het geld en niet op basis van inhoudelijke argumenten. Het kost allemaal veel geld en er zijn veel te veel spelers die in de gevangenis thuishoren in plaats van in de vergaderzaal.

Maar er is geen alternatief.