Overleven in de ether

Terwijl de versplintering van het tv-aanbod aller aandacht heeft, fragmenteerde de radiowereld vrijwel onopgemerkt. De slag om de luisteraar is er niet minder om. En dus gaat de presentator aan de leiband. De discjockey: van selfkicker tot strateeg.
IEDEREEN klaagt tegenwoordig over het aantal tv-zenders. Zes tv-kanalen voor zo'n klein land, is dat niet te veel? Hoe houd je in godsnaam bij wat er op al die kanalen te zien is? En dan al die kersverse Bekende Nederlanders die op al die kanalen te zien zijn - in hoeverre zijn die nog bekend? De kijkers lijken de kluts kwijt te raken, slaan in arren moede massaal aan het zappen, en dat heeft weer tot gevolg dat de financiers van al die tv-zenders, de adverteerders, zich zoetjesaan beginnen terug te trekken. Want du moment dat hun commercials in beeld komen, zappen de kijkers naar een belendend kanaal en valt hun prijzige tv-boodschap in een niemandsland. Weg geld!

De versplintering van het tv-aanbod die zich momenteel afspeelt, heeft zich bij de radio al goeddeels en in extremis voltrokken. Kan de kijker zich thans verpozen met zes nationale tv-zenders, voor de luisteraar is dat getal inmiddels ronduit lachwekkend. Alleen in het bastion Hilversum kan hij al bij vijf radiozenders terecht. Een nieuwszender (Radio 1), een gezelligheidszender (Radio 2), een popzender (Radio 3), een klassieke zender (Radio 4) en een rariteitenzender (Radio 5). Daarbovenop is een commercieel gezwel gegroeid van themazenders die het publiek 24 uur per dag met rock, funk, easy listening, klassiek, jazz, blues, Nederlandstalig, de allerlaatste hits et cetera bedient. Voeg daarbij ook nog de elf regionale radiostations en de talloze lokale zenders en een kind begrijpt dat in het Nederlandse radiolandschap thans voor iedere centimeter - ofte wel: ieder procent marktaandeel - tot bloedens toe moet worden gevochten.
Het keiharde commerciele klimaat heeft zelfs de zorgeloze praatjesmakers van de radio, de discjockeys, in zijn greep gekregen. Volgens Frits Spits (49), godfather van het Nederlandse discjockeygilde, is er geen plek meer voor de nonchalance en arrogantie van weleer. Het speelkwartier is voorbij. ‘De omgeving waarin een discjockey moet functioneren is ingrijpend veranderd’, zegt Spits. 'Vroeger had je de afzonderlijke omroepen die allemaal hun eigen identiteit en hun eigen prioriteiten hadden. De discjockeys waren hun gezichten, hun sterren op de radio. Om een gezamenlijk programmabeleid maakte niemand zich druk. Integendeel. Als de Vara bewust koos om een dubieuze plaat toch te draaien - eentje met vloeken erin of een paar minder welvoeglijke uitdrukkingen -, dan verklaarde de Avro pontificaal dat ze ’m juist niet zouden draaien. Iedereen stond op zijn strepen en bakende zijn terreintje zonder scrupules af.’
HET ZELFBEWUSTZIJN van de onaantastbare omroepen weerspiegelde zich in het karakter van de toenmalige discjockeys, meent Spits. Veelal schaamteloze egotrippers die met wilde haren en hun borst vooruit de studio’s binnenliepen, om vervolgens hun hippe cowboylaarzen op de bureaurand te planten in afwachting van hun kick: het radio-uurtje waarin ze voor het Nederlandse volk, kwekkend en kwakend, hun gang mochten gaan. 'Ik heb een hekel aan generaliseren’, zegt Spits, 'maar er waren heel wat discjockeys die er een sport van maakten zoveel mogelijk hun eigen naam te noemen. Op die manier probeerden ze extra schnabbels in het land te krijgen.’
De discjockey van de jaren zeventig zwiepte zijn naam niet alleen veelvuldig de ether in, omgekeerd stond zijn naam prominent in de boeken van de platenmaatschappijen. Als God van zijn eigen radiouurtje(s) had hij destijds naakte macht. Want dank zij het handjevol popzenders (Hilversum 3, Veronica, Noordzee) was hij een onmisbaar instrument bij het creeren van een kassakraker, in muziekkringen aangeduid als een 'hit’. Een discjockey kon zich naar hartelust laten feteren door de grote platenconcerns en deed dat ook. De kaviaar tussen zijn kiezen wegpeuterend, beloofde hij dan na afloop die en die plaat de komende weken flink te gaan pushen. De Nederlandse taal vond al snel het werkwoord 'pluggen’ uit voor deze corrupte praktijken.
Het beeld van de discjockey als vrije jongen, flierefluiter en artiest werd gecompleteerd door zijn acte de presence in de discotheken. De discjockey van toen ging zowat dagelijks 'op tournee’. Net als Mick Jagger, Sting en Michael Jackson klom hij op een podium en werd toegejuicht door massa’s half-hysterische jongeren. Het enige verschil was dat hij geen noot kon lezen en geen instrument kon bespelen, maar dat maakte zijn populariteit er na afloop niet noodzakelijkerwijs minder op. Een van de coryfeeen van toen, Tros-discjockey Ferry Maat, gedroeg zich als een echte popster. Hij eiste een vorstelijke gage en een ordentelijke kleedkamer om zich 'voor te bereiden op zijn show’.
SPITS VINDT overigens dat deze egotripperij ook zijn positieve kanten had. 'Er was toen meer eigenzinnigheid. Discjockeys konden vaak hun eigen platen draaien en dat ging gepaard met een enorm enthousiasme. Joost den Draayer is daar een mooi voorbeeld van. Die had geen bijzondere stem, maar de manier waarop hij tijdens een korte pauze in Bernadette van de Four Tops een oerkreet slaakte was zo… nou ja… Die kreet zei meer over zijn liefde voor die plaat dan duizend woorden.’
Liefde voor muziek, eventueel vermengd met eigenliefde, is voor Spits zelfs een noodzakelijk ingredient voor de goede discjockey. 'Hij moet in de eerste plaats mensen willen vermoeien met zijn eigen smaak, zijn persoonlijke muziekkeuze. Dan mag hij vervolgens stotteren, domme dingen zeggen, onverstaanbaar zijn, over zijn woorden vallen, maakt me niet uit, als ik maar bij ieder woord hoor dat hij van die muziek houdt’, zegt Spits.
UITGEREKEND de muziek, het instrument en troetelkindje van de deejay, is de laatste jaren steeds meer in de klauwen van marketeers terechtgekomen. Begonnen de zenderstrategen enkele jaren terug de plaatjes te dicteren op prime time (tussen twaalf en twee), nu is hun wil bij vrijwel alle stations 24 uur per dag wet.
Voor Spits staat deze ontwikkeling gelijk aan castratie van de discjockey. Spits: 'Als een ander je platen gaat uitkiezen, ontstaat er een gigantische afstand tussen wat je voelt en wat je zegt. Je voelt onverschilligheid, maar die mag je niet laten blijken. Binnen zo'n regime ben je gewoon een vakkenvuller geworden. Je roept wat en dan doe je alsof je heel veel sfeer voelt. Dat is je reinste fake.’
Ster-discjockey Jeroen van Inkel (34), vroeger Radio 3 en nu Veronica Hitradio, is van een andere generatie en staat er wat zakelijker tegenover. Hij voelt zich niet de bink, heeft de wijsheid zeker niet in pacht en doet gewoon zijn best 'een leuk programma te maken’. Natuurlijk wil hij het liefst zijn eigen plaatjes draaien, maar het radiolandschap anno 1996 staat in het teken van overleven. En dus moeten romantische ideeen waar nodig overboord.
Van Inkel: 'Wil je nu als station overleven, dan moet je je op een specifiek taartpuntje van de markt richten. En alleen als je dat stukkie veiligstelt, als je herkenbaar blijft voor dat taartpuntje, red je het. Toen ik nog bij Radio 3 zat wisselde ik Vader Abraham af met AC/DC, daarna gooide ik een stukje house erin en dan weer een nummer van Paul de Leeuw. Heel gevarieerd. Dat heb ik toen heel bewust gedaan omdat ik wist: dit gaat verdwijnen.’
Veronica Hitradio richt zich op het taartpuntje 'rijpere jongeren die ook nog de laatste hits willen horen’. De hits worden gekozen door de computer, maar dat is toch niet zo kil en onmenselijk als het lijkt. 'Als discjockeys van Hitradio bepalen wij zelf wat er in de computer komt’, verklaart Van Inkel. Samen met management en collega’s gaat hij om de zoveel dagen aan tafel zitten. Men pakt het 'beleidsplan’ erbij en al vergaderend komt een verse selectie hits tot stand. Waarna de uitonderhandelde cd-singles worden ingevoerd op de computer, die ze volgens vastgestelde percentages gelijkelijk over de zendtijd verspreidt. Hoezo kil? Hoezo onmenselijk? 'Via een omweg draai je toch je eigen platen’, vindt Van Inkel.
De Veronica-deejay, die bekend staat om zijn snelle grappen en rake one-liners, ziet vooral uitdagingen in de aankleding van een radioprogramma buiten de muziek om. Het moet allemaal 'lekker lopen’, jingles moeten goed worden getimed, de humor moet verrassend en afwisselend blijven ('Je zal maar buschauffeur zijn in Tel Aviv…’) en het tempo moet passen bij de uitzendtijd: ’s morgens rustig, ’s middags snelheid en variatie, ’s avonds sfeerrijk en meer persoonlijk. Van Inkel is een pure professional, praat alles naadloos aan elkaar en is daarmee de natte droom van iedere radio-directeur.
Van Inkel: 'In de auto op weg naar huis luister ik mijn programma’s altijd af. Ik hou goed in de ga ten of bepaalde nummers niet te vaak voorbijkomen. Dat moet een zender eigenlijk ook steeds doen, want het is heel lelijk om op een dag drie keer dezelfde gouwe ouwe te draaien. Dat is vervelend voor een trouwe luisteraar.’
OOK HOUDT Van Inkel - heel opmerkelijk voor een discjockey - zijn taalgebruik in de gaten. Stopwoorden zijn uit den boze ('Dat irriteert’) en woorden die te deftig klinken of juist te plat, noteert hij als foutjes die in de toekomst moeten worden vermeden. Van Inkel: 'Ik kan me verschrikkelijk storen aan woorden die heel wat suggereren, maar helemaal niets betekenen. Zo had je een tijdlang dat vreselijke woord “momenteel”. Iedereen gebruikte dat te pas en te onpas. Zoiets probeer ik dan te omzeilen. Of anders neem ik het een keer goed op de hak. Dan ben je d'r ook van af.’
Heeft hij dan nooit meer de neiging om de remmen los te gooien en te doen wat hem invalt? Is hij een pure strateeg geworden? Van Inkel: 'Ik wil op de eerste plaats goede programma’s maken. En voor geniale invallen moet je wel net het talent hebben. Vaak loopt dat 'spontane’ uit op amateuristisch gezwam. En daar heb ik niks mee. Van die typen die zogenaamd relaxed dingen brabbelen als “Het is tien over vijf… o nee…. het is negen over vijf”, of “Dat concert van Tina Turner in Ahoy’ is uitverkocht… dacht ik… toch?… of zijn er nog een paar kaarten over?” - Dat is gewoon slecht.’
Van Inkel wil eindelijk wel eens bevestigd zien dat hij met een vak bezig is. Vandaar dat hij voor De Groene Amsterdammer is afgeweken van zijn stelregel: geen gezeur aan mijn hoofd. Van Inkel: 'Het valt me op dat iedereen die een boekje heeft geschreven of een tv-programma presenteert of het weerbericht opdreunt, door jan en alleman serieus wordt genomen. Die mensen verschijnen meteen in allerlei talkshows. Maar een goeie discjockey hoef je totaal niet serieus te nemen, zo lijkt het.’
OOK SPITS valt het op dat de discjockey totaal wordt genegeerd door de officiele cultuur. 'Natuurlijk hoor ik discjockeys af en toe dingen verkondigen waar de honden geen brood van lusten’, zegt hij. 'Maar de popcultuur is toevallig wel de belangrijkste cultuur van na de oorlog. En de discjockey is een integraal onderdeel van die cultuur.’
Cultuur. een vak. Serieus genomen worden. Zijn de schreeuwlelijken van weleer, de lacherige leeghoofden met de vlotte babbel definitief in brave handwerkslieden veranderd? Het lijkt er veel op als we in gesprek raken met een derde coryfee uit radioland, Vara-deejay Jan Douwe Kroeske (39). Met dodelijke ernst schetst hij de commerciele terreur waaronder zijn collega’s gebukt gaan ('Ik zou niet onder zo'n regime kunnen werken’). Zelf geniet hij nog van de ouderwetse bescherming door zijn omroep. Kroeske: 'Omdat ik bij de Vara zit, kan ik veel van mijn eigen muzieksmaak doorgeven aan de luisteraar. En daar gaat het om.’
Toch loopt die luxe maar al te zeer parallel met het besef dat hij moet buigen voor de radiomanagers. Zijn taak als ontdekkingsreiziger in de popmuziek is omgeven door mijnenvelden. 'Nieuwe ontwikkelingen’ en 'interessante bands’ mag hij best signaleren, maar op bepaalde tijden en met mate. De sociaal-democratische cultuurpaus in Kroeske weet dat er zoveel procent shit in moet om al dat moois te behouden. 'Ik begrijp ook wel dat je tussen de middag niet te veel Sepultura (een alternatieve Braziliaanse band - hvw) kunt draaien. Dat kun je niet maken. Mensen denken van mij dat ik altijd doordraaf, maar dat is niet zo.’
Gelijk heeft-ie. Nu hij collega Henk Westbroek tijdelijk moet vervangen op de populaire middaguurtjes, zegt Kroeske al blij te zijn met een paar echte Kroeske-nummers tussen de zestig procent van bovenaf opgelegde bagger ('Dat is nou eenmaal zo’).
En toch - het volgende moment walgt hij weer van de realist in zichzelf en ziet hij een prachtig, bevlogen en kwalitatief hoogstaand Radio 3 voor zich, waar recht wordt gedaan aan de grootheid van Nederland. Kroeske: 'Ik weet dat het een gevaarlijk woord is, maar Radio 3 zou veel nationaler moeten. Wij Nederlanders zijn een eigenwijs klotevolk, en waarom zouden we daar niet een beetje trots op mogen zijn? Weet je waarom de Nederlandse muziekmarkt de belangrijkste ter wereld is? Niet omdat we hier de beste bands hebben, maar omdat we eigenwijze klootzakken zijn. Wij bepalen zelf wel wat we mooi vinden. Waarom denk je dat al die bands het een verademing vinden om naar Nederland te komen om in Paradiso of in de Melkweg of op het Lowlands Festival te staan? Omdat het Nederlandse publiek smaak heeft en niet als een blinde achter Amerikaanse trends aanholt.’
Hoe aanstekelijk zijn enthousiasme ook is, feit blijft dat de 'ouderwetse’ Vara-enclave waarbinnen hij zijn zendingsdrang mag botvieren, commercieel wordt afgestraft. Het afgelopen jaar verloor Radio 3, de voormalige heerser van radioland, maar liefst een derde van zijn luisteraars. Kroeske erkent de cijfers, kijkt gepijnigd, maar weet toch nog een luchtige draai aan het verlies te geven: 'Dat wij zoveel marktaandeel zijn kwijtgeraakt, is gewoon terug te voeren op alle zenders die erbij zijn gekomen.’ De kritiek van de commercielen als zou Radio 3 geen smoel hebben, stoort hem zeer. Niet omdat ze ongelijk hebben, want Radio 3 is inderdaad nog veel te onduidelijk. 'Maar die commercielen doen net alsof wij dat niet weten’, briest Kroeske. 'En dat is niet zo! Wij weten al lang dat we herkenbaarder moeten worden. Vraag is: hoe lossen we dat op met de Tros, NCRV, KRO, EO et cetera?’
TSJA, HET LEVEN van een discjockey is in vijftien jaar aanmerkelijk complexer geworden. De hete adem van de marktaandelen heeft van velen vermoeide, gefrustreerde en halfhartig presenterende pionnen gemaakt. En de angst zit er goed in. Al was het maar omdat een van de snelst groeiende zenders, Sky Radio, aantoont dat een muziekzender ook zonder hen kan. Want waarom zou je een eigenwijze muziekkenner inhuren die flink op de begroting drukt, als er een computer klaarstaat die gratis en voor niks het plaatje opzet dat jij wil?
Frits Spits beschouwt het succes van Sky dan ook als de ultieme verloedering: 'Weet je wat ’t ergste is? Dat platen die een bepaalde rol in de muziekgeschiedenis hebben gespeeld, die een bepaalde betekenis hebben gehad, bij Sky tot een grijze eenheidsworst verworden. Terwijl dat het tegenovergestelde is van wat de makers ooit wilden bereiken.’