L.H. Wiener, Nestor

Overlast en middelmatigheid

L.H. Wiener

Nestor

Uitg. Contact, 287 blz., € 22,50

De roman Nestor van L.H. Wiener omvat een aantal verschillende met elkaar verknoopte verhalen. Allereerst is er het verhaal over de jongen Ezra, die een ransuil uit een nest rooft en hem thuis in leven houdt en opvoedt. Dan heb je het verhaal van L.H. Wiener, die reflecteert over zijn eigen schrijverschap: hij staat stil bij zijn carrière, bij zijn ontwikkeling en bij het geringe succes van zijn literaire werk. Ook geeft hij een kijkje in de keuken bij het schrijven van het verhaal over de jongen met de uil. Dit verhaal kost hem de grootste moeite, juist omdat het zo dicht in de buurt van de kernen van zijn schrijverschap komt. Ten slotte is er Van Gigch, leraar Engels op een middelbare school in Haarlem, die onder de naam L.H. Wiener literatuur schrijft en afscheid neemt van de school omdat hij niet meer in staat is verantwoordelijkheid te dragen voor de nieuwste ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs (studiehuis). Deze Van Gigch blikt bovendien terug op zijn verschillende mislukte relaties. Wiener is erin geslaagd de drie verhalen ingenieus met elkaar te verbinden. Deze opzet geeft hem de gelegenheid op zijn eigen leven en werk terug te kijken — het onderscheid daartussen begint in deze roman steeds meer te vervagen — al laat hij op verschillende plaatsen het bedachte van deze opzet haarscherp zien. Het blijft natuurlijk allemaal fictie.

Wiener is vanaf het begin van zijn schrijf carrière trouw gebleven aan een volstrekt eigen mythologie, die een sombere kijk op de illusies van de menselijke soort onder woorden brengt. In veel van zijn boeken gebruikt hij de relatie mens-dier als een metafoor van deze sombere kijk. Het verhaal Ik ben ook nog leraar uit de verhalenbundel Man met ervaring uit 1973, zou gelezen kunnen worden als een voorwerk van de nieuwste roman. Ook in dit verhaal treedt een leraar op. Het begint als volgt: «Ik ben ook nog leraar. Meneer Wiener dus. Ik heb dan altijd een overhemd aan met een goedgekeurde stropdas; mijn stem is luid en je kunt niets aan me zien.»

Hier is nog niet de leraarfiguur Van Gigch aan het woord, maar de leraar Wiener uit 1973 vertoont wel hetzelfde gevoelige cynisme over zijn beroep als dat uit het nieuwste werk. Maar ook het thema uil-mens is in dit verhaal al aanwezig. De leraar begint plotseling ten overstaan van een nietsvermoedende vrouwelijke collega de lof van uilen te zingen. «Ik vertel haar alles over uilen wat ik weet en durf niet meer te stoppen (…) Ik zeg haar maar niet dat het wóórd uil op zichzelf al een lekker woord is en dat men dat vooral goed merkt wanneer men het enkele tientallen malen achter elkaar uitspreekt.»

Ook in Nestor is de omgang tussen mens en dier metafoor voor Wieners visie: dit is de motor van het boek. Hij is erin geslaagd een schitterend nieuw hoofdstuk toe te voegen aan zijn toch al indringende bijdragen op dit gebied. Ik raakte steeds meer betrokken bij het jongetje Ezra, dat zo hartstochtelijk monomaan zijn uil probeert te redden van de ondergang. Ook de dubbelzinnigheid van deze thematiek hield me in haar greep: Ezra is in essentie zelf de oorzaak van de problemen rondom de uil, híj heeft hem tenslotte uit het nest geroofd. Een dubbelzinnigheid waarover Wiener in de roman reflecteert en die hij verbindt met het leven en het werk van de schrijver Wiener en dat van de leraar Van Gigch. Een individu staat altijd aan de basis van zijn eigen wanhoop en ongeluk. Deze thematiek keert elders in het boek terug, onder meer in de gebeurtenissen rond een stervende reiger, waar ik verder liever over zwijg omdat het gelezen moet worden. Ook de reflecties van de leraar Van Gigch over zijn verschillende relaties passen binnen dit thema.

Minder geslaagd in deze roman vind ik de beschouwingen over schrijven en schrijverschap. De nogal provocerende en belerende toon in een aantal brieven aan vrienden en bekenden, onder wie Jeroen Brouwers, doet afbreuk aan de ingetogen en soms rechtstreeks tedere sfeer van de rest. «Schrijven is overlast, niet alleen voor de schrijver, maar ook voor de lezer, die al die onzin moet gaan lezen.» Dat zal dus allemaal wel, maar je hebt er weinig aan en het zegt niks over schrijven. Soms dreigt die toon om te slaan in zelfmedelijden, al legt Wiener zijn personages niet al te larmoyante opmerkingen in de mond over gebrek aan erkenning voor hun schrijverschap en leraarschap. Hij maakt zich daar in hoofdzaak cynisch vrolijk over, al loert op sommige plaatsen de afgrond van de rancune.

Over erkenning zou ik me als ik Wiener was geen zorgen maken: hij is er al jaren in geslaagd zijn oeuvre ver uit te tillen boven «overlast» en middelmatigheid. De geschiedenis van de uil en de jongen in deze roman is prachtig! Wat wil je nog meer? Wat kan het je als schrijver schelen als er tientallen, zoniet veel meer schrijvers rondlopen die niks van hun werk bakken, maar wel in interviews een grote mond hebben of zich door commissies laten fêteren? Laat ze toch barsten. Wieners werk staat als een huis, dat wordt met deze nieuwe roman bewezen.