Overgrootvader van Flaubert

Homeros is volgens schrijver en wiskundige Raymond Queneau niet alleen een voorvader van Flauberts helden Bouvard en Pécuchet, maar vader van iedere literatuur.

Schrijver en wiskundige Raymond Queneau (1903-1967) schreef in 1947 bij een uitgave van Bouvard et Pécuchet van Gustave Flaubert een voorwoord, beginnend met een paar retorische salto’s, in de wetenschap dat alles wat over dat boek van de twee eeuwige jonge onderzoekers geschreven was en werd in hun omnivore encyclopedie zou passen. Misschien ook de vergelijking die Queneau op het einde maakte: ‘Zo komen zij [Bouvard en Pécuchet] in een behouden haven, waarmee in dit relaas van hun heldendaden wederom het beeld wordt opgeroepen van een zeereis, van een Odyssee. Want Bouvard et Pécuchet is een Odyssee, madame Bordin en Mélie zijn de Calypso’s van deze zwerftocht over de Middellandse Zee van de kennis en het uiteindelijke resultaat van hun schrijven is Ithaca, waar zij eerst alle huwelijkskandidaten ter dood brengen en vervolgens, met een van grote wijsheid getuigende bezieling, de pareloesters van de domheid der mensen kweken. Evenals Candide verzorgen zij hun tuin en, aldus Flaubert in een brief aan Edmond de Goncourt, “de laatste woorden die Candide spreekt: laten we onze tuin verzorgen, vormen de waardevolste morele les die bestaat”.

De (wereldse – dat wil zeggen de werkelijke) literatuur begint bij Homerus (die al zeer sceptisch was), en ieder werk van betekenis is hetzij een Ilias, hetzij een Odyssee, waarbij opgemerkt dient te worden dat de laatste soort veel talrijker is dan de eerstgenoemde: Satyricon, de Divina Commedia, Pantagruel, Don Quichot en uiteraard Ulysses (waarin overigens de invloed van Bouvard en Pécuchet direct herkenbaar is) zijn _Odyssee-_werken, oftewel werken waarin de tijd geheel in beslag wordt genomen door het relaas van de gebeurtenissen. In _Ilias-_werken daarentegen wordt getracht de verloren tijd te hervinden, bijvoorbeeld voor Troje, op een verlaten eiland of bij de Guermantes. Maar of er nu sprake is van een “lege” tijd of niet, heldendichten zijn nooit opgebouwd volgens het principe van de nauwkeurige chronologie dat de “gewone” romans kenmerkt. Descharmes laat in hoofdstuk III van zijn boek over Bouvard et Pécuchet zien dat het tweetal uit het oogpunt van de waarschijnlijkheid ruim vijfentachtig jaar zou moeten zijn op het ogenblik dat de twee beginnen te schrijven, terwijl zij, op grond van de gegevens die van Flaubert zelf afkomstig zijn, pas zeventig waren: ze ontmoeten elkaar in juli of augustus 1838 (en zijn dan zevenenveertig jaar oud) en in hoofdstuk X wordt toespeling gemaakt op het “vraagstuk van de vrijhandel”, wat betekent dat het 1861 is, maar zowel het een als het ander is heel onwaarschijnlijk; Bouvard en Pécuchet hebben zo’n jeugdige geest en zijn zo levenslustig en volkomen gezond, dat zij geen “gewone” oudjes zijn, evenmin als het boek dat hun namen draagt een “gewone roman” is.’

Tot slot citeert Queneau in zijn voorwoord nog een brief van Flaubert uit september 1850, wanneer hij bezig is met zijn ‘Woordenboek van pasklare ideeën’. Dit is in zekere zin een voorstudie van het veel latere Bouvard et Pécuchet, waarvan het idee al van 1843 dateerde, meer dan dertig jaar voordat Flaubert zich daadwerkelijk aan het schrijven van het monsterproject zette. ‘Ja, dom is het te willen concluderen.’ Aldus Flaubert in zijn door Queneau geciteerde brief.

En dat is tevens Flauberts meest lapidaire definitie van domheid: zo snel mogelijk van A naar B en Z te willen, recht op het doel af, zo snel mogelijk conclusies willen trekken. De list van Odysseus was dat hij zijn terugkomst, willens en wetens, of de kronkels volgend van het lot, almaar uitstelde.

Flaubert: ‘Ja, dom is het te willen concluderen. Wij zijn de schering en we willen weten hoe de inslag is. Dat verklaart die eeuwige discussies over het verval van de kunst. We houden ons nu voortdurend voor dat ons laatste uur geslagen heeft, dat we de laatste fase zijn ingegaan, enzovoorts, enzovoorts. Welke enigszins sterke geest heeft, te beginnen met Homerus, conclusies getrokken?’

Waarna Queneau zijn voorwoord besluit: ‘… Homerus, gij vader van iedere literatuur en van elk scepticisme en over-over-over-over-overgrootvader van Bouvard et Pécuchet.’