De macht aan de burger - Deel 1 Amerika

Overleg? Saai!

Vernieuwing van de democratie is onontkoombaar, maar te hoge verwachtingen kunnen omslaan in teleurstelling. Afgelopen zomer constateerde Henri Beunders in Amerika dat het politieke idee van de burgerbetrokkenheid weer terug is bij af.

Medium anp 34592009

Hoe is het groeiende verzet onder burgers tegen de komst van opvangcentra voor vluchtelingen te verklaren? Zoals altijd bij een omslag in ‘de publieke opinie’ is er een vaak ingewikkelde wisselwerking tussen allerlei factoren die je soms pas na lang studeren enigszins kunt blootleggen. Laten we het geval Rotterdam – waar de voorlichtingsavond op 15 oktober bijna uit de hand liep – nemen als inleiding op de vraag: wat is de rol van de burger in de democratie?

De Rotterdamse context is deze. De grote toestroom van vluchtelingen in de jaren negentig eindigde verhoudingsgewijs het sterkst in het centrum van Rotterdam, mede een gevolg van de grote voorraad goedkope huur- en kooppanden daar. Het gevoel van vervreemding sloeg toe, daarna het gevoel van frustratie over het gebrek aan inspraak, en in maart 2002 stemde een derde van de kiezers op Pim – ‘Omdat ik van deze stad hou’ – Fortuyn. Nu is zijn nalatenschap, Leefbaar Rotterdam, onder leiding van Joost Eerdmans, de belangrijkste partij in het college van b. en w. En deze partij heeft niet alleen gezegd dat er geen ‘arme immigranten’ meer bij mogen komen, er is ook regelgeving voor ingevoerd: de Rotterdamwet. Toen de komst van een opvangcentrum voor vluchtelingen werd aangekondigd zal de vraag bij veel Rotterdammers dus geweest zijn: ‘Waarom nu ineens weer wél? Omdat de burgemeester dit per se wil?’

Rotterdam liep voorop om de slogan uit de troonrede van 2013 over de ‘participatiesamenleving’ in de praktijk te brengen en startte de zogenaamde Kendoe-campagne. Die houdt onder meer in dat buurten en wijken een deel van het beleid van de centrale stad mogen overnemen als ze denken het beter te kunnen. Er werd begin dit jaar ook een ‘burgerjury’ ingesteld van 150 door loting aangezochte burgers, die het gemeentebeleid de komende jaren mogen beoordelen en medebepalen.

In deze sfeer van ‘mondige burger, doe voortaan meer zelf’ kwam de top-down-boodschap dat er, gezien de vluchtelingencrisis, acuut een opvangcentrum zal worden gevestigd in de wijk waar al veel armoede en onveiligheid is, en waar al grote onvrede heerst over het uitblijven van vruchtbaar overleg met de gemeente over verbeteringen. Terwijl de burgerjury in oktober voor de tweede maal bij elkaar zou komen, werd er meegedeeld dat over dat opvangcentrum een voorlichtingsavond zou worden belegd, in bijzijn van de burgemeester. Niks inspraak, niks overleg met die burgerjury, met Kendoe of met welke buurt- of wijkraad ook.

Deze botsing tussen het delegeren van taken naar de gemeenten en burgers enerzijds, en anderzijds het goeddeels of geheel negeren van de burgers bij belangrijke zaken als de bouw van een miljoenen euro’s kostend nieuw stadhuis (in Steenbergen en ook Bloemendaal) eist haar tol bij emotionele ad hoc-kwesties als een azc. Het bij decreet mededelen van een besluit dat het leven of gemoed van de omwonenden zeker meer zal raken dan de aanleg van een paar wipkippen op het collectieve grasveldje kan de woede van sommige burgers verklaren. Als de vlam in de pan slaat, is het meestal zo dat er al lang al heel wat vlammetjes van onvrede aan het smeulen waren.

Zo wordt Nederland hard geconfronteerd met de vraag hoe de ‘vernieuwing van de lokale democratie’ – bepleit door wetenschappers en schrijvers als David Van Reybrouck maar ook door politici als de minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk – er eigenlijk uit moet gaan zien. Ja, met de vraag wat democratie in de 21ste eeuw eigenlijk inhoudt, of moet inhouden. Wat is, vanuit de burger gezien, de meest effectieve manier om invloed uit te oefenen? Eén keer per vier jaar stemmen? Petities en demonstraties organiseren, of boycots en bezettingen? Lobbyen? Procederen? Een sociale beweging van de grond tillen? Of een nieuwe politieke partij oprichten? De media bespelen?

De media spelen hoe dan ook een navrante rol in de vluchtelingencrisis. De dramatische uitsnede van de foto van de verdronken peuter Aylan in augustus veroorzaakte morele paniek, en werd een van de oorzaken van de Willkommenskultur. Daarna trad de scepsis in, en de angst, en kregen de demonstranten tégen opvangcentra alle ruimte. Gematigde, positieve burgers die vrijwilligerswerk doen en op bijeenkomsten hun genuanceerde zegje wilden doen, dolven in de media het onderspit. Zowel in het Friese Rijs als in het Brabantse Steenbergen waren de welwillende burgers verontwaardigd dat ‘de televisie’ alleen de schreeuwers in beeld bracht. En die schreeuwers waren boos dat zij visueel als fascisten werden weggezet, terwijl ze alleen maar ‘boe’ hadden willen roepen.

De rol van ‘de media’ wordt ook onderschat in het verhaal over burgerparticipatie. Televisie ideologiseert, wil een ‘ja’ tegenover een ‘nee’. Als iemand zegt dat de zon in het oosten opkomt, zoekt men iemand die zegt dat de zon in het westen opkomt. Dat noemt men dan evenhanded, genuanceerd, zelfs objectief. Deze polarisatie staat nieuwe vormen van burgerparticipatie, die het meer van het overleg willen hebben, in de weg. Saai! Bij gemeenteraadsvergaderingen zit geen journalist meer. Bij de Burgertop in Amsterdam in juni was Het Parool of at5 niet aanwezig. Desgevraagd zei Het Parool: ‘Spetterde het dan?’ Het is een van de zaken waar Van Reybrouck niet aan heeft gedacht.

Vanuit de overheden bezien is de belangrijkste vraag wat de meest effectieve manier is om tot een beleid te komen dat het grootste draagvlak heeft en ook het beste is voor de res publica, het algemene belang. Is en blijft dat de representatieve democratie die we nu al twee eeuwen kennen, waarbij de burger af en toe een hokje mag roodkleuren? Of horen hier toch ook andere, meer interactieve methoden van inspraak of overleg bij? Zoals enquêtes, inspraakavonden, proactief medebeslissingsrecht van een hoe dan ook geselecteerde groep burgers, zoals in een burgerjury, of een ‘schaduwraad’ of een ‘begrotingscontrolecommissie’?

Daarvoor is het goed te kijken naar de pogingen tot vernieuwing van de democratie in Amerika, het land waar David Van Reybrouck een deel van zijn inspiratie vandaan haalde voor zijn pamflet Tegen verkiezingen (2013). Daarin pleit hij voor wat met een deftig woord ‘deliberatieve democratie’ is gaan heten, een overlegdemocratie uitgevoerd door een door loting aangewezen representatieve selectie van burgers. Die burgers komen bijeen om gezamenlijk de problemen te benoemen en er oplossingen voor aan te dragen.

Amerika is meer gepolariseerd dan in jaren het geval is geweest, met nu aan de ene kant de ‘communist’ Bernie Sanders, senator uit de meest progressieve deelstaat van de VS, Vermont, en aan de andere kant Donald Trump, een mix van een patjepeeër-ondernemer en veel showbusiness, kortom een soort Silvio Berlusconi. De directe democratie kent in de VS ook vele schakeringen. In het Vermont van Sanders hebben de schoolkinderen twee weken krokusvakantie, omdat de lokalen in de tweede week geheel gevuld zijn met burgers die daar met elkaar delibereren en besluiten over alle grote en kleine maatregelen die de gemeente zou moeten nemen. Californië daarentegen is volgens velen ontaard in een ‘Disney-democratie’. Door de verregaande mogelijkheden van burgers om initiatieven voor wetten in te dienen, om referenda aan te vragen of via de zogeheten recall een gekozen functionaris al na enige tijd weer de laan uit te sturen als hij toch niet bevalt, is de staat soms nagenoeg onbestuurbaar. En dat terwijl Stanford University, Apple, Hollywood en Silicon Valley er gevestigd zijn, er kortom alle intellectuele en creatieve talent dat je maar kunt bedenken ongeveer bij elkaar op schoot zit.

Gematigde, positieve burgers die hun genuanceerde zegje wilden doen, dolven in de media het onderspit

De afgelopen zomer heb ik in Amerika vertoefd om die pogingen tot ‘vernieuwing van de democratie’ te bestuderen. De eerste les die ik moest trekken was opmerkelijk: het maakt eigenlijk weinig tot niets uit welk politiek stelsel een democratie in het Westen heeft – van direct tot representatief en alle mogelijke kiesstelsels daarbinnen – als het gaat om het praktische functioneren ervan. Oftewel: in theorie hebben de Amerikaanse burgers het meest invloed op de politiek in de gemeente, maar de opkomst bij verkiezingen, zeker landelijke, is lager dan bijna overal in Europa. Het vertrouwen in ‘de politiek’ is in Amerika niet hoger of lager dan in veel landen in Europa, dat wil zeggen: men vindt overal ‘de democratie’ wel prima, maar politici zijn voor de meerderheid van de respondenten toch overal zakkenvullers, laat staan dat ze naar ‘de gewone man’ luisteren. Dit is ook de conclusie van het recente rapport van het Nederlandse Sociaal en Cultureel Planbureau Meer democratie, minder politiek? In Nederland is, net als in Amerika en elders, de belangrijkste scheiding der geesten die tussen hoger opgeleiden en lager opgeleiden.

Dat er binnen ‘de democratie’ in sommige tijden een gevoel aanzwelt dat ‘het anders moet’, heeft meer met de national mood te maken – optimistisch, pessimistisch of regelrecht opstandig – dan met de democratie zelf. En die national mood wordt natuurlijk beïnvloed door grote factoren waar wij weinig vat op hebben: de economie, de demografie, de culturele ontwikkelingen, oorlogen, immigratie of niet, en politieke leiders die al dan niet blijken te deugen. In Amerika kwamen na ‘de goede Clinton-jaren’ de aanslag van 9/11, de oorlogen in Afghanistan en Irak en de war on terror van de omstreden havik George W. Bush. In Nederland kwam na ‘de goede Paars-jaren’ de ‘opstand der burgers’, en groeiende onvrede over de ontwikkelingen in de multiculturele samenleving (Fortuyn, Hirsi Ali, Van Gogh, Wilders). Deze grote ontwikkelingen hebben geleid tot nieuw denken over ‘de democratie’. De angstig geworden centrale overheid zette een tweesporenbeleid in – repressie én meer inspraak.

In de VS leidden de oorlogsstemming en daarna de oorlogsmoeheid, en ook de verlammende politieke polarisatie onder Bush, tot een stemming dat het allemaal anders moest, coöperatiever. Die sfeer van ‘we moeten het toch samen doen’ leidde tot de Yes, we can-_campagne van Barack Obama en zijn overwinning van de presidentsverkiezingen in 2008. Kern van zijn campagne was het partij overstijgende beleid dat hij zei voor te staan. Dat hij in Chicago ook jarenlang opbouwwerk in de slechtere wijken had gedaan versterkte het gevoel dat de burgers zelf weer het heft in handen moesten nemen in buurt, wijk, stad en land. De miljoenen vrijwilligers die met inzet van de sociale media en andere technologieën – _netroots – doneerden voor zijn campagne en langs de deuren gingen, waren het bewijs dat het land eraan toe was om van onderop weer te worden opgebouwd, ook in democratische zin.

Zo kregen sommige wetenschappers en activisten, die het al in de jaren tachtig opgekomen ‘communitarisme’ van moraalfilosofen als Amitai Etzioni, Benjamin Barber en Charles Taylor praktisch wilden gaan vertalen, ineens de wind in de zeilen. De noodzaak om de ‘mens binnen de gemeenschap’ opnieuw centraal te stellen leek daarnaast bewezen door het geruchtmakende werk van Robert Putnam, die in Bowling Alone (2000) statistisch vaststelde dat het ‘sociaal kapitaal’ van de Amerikanen – dat wil zeggen hun contacten en netwerken – ernstig was afgenomen, met desintegratie van de samenleving tot gevolg. In zijn nu verschenen boek Our Kids: The American Dream in Crisis heeft hij de hoop bijna geheel opgegeven dat het nog goed kan komen (zie pagina 26). Dit pessimisme was er niet toen Obama zijn zegetocht maakte, in 2007 en 2008. Toen overheerste een euforisch vertrouwen in een betere toekomst.

De angst voor die desintegratie en de hoop die Obama verspreidde onder velen, maakten één politicoloog beroemd die een praktische oplossing aandroeg voor de ‘vastgelopen politiek’: James S. Fishkin. Hij bepleitte al jaar en dag een overlegdemocratie, die hij deliberative democracy noemde, en voegde daar in When the People Speak (2009) een wetenschappelijke methode van opiniepeiling aan toe: de willekeurige selectie van burgers om met elkaar te overleggen en te besluiten. Dit is het lotingssysteem dat David Van Reybrouck zou overnemen voor zijn zogenoemde G1000-bijeenkomst in België. De techniek werd door Fishkin en zijn collega Robert Luskin deliberative polls genoemd. Men ging dit de ‘gouden standaard’ noemen omdat door de loting de representativiteit heel krachtig was, de uitkomsten van die weloverwogen vergaderingen goed te meten waren, en omdat deze vorm van overleg wat reflectie betreft gelijkwaardig was aan elke andere vorm van overleg.

Rond de experimenten die Fishkin en Luskin overal in Amerika, en elders, hielden met deze methode ontstond een beweging die het aloude – maar uitermate vage – idee van de civil society moest ondersteunen en richting geven. Er kwamen nieuwe tijdschriften, bijvoorbeeld The Good Society en Journal of Public Deliberation, er kwamen Manifestos om een nieuwe wetenschappelijke discipline van de Civil Studies in het leven te roepen, en er kwamen ook zomercursussen aan universiteiten om al dat harmonieuze en weloverwogen overleg van onderop theoretisch te stutten.

Medium anp 34592102

Wat is er terechtgekomen van al die pogingen de burgers zelf onderling te laten praten en beslissen over zaken van lokaal algemeen belang? Ik heb in de zomer in Boston zo’n cursus en conferentie over civic engagement bijgewoond, en ik werd er niet heel vrolijk van. De fut lijkt er al weer uit, hoezeer Obama (en zijn vrouw Michelle) ook blijft proberen om het aantal vrijwilligers te vergroten en het idee van community building in de steden een duwtje in de rug te geven.

Wat zijn zoal de redenen dat de deliberatieve democratie niet van de grond is gekomen? Sterker, dat de voorbeelden in Boston en omgeving die ik aanschouwde de indruk gaven dat niet alleen het sociale maar in wezen ook het politieke idee van de burgerbetrokkenheid weer terug is bij af? Dat wil zeggen: bij de charitas en het sociaal buurtwerk, veelal uitgevoerd door vrijwilligers uit de talrijke kerkgemeenschappen, en met budgetten van bijna niets. Het is weer soep uitdelen en taalcursussen geven aan immigranten, en als er een stichting is die iets doet aan sociale woningbouw, dan blijkt men een budget van nog geen zes ton te hebben en vooral gefinancierd te worden door het bedrijfsleven, meestal in het kader van de modieuze corporate social responsibility. Maatschappelijk verantwoord ondernemen heet dat bij ons.

De oorzaken van de malaise bij die vernieuwing van de democratie in de VS zijn legio, groot en klein, theoretisch en praktisch. De forces profondes zijn, sinds de financiële crisis in 2008 uitbrak, economisch. Voor veel burgers betekent dat: armoede en werkloosheid, steeds grotere inkomensongelijkheid en blijvende dominantie van het financiële turbokapitalisme. Die krachten laten aan goedwillende buurtbewoners niet veel anders over dan het aanleggen van een publieke moestuin op een braakliggend stukje terrein, en het overleggen over nieuwe en betere leslokalen op de kleuterschool. In zeer onveilige buurten kwam het – soms pas na jaren smeken – tot buurtbijeenkomsten met de wijkagenten. Tot een hoger politiek niveau is de deliberatieve democratie niet gekomen.

Op het overlegmodel van Fishkin kwam wetenschappelijke kritiek, die je ook op Van Reybrouck kunt uitoefenen. Wat is de rol van de ambtenaar in dit geheel? Wordt die slechts een adviseur van de burgers, een slaafse uitvoerder van die besluiten? Behoudt hij of zij nog een eigen professionaliteit? En, nog belangrijker, is dit overlegmodel niet ook bedoeld om de politiek te depolitiseren? Om andere vormen van politieke beïnvloeding – acties, petities, demonstraties, sociale bewegingen als Greenpeace en Occupy – te ondermijnen? Fishkin kwam met zijn wetenschappelijk geselecteerde groep overlegburgers, schreef hij in 2009 in The New York Times, omdat hij veel stadhuisbijeenkomsten had bijgewoond die gierend uit de klauwen waren gelopen. Waarom? Vanwege ‘de emoties’, en omdat iedereen binnen kon lopen, wat een open invitatie was voor belangengroepen en activisten om de publieke dialoog te kapen. Zoals nu in menige Nederlandse gemeente gebeurt rond de vluchtelingen.

De emotie (‘onrechtvaardig!’) is het hart geweest van bijna alle sociale bewegingen in het verleden

Kernfilosoof van de civil society-beweging in de VS is de inmiddels oeroude Duitse filosoof Jürgen Habermas met zijn ‘publieke sfeer’ en zijn ‘rationele discours’. Oftewel, mijd vooral alle emoties. De moderator moet mensen met een grote mond temperen, zwijgers juist tot spreken brengen, en vooral een ‘veilige omgeving’ creëren waarin tot rationele en ‘weloverwogen meningen’ en beslissingen gekomen kan worden. Maar in de psychologie is de gedachte al lang verlaten dat er twee geheel gescheiden delen in het hoofd zijn – de rede en de emotie – en is de consensus ontstaan dat mensen meestal helemaal niet zo goed weten waarom ze deze of gene mening hebben, of waarom ze eigenlijk tijdens of na zo’n discussie van mening zijn veranderd.

Fishkin onderscheidt drie kernwaarden van de democratie – politieke gelijkheid, overleg en wat hij noemt mass participation. Maar deze drie waarden vormen geen dilemma, maar een trilemma. Dat wil zeggen: pogingen om welke twee van de drie ook te realiseren betekenen ondermijning van de derde. Verkiezingen zijn geen overleg. Overleg met iedereen kan niet en de gelote bijeenkomst is geen massa-deelname, om maar iets te noemen. De G1000-achtige bijeenkomsten spelen ook geen enkele mobiliserende rol in de democratie. In feite is het een terugkeer naar de manier waarop de Founding Fathers eind achttiende eeuw langdurig en in alle rust – er was buiten stro op de kinderkopjes gelegd om het karrenlawaai te dempen – met elkaar overlegden om de grondwet op te stellen.

In een levendige democratie kan dit burgeroverleg een nuttige aanvulling zijn op de andere vormen van beïnvloeding: de verkiezingen, de sociale bewegingen, de acties, de petities, de referenda. Maar moeten burgers niet ook gewoon boos kunnen worden? De soms ronduit racistische oprispingen in de buurtbijeenkomsten over de vluchtelingen zijn te betreuren, maar we moeten niet vergeten dat de emotie (‘onrechtvaardig!’) het hart is geweest van bijna alle sociale bewegingen in het verleden.

Dezelfde technologie die voor de representatieve loting wordt gebruikt heeft intussen voor een heel nieuw activisme gezorgd. De jongeren die in 2007-2008 voor Obama hun Facebook- en MySpace-kanalen inzetten en zich uit de naad mailden, waren daar een voorbeeld van. Occupy, ook internet-driven, was maar het topje van de ijsberg, zoals W. Lance Bennett en Alexandra Segerberg beschrijven in The Logic of Connective Action (2013). In het algemeen prefereren veel jongeren deze vorm van digitale actie boven het vergaderen in het buurthuis. Of al deze acties – thin commitment genoemd – van de huidige ‘keyboard warriors’ meer effect hebben dan polarisatie en verharding van het debat is overigens zeer de vraag. Internet is misschien toch níet de oplossing.

Zijn we dan weer terug bij het aloude voting and volunteering in de VS, met af en toe een digitale handtekeningen- of boycotactie tegen een foute figuur of foute onderneming? Nee. Nu weet iedereen dat een face-to-face gemaakte afspraak de beste is, maar niettemin is de zogeheten civic technology de grootste groeimarkt binnen de civil society. De sites en apps die de mensen in de buurt bij elkaar willen brengen, op basis van interesse of wat ook, zijn niet meer te tellen. Een kleine greep: Mysidewalk.com gaat over open data. Brigade.com: ‘Find friends and neighbors who agree with you.’ Change.org: ‘Start a petition’. PublicStuff.com: ‘Connects citizen directly with city hall to fulfill service requests faster and with greater transparency.’

Deze laatste app is dit jaar overgenomen door het bedrijf Accela, marktleider in ‘cloud-based civic engagement solutions for government’. Men zegt nu meer dan zestig procent van de Amerikanen te bereiken, en de grootste provider te zijn in ‘citizen relation management’. Accela’s slogan: ‘Het moet net zo makkelijk worden om je mobiel te gebruiken om in contact te treden met de overheid als het is om eten te laten bezorgen of een taxi te bestellen.’ Wie dit gelooft, gelooft alles.

Vele decennia lang werd louter heil en zegen verwacht van nieuwe communicatietechnologie voor ‘de democratie’, van de kabel-tv rond 1970 in Nederland, tot de komst van internet – en de electronic town hall – in de jaren tachtig en negentig in de VS. Politicoloog Benjamin Barber stelde in zijn zeer invloedrijke boek Strong Democracy: Participatory Politics for a New Age uit 1984 dat de nieuwe communicatietechnologie de participatie zou vergemakkelijken. Bij de twintigste druk in 2003 bekende Barber in het voorwoord dat hij zich had vergist: het is níet de technologie die een betere samenleving mogelijk maakt.

Als je voor een minimaal burgerschap kiest, dan stem je af en toe en laat je het verder aan anderen over om zich voor de publieke zaak in te zetten. Als je voor een maximaal burgerschap bent, dan is verplichte deelname – via loting bepaald zoals in het oude Griekenland of in de juryrechtspraak in menig westers land – de beste optie. Maar in beide gevallen zullen de grote krachten van de geschiedenis hun loop wel vinden. Soms monden die uit in tevredenheid, soms in apathie, soms in onvrede of zelfs in opstand. En soms, zoals nu in de VS, in de behoefte aan radicale politici. Na de ‘softe’ en voor vele civil society-aanhangers ook teleurstellende Obama-jaren van appeasement is het weer harde politieke strijd tussen links en rechts. En blijven voor de civil engagement, de ‘burgerbetrokkenheid’, de kruimels over van de kerkelijke charitas en het sociale buurtwerk. Alleen in enkele gemeenten en deelstaten, zoals het landelijke Vermont, haalt de deliberatieve democratie het politieke niveau van de hele stad of staat, maar ja, hoofdstad Montpelier telt nog geen tienduizend inwoners.

De conclusie moet zijn dat de vernieuwing van de democratie onontkoombaar is, maar dat te hoge verwachtingen in teleurstelling en zelfs verbittering kunnen omslaan. Uiteindelijk gaat het namelijk over ‘politiek’, en ‘politiek’ gaat over keuzes tussen dit of dat en niet over allebei. Deze omslag naar ‘de politieke politiek’ hebben we de afgelopen weken in menige gemeente al kunnen zien als het ging om de opvang van vluchtelingen. De overheden proberen nu, wanhopig, de gemoederen te sussen, met enquêtes en wat niet al. Als men de burgers vanaf het begin deelgenoot, en dus ‘mede-eigenaar’, van het probleem had gemaakt, was de zaak wellicht niet zo geëscaleerd.

Henri Beunders is hoogleraar ontwikkelingen in de publieke opinie aan de Erasmus Universiteit


De macht aan de burger
‘Burgerparticipatie’ is een ware rage in de wereld van het lokale bestuur. Henri Beunders staat in een miniserie stil bij de vraag hoe serieus de burgerinspraak bedoeld is. Is er wel voldoende nagedacht over de juiste vormen waarin overleg en inspraak gegoten moeten worden? Is burgerinspraak niet een fopspeen om echte veranderingen tegen te houden? Kortom, wat doen de goedwillende burgers en bestuurders om lokaal de democratische impasse te doorbreken?


Beeld: Burgemeester Ahmed Aboutaleb praat met Rotterdammers in IJsselmonde over de komst van een AZC , 15 oktober. Foto’s Koen van Weel / ANP.