Man Booker Prize

Overgeleverd aan het vrouwelijk lichaam

Als Hilary Mantel dit jaar de Man Booker Prize krijgt, zou ze niet alleen tweevoudig winnaar zijn, ze zou ook als eerste de prijs krijgen voor een vervolgroman. En waarom niet? Het boek Henry is net zo interessant als Wolf Hall.Verderop de genomineerden Will Self en Deborah Levy.

Hilary mantel, _Het boek Henry. _Uit het Engels vertaald door Ine Willems, Signatuur, 384 blz., € 22,95

Het is vervelend om te constateren, maar het is een beetje pijnlijk om Hilary Mantel te zien zitten in de brede stoelen van de bibliotheek van het Amsterdamse Ambassade Hotel. Ze komt vriendelijk over, met een buitengewoon jeugdig gezicht en een lieve stem die niet zou misstaan in een tekenfilm, maar sinds haar studententijd is haar lichaam een oorlogsgebied. Ze beschrijft het vernietigend scherp in haar memoires Giving Up the Ghost (2003): na jaren van onbevredigend ziekenhuisbezoek en artsen die haar naar de psychiatrie verwijzen, diagnosticeert ze zichzelf uiteindelijk met een ernstige vorm van endometriosis, een chronische, ingewikkelde ziekte in de baarmoederholte. ‘It builds up. It presses on nerves and causes pain, sometimes at distant. The scar tissue forms an evil stitching which attaches one organ to another.’ Maar hé! schrijft ze, ironisch monter. Ik kan nog lopen! Ik kan nog denken en op de typemachine mijn frustraties botvieren.

En schrijven deed ze dus. Talloze essays, memoires, uiteenlopende romans, contemporaine en historische, waarvan A Place of Greater Safety (1992, over de uiteindelijk falende vriendschap tussen Robespierre, Danton en Desmoulins tijdens de Franse Revolutie) het meest tot de verbeelding sprak, tot ze in 2008 ineens met Wolf Hall kwam. Een gouden greep. Hoofdpersoon Thomas Cromwell was een van die bekende koppen uit de Engelse geschiedenis – zijn beroemde portret door Hans Holbein behoort tot de New Yorkse Frick’s Collectie – van wie maar bar weinig bekend is over zijn persoonlijke leven. Hij diende waarschijnlijk aan het begin van de zestiende eeuw in verschillende continentale legers, voordat hij naar Engeland terugkeerde, eerst als rechterhand van de gevallen kardinaal Wolsey, daarna van de Tudor-koning Henry VIII. Wolf Hall gaat over de manier waarop Cromwell Henry’s lusten aanvoelt en diens katholieke koningin Katherine van Aragon van de troon weet te wippen, zodat daar de wulpse Anne Boleyn kan plaatsnemen, waardoor, en passant, de Engelse Reformatie wordt aangewakkerd en Cromwell zijn politieke tegenstanders, met name de humanist en Katherine-aanhanger Thomas More, laat executeren.

Wolf Hall is waarschijnlijk de bekendste Booker Prize-winnaar van de laatste jaren (en de best verkochte, zegt de uitgeverij) en pas een derde van het verhaal. Bring Up the Bodies is het tweede deel, nu in vertaling verschenen bij uitgeverij Signatuur als Het boek Henry. Deel drie is al gepland en iedereen met enige historische kennis weet dat dit deel zal eindigen met Cromwells hoofd op het hakblok – maar niet dan nadat Cromwell merkt dat Henry’s lustige oog opnieuw verschuift, van Anne (die maar geen mannelijke troonopvolger wil baren) naar de preutse hofdame Jane Seymour, en hij een plot in beweging zet om van Anne de beroemdste onthoofding uit de geschiedenis te maken, zodat Henry zijn handen, en bed, vrij heeft.

In een lange recensie in The New Yorker maakte de eminente criticus James Wood een vergelijking om duidelijk te kunnen maken wat Hilary Mantel zo’n interessante schrijfster maakt. Wat moet je doen om een goede joodse roman te schrijven? citeerde hij uit een brief van een uitgever: ‘Schrijf een goede roman, en verander daarna alle namen naar joodse namen.’ Het deed hem denken aan Wolf Hall en Het boek Henry: het las alsof Mantel eerst ‘gewoon’ een goede roman had geschreven en daarna de namen vervangen had door historische.

‘O nee’, zegt Mantel. ‘Werkte het maar zo simpel. Ik vrees dat mijn schrijfproces niet heel veel anders verloopt dan dat van andere schrijvers van historische fictie. Ik breng alle kennis in kaart. Vergaap me aan alle historische details, alle kennis, alle gebruiken – en als ik dan ga schrijven, heb ik genoeg zelfvertrouwen om te weten wat ik allemaal weg kan laten. Zoveel mogelijk.’

Maar juist een verwijt dat historische fictie krijgt, wat van historische fictie een zekere genre­vorm vol conventies maakt, is dat de auteurs de lezers van hun historische kennis moeten overtuigen. The past is a foreign country. En dat om die exotische wereld tot leven te roepen, ze de lezers moeten overladen met historische kennis, oud taalgebruik, beschrijvingen van maaltijden, kledingdracht en filosofie van toen. Het grote succes van Mantels Cromwell-boeken is dat ze zo actueel aanvoelen, dat wil zeggen: dat iedereen lijkt te denken zoals mensen nu denken. Je ziet Cromwell eerder voor je als de verveelde Tony Soprano in zijn Hummer dan als ridder te paard. Mantel: ‘Laat ik het zo zeggen: de kracht van historische fictie moet niet voortkomen uit de beschrijving van het historische. Het historische kennen we. We weten hoe het met Anne, Henry en Cromwell gaat aflopen – maar wat belangrijk is, is dat zij dat niet weten. Zij leven in het heden, dus ik vertel mijn verhaal in de tegenwoordige tijd terwijl het zich aan de personages openbaart.’

Toch lijkt juist Cromwell te weten wat er komt. Halverwege Het boek Henry merkt hij op dat hij de enige man in Engeland is wiens enige vriend de koning is. Hij beseft heel goed hoe gevaarlijk zo’n unieke vriendschap is als die vriendschap wankelt. Mantel: ‘Het is een vraag die constant door mijn hoofd speelt: hoeveel weet Cromwell? Terwijl ik schrijf en in zijn hoofd zit, probeer ik niets te weten van wat er komen gaat. Niets moet vaststaan. Als hij in Wolf Hall met Jane Seymour flirt, moet het voor mij en de lezer aanvoelen alsof dat tot de mogelijkheden behoort, dat hij met haar de zonsondergang in rijdt, een happy ending. Maar tegelijk is hij nu juist een personage met een enorm ontwikkeld zelfbewustzijn. Hij weet dat de adel hem niet moet, vanwege zijn humble origins en zijn snelle opkomst door de hiërarchie. Misschien de beste, objectieve primaire bronnen over zijn leven komen van de Spaanse ambassadeur Eustace Chapuys. In veel opzichten was hij Cromwells absolute tegenstrever, maar ook iemand die met veel respect over hem schreef naar het Spaanse hof. De brieven zijn nog te lezen en schetsen een beeld van iemand die door niemand werd geminacht, maar wel werd veracht. En daar vrede mee had.’

Dan nog een andere Brits-Amerikaanse criticus, misschien nog wel eminenter, de inmiddels overleden Christopher Hitchens. Niet alleen prees hij Wolf Hall in The Atlantic Monthly omdat het vol zat met kennis van het politiek en religieus abstracte en het gevaarlijk profane (bijvoorbeeld dat je beter niet op de vuurstapel kunt belanden op een winderige dag, omdat de vlammen dan van je wegwaaien en het branden langer duurt), maar ook omdat Mantel haar Cromwell neerzette als een monument van voorbeeldige weerstand tegen godsdienstige onderdrukking.

Mantel: ‘Dat durf ik niet zo te zeggen. Ik geloof zeer zeker niet, wat Hitchens suggereerde, dat Cromwell een atheïst was. Want wat dreef Cromwell? Alleen macht? Dat geloof ik niet. Hij stond heel dicht op Henry, maakte zich geen illusies over de wrede wispelturige natuur van de koning. Hij wist dat als hij aan de top van de macht zou komen, dat uiteindelijk tegen hem zou werken. Ik geloof ook niet dat hij macht om de macht wilde; de geschiedenis wijst in ieder geval uit dat hij zich zelden of nooit aan machtsmisbruik overgaf. Elke beslissing lijkt gebaseerd op rationaliteit, niet op persoonlijke voorkeuren. Ik denk dat hij dacht: oké, ik heb misschien een paar goede jaren voor de val, wat wil ik echt bereiken? Ik denk dat hij de ontmanteling van de katholieke kerk in Engeland en de opkomst van wat de Anglicaanse kerk zou worden als zijn levensdoel zag. Waarvoor hij, als het echt niet anders kon, bereid was te sterven.’

Stompt de macht ook niet af? In A Place of Greater Safety – dat in veel opzichten lijkt op de Cromwell-boeken – zijn Danton en Desmoulins aanvankelijk aanjagers van de revolutie, maar eenmaal aan de knoppen raken ze gedesillusioneerd. Ook macht verveelt en door al het getouwtrek voelen ze zich besmeurd. Zal Cromwell straks, als zijn val nabij is, de macht met enige berusting kunnen laten gaan? Mantel glimlacht, een beetje verlegen. ‘Zo ver wil ik nog niet vooruit kijken. Dat doet pijn, nu al.’

Weer andere critici prezen Mantel om de rol die vrouwen spelen – ze zijn geen damsels in distress, zitten niet in hun torenkamers hun haar te vlechten tot de prins op het witte paard op de deur klopt, maar proberen hun eigen lot te scheppen.

Mantel: ‘Ik was graag solidair geweest hoor, daar niet van: maar de werkelijkheid is dat het geen feministische insteek is. Het is gewoon hoe het was. Zowel Anne als Katherine was een hoog opgeleide, gecultiveerde vrouw. Ze waren geen slachtoffer van een geile beer als koning. Ze zagen hun kansen schoon en reageerden daarom, ze probeerden hun eigen rol te bepalen. Katherine weigerde haar troon op te geven, want ze was een prinses, het was haar geboorterecht. Anne kwam juist van lagere adel en vond dat ze recht had op de troon omdat ze ervoor had moeten werken, zich door de rangen had gewerkt.

Voor historici van de Tudor-periode zijn de continue wisselingen van politieke facties aan Henry’s hof permanent een onderwerp van discussie, omdat ze zo snel van vriendschap veranderden. Vrouwen speelden daar een niet te missen rol in. Je moet je voorstellen dat als je de gebeurtenissen van april en mei 1536 in kaart probeert te brengen, als Cromwell het vloerkleed onder Anne Boleyns voeten vandaan trekt, je al snel geconfronteerd wordt met het besef hoe glibberig feiten kunnen zijn. Cromwell had heel weinig bewijs tegen Anne, en zijn tijds­genoten waren niet naïef of goedgelovig – misschien geloofden ze niet echt in haar zogenaamde meervoudig overspel, maar Cromwell wist roddel en achterklap zo te mobiliseren, zo’n mist op te trekken, dat als je zei dat je er helemaal niets van geloofde, je wel heel publiekelijk kant koos. De mensen die met Cromwell samenspanden tegen Anne Boleyn en haar familie hadden van nature veel tegengestelde belangen – en toch spanden ze samen om haar uit de weg te ruimen, omdat ze geloofden dat daar het pad naar macht, meer macht, lag. Dat zouden ze nooit doen als Anne slechts een slachtoffertje was die de geile beer van een koning in de weg stond.’

En toch. Ook Hilary Mantel heeft wel een symbool klaar voor wie in Anne Boleyn een feministe wil zien: ‘Het voordeel van mijn ziekte is dat ik het een en ander weet van het menselijk voortplantingssysteem. En dat is uiteindelijk waar Henry’s problemen uit voortkomen: zijn onvermogen een mannelijk kind te krijgen. Hoe machtig hij ook is, hij is aan het vrouwelijk lichaam overgeleverd.’