Eén jaar onafhankelijk Kosovo

Overleven in Hotel Junior

Maja (20) leeft al de helft van haar leven als vluchteling in een vervallen hotel. Haar familie werd onder de ogen van de internationale gemeenschap door Albanezen verdreven. De eerste verjaardag van Kosovo’s onafhankelijkheid werd haar bijna noodlottig.

BREZOVICA, KOSOVO – Net als Maja haar vaste kroeg in Strpce wil binnenstappen, valt in de hele enclave de stroom uit. Paf, en in een keer is het overal pikkedonker. Maja steekt een sigaret op en blijft nog even buiten wachten. In het donker je entree maken, daar is niks aan. De deur vliegt open en een barman rent in zijn korte mouwen naar buiten. Hij priegelt wat aan een generator en een paar tellen later begint het apparaat keihard te ronken. De lichten in de kroeg springen weer aan en Maja loopt naar binnen. Enthousiast wordt ze begroet door wat jongens bij de bar. Hier en daar geeft ze iemand een hand of een zoen op de wang, en dan gaat ze met haar vriendinnen bij een paal staan in het midden van de dansvloer. Hun jas houden ze nog even aan, het is koud binnen.
Discoballen draaien in het rond, maar er valt weinig te dansen zolang de geluidsinstallatie nog niet is aangesloten op de generator. Maja bestelt pure wodka, dat is lekker goedkoop: vijftig dinar voor een glas, ongeveer zestig eurocent. Ze heeft een kort spijkerrokje aan en hoge hakken. Een vriendin inspecteert of haar haar nog goed zit en verplaatst wat plukjes van links naar rechts. Dan gaan de jassen uit en komen glittertruitjes en hemdjes met lage decolletés te voorschijn. Het is zaterdagavond en dat betekent uitgaansavond voor de jonge bewoners van de Servische enclave Strpce in Kosovo. Net als vrijdagavond, en soms zelfs ook donderdag. ‘De hele week hebben we niks te doen’, zegt een vriendin van Maja met lange, pikzwarte haren. ‘We zijn blij als we even weg kunnen bij onze ouders. Anders zit je ’s avonds bij ze op de bank terwijl de elektriciteit is uitgevallen. Supersaai.’
Niet dat de uitgaansavonden nou zo spectaculair zijn. Alle jongens die in de cafés rondlopen hebben een connectie met Maja en haar vriendinnen: het zijn neven, buurjongens, voormalige klasgenoten of een combinatie van alles. ‘We kennen iedereen’, zegt Maja met een zucht. Maar al snel haalt ze haar schouders op. Servische liederen over liefde, verlangen en verdriet schallen weer uit de boxen. Na een paar wodka zingen Maja en haar vriendinnen uit volle borst mee. In het toilet staan meiden opeengepakt te wachten totdat de wc – een gat in de grond – vrijkomt. Niemand ziet een hand voor ogen, want de lamp in dit hok is niet aangesloten op de generator. De meisjes schijnen elkaar bij met het licht uit hun mobiele telefoons, zodat ze hun make-up even snel kunnen bijwerken. Tot ver na middernacht wordt er gedanst.

DE HAL VAN HOTEL JUNIOR is donker en verlaten. In het trappenhuis hangt een vreemde geur, muf en zweterig. De lichtbruine vloerbedekking op de treden is zo versleten dat er gaten in zijn ontstaan. Voor de tweede kamerdeur op de vierde verdieping staan schoenen en pantoffels netjes in paren naast elkaar. Hier woont Maja. ‘Tof hè, gisteravond’, zegt ze, terwijl ze op haar mobiele telefoon de foto’s van de uitgaansavond bekijkt. In haar gele joggingpak zit ze aan tafel, terwijl haar vader een halve meter van haar vandaan op de bank tv zit te kijken. Maja’s moeder staat naast haar om koffie te zetten op een elektrisch kookplaatje. ‘De foto’s zijn echt leuk geworden.’
Met haar ouders en broer woont Maja (20) op een kamer in een oud, vervallen hotel in Brezovica, een dorp in de Servische enclave Strpce. Sinds het eind van de oorlog, bijna tien jaar geleden, wonen ze met z’n vieren op nog geen twintig vierkante meter, inclusief badkamer. De ruimte is volgebouwd met een tweepersoonsbed, twee banken, een tafel met drie stoelen, een koelkast, een tv en een grote kledingkast. Koken doen ze op het kookplaatje naast de bank, afwassen doen ze in de verroeste wasbak in de badkamer en omkleden gebeurt achter de deur van de kledingkast die Maja heeft volgeplakt met posters van Britney Spears. ’s Avonds toveren ze de banken om tot bed en ’s ochtends bergen ze alle slaapspullen zorgvuldig weer op. Tussen alle meubels door rest nog een smal paadje.
Maja en haar ouders en broer zijn vier van de naar schatting 230.000 Serviërs die in juni 1999 op de vlucht sloegen toen het Joegoslavische Nationale Leger zich na hevige Navo-bombardementen uit Kosovo terugtrok. De Albanezen, die jarenlang hadden geleden onder de onderdrukking en het gewelddadige regime van Milosevic, namen in de weken na het einde van de oorlog massaal wraak op de Servische inwoners van Kosovo. Terwijl de internationale vredesmacht toekeek, werden Serviërs uit hun huizen gejaagd, gekidnapt of vermoord. Duizenden woningen, kerken en kloosters werden in brand gestoken, zoals Servische paramilitairen en het leger in de maanden daarvoor Albanese huizen en moskeeën in vlam hadden gezet. Binnen enkele dagen na de oorlog waren alle grote steden en de meeste dorpen gezuiverd van hun Servische inwoners. Met honderdduizenden tegelijk keerden gevluchte Albanezen terug naar Kosovo, om in de huizen te gaan wonen die niet waren verwoest. Veel Serviërs hebben hun bezittingen daarna nooit meer teruggezien.
‘Van de ene op de andere dag zijn we vertrokken’, vertelt Lidia, Maja’s moeder. ‘We konden niks meenemen, geen kleren, geen foto’s, niets.’ Vanuit Urosevac vluchtte het gezin naar Strpce, nog geen veertig kilometer verderop. De Servische enclave stroomde vol met vluchtelingen die angstvallig zochten naar een plek om te overnachten. Deuren van vakantiehuizen werden opengebroken om complete families te kunnen huisvesten. De hotels van Brezovica, een populair skioord in de tijd van het voormalige Joegoslavië, stelden met financiële hulp van de Servische regering hun deuren open. Maja’s familie vond een kamer in Hotel Junior, aan het begin van de weg richting de Sara-bergketen. Tijdelijk, was het idee. Maar de oorlog is al bijna tien jaar voorbij en Maja en haar broer Milos zijn inmiddels volwassen geworden. Bijna de helft van hun leven hebben ze in Hotel Junior doorgebracht en net als meer dan honderd andere vluchtelingen wonen ze er nog steeds. Huur hoeven ze niet te betalen en iedere ochtend krijgen ze een brood van het Rode Kruis. Gewone hotelgasten komen er niet meer.

VANNACHT heeft het gesneeuwd. Het is koud buiten en Maja heeft geen zin om het hele eind naar Strpce te wandelen, vanaf Brezovica bijna vier kilometer. Met haar vriendinnen slentert ze langs de kant van de weg. Ze vervelen zich en hebben besloten in Strpce koffie te gaan drinken in de hoop op wat actie. Zodra ze een auto voorbij zien komen, steken ze hun duim op. Bij een wit bestelbusje trekken ze snel hun duim weer in. ‘Dat was een Albanees’, zegt Jelena, een van Maja’s vriendinnen. ‘Die herken je direct, de bouw van hun gezicht is anders.’ Even later stopt een dure wagen met harde muziek en twee jongens erin. De vriendinnen proppen zich met z’n vieren op de achterbank. In Strpce stappen ze uit voor de ingang van café Nik.
‘Kom, het is hier saai’, zegt Maja als ze hun koffie nauwelijks op hebben. Ze schraapt een paar briefjes van tien dinar bij elkaar en brengt die naar de ober. In het volgende café vinden ze het iets interessanter. De barman vertelt trots dat hij in de lente gaat trouwen met een Servisch meisje uit Duitsland. Op zijn telefoon laat hij foto’s zien van zijn aanstaande bruid. Een mollig meisje met geblondeerde haren en een rode jurk kijkt zwoel de camera in. De telefoon gaat van hand tot hand en de barman wordt overladen met vragen. Maja en haar vriendinnen zouden ook wel naar het buitenland willen, maar verder dan Montenegro zijn ze nooit geweest. ‘Nu ben ik Duits aan het leren’, zegt de jongen, maar als Maja vraagt of hij eens wat kan zeggen, bloost hij en schudt hij zijn hoofd.
Op de terugweg naar Brezovica vliegen twee legerhelikopters over. Morgen vieren de Albanezen dat ze precies een jaar geleden de onafhankelijkheid van Kosovo hebben uitgeroepen. Voor de Serviërs valt er echter niets te vieren, zij zouden willen dat die onafhankelijkheid er nooit was geweest. Halverwege de route rijden twee pantservoertuigen van KFOR, de vredesmacht van de Navo, de meisjes tegemoet. Ze toeteren. Als ze het groepje passeren, maken de bestuurders een peace-teken. De meisjes kijken snel de andere kant op. ‘Dat is het teken van de Albanezen’, zegt Jelena. ‘Wij Serviërs geven een teken met drie vingers. Dat doen die soldaten wel vaker, ons een beetje provoceren.’

IN HOTEL Junior is de elektriciteit weer uitgevallen, dat gebeurt een paar keer per dag. Met een lampje dat aan haar aansteker zit loopt Maja de trappen op. Haar ouders zitten op de bank tv te kijken. Een jaar geleden hebben ze hun spaargeld ingezet om een accu te kopen om de televisie en een lamp hoog aan het plafond op aan te sluiten. Sindsdien behoren ze tot de zeer weinigen in Hotel Junior die niet bij kaarslicht hoeven te wachten tot de elektriciteit weer terugkomt. Want dat kan uren duren, soms wel de hele avond. Niet iedereen kan even goed waarderen dat het gezin van Maja zich deze luxe heeft kunnen veroorloven. Er heerst een enorme werkloosheid in de enclave en de meeste hotelbewoners hebben nauwelijks geld om eten te kopen. Dat Lidia een baan heeft in het gezondheidscentrum leidt soms tot jaloezie, maar daar probeert ze zich niks van aan te trekken. Met haar salaris van een paar honderd euro per maand moet Maja’s moeder het hele gezin onderhouden, want verder heeft niemand werk.
Het begint fris te worden in de hotelkamer. In het raam achter de tv zit een enorme barst, provisorisch dichtgeplakt met plakband. Lidia haalt een envelop met foto’s onder de bank vandaan. In 2002 is ze voor het eerst terug geweest naar haar huis in Urosevac, met een georganiseerd escort van KFOR. Ze reden langs het huis waar ze in 1999 uit is weggevlucht, maar Lidia mocht er niet in. ‘“Alleen kijken”, zeiden de soldaten. Ik heb gehuild.’ In 2004 kreeg ze opnieuw de kans om haar huis te bezoeken, maar toen bleek het huis er niet meer te zijn. Op de foto staat Lidia in haar spijkerbroek tussen de ruïnes. Een paar muurtjes staan nog half overeind, overal groeit onkruid. Met blauwe graffiti is er op de poort gespoten. ‘De Albanese buurman zei dat dit huis van hem was’, vertelt Lidia. ‘‘Dit huis is van mij’, antwoordde ik. En dat was het dan. Toen moest ik weer terug in de wagen.’
Lidia ging langs allerlei instanties en diende een claim in, maar tot nog toe heeft ze daar niks op gehoord. De teruggave van verloren bezittingen is een van de grootste problemen waar de autoriteiten van Kosovo sinds het eind van de oorlog mee worstelen. Tienduizenden huizen zijn tijdens en vlak na de oorlog door de strijdende partijen verwoest, van Serviërs maar ook van Albanezen. En alle huizen die niet zijn verwoest werden na de oorlog weer betrokken, lang niet altijd door de rechtmatige eigenaren. Nu willen de Servische en Albanese Kosovaren hun huizen terug, of op z’n minst het land waarop deze huizen waren gebouwd. Velen eisen een schadevergoeding omdat hun bezittingen zijn vernield. In de afgelopen jaren zijn ruim veertigduizend claims ingediend bij de Kosovo Property Agency, die deze zaken behandelt. Maar de verwerking van de claims blijkt vaak lastig. Mensen kunnen niet altijd aantonen dat een woning ook daadwerkelijk hun eigendom is, of de nieuwe bewoners zijn niet van plan zomaar te vertrekken. Hoofdschuddend stopt Lidia de foto’s van haar geruïneerde huis weer terug in de envelop.

DE VOLGENDE OCHTEND is het rustig op de weg naar de Sara-bergketen. Normaal gesproken rijden op dit uur lange colonnes auto’s en bussen langs Hotel Junior richting skipiste, maar vandaag is er bijna geen auto te zien. Het is onafhankelijkheidsdag en de Albanezen vieren feest in de hoofdstad Pristina. Vorig jaar was de piste compleet verlaten vlak nadat de Albanezen de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen, geen Albanees durfde meer in de Servische enclave te komen. Dat duurde uiteindelijk maar een paar weken en toen kwamen de skiërs al weer, tot vreugde van de Servische ondernemers. Maar vandaag blijven ze weer even weg uit Brezovica.
‘Ik heb vannacht nauwelijks een oog dichtgedaan’, zegt Maja. ‘Heb je het gehoord, wat er gisteravond is gebeurd?’ Haar moeder zet de tv aan voor het journaal van twaalf uur. De Servische president Boris Tadic verklaart dat Kosovo helemaal niet onafhankelijk is en volgens het internationale recht nog altijd tot het grondgebied van Servië behoort, en Servische regeringsvertegenwoordigers komen bijeen om de situatie in Kosovo te bediscussiëren. En dan: Strpce. Gisteravond is een Albanese jongeman opgepakt omdat hij met explosieven een café was binnengestapt. ‘Ons café!’ roept Maja, ‘daar was ik zaterdag nog!’ De staatszender toont beelden van een jongen die met handboeien is vastgeklonken aan het hek achter een politiebureau. Felle schijnwerpers zijn op hem gericht. De jongen spuugt op de grond. Vervolgens beelden van Amerikaanse soldaten van KFOR die de explosieven onschadelijk komen maken. Het nieuws ging vlak nadat het was gebeurd als een lopend vuurtje door de enclave.
‘Wat voor signaal geven de Albanezen hier nou mee af?’ vraagt Rode-Kruismedewerker Ivica Panja Puzic zich hardop af in zijn kantoortje in Brezovica. ‘Hoe kan de internationale gemeenschap nou denken dat Serviërs en Albanezen vreedzaam kunnen samenleven als dit soort dingen gebeurt?’ Incidenten als die van gisteravond zorgen altijd voor grote commotie onder de Servische inwoners van Kosovo. Ook al blijkt uit cijfers dat etnisch gerelateerd geweld in Kosovo al sinds jaren enorm is afgenomen, toch is iedereen bang. En die angst leidt er mede toe dat pogingen tot integratie van de twee gemeenschappen bijna altijd falen. De mensen durven, willen, of kunnen niet terug. ‘Als vluchtelingen in het huidige tempo terugkeren naar hun geboortegrond zijn we nog tweehonderd jaar bezig’, zegt de Rode-Kruismedewerker.
De etnische opdeling van Kosovo, waar de internationale gemeenschap zo voor vreesde en altijd voor gewaarschuwd heeft, lijkt steeds meer een feit. De Serviërs wonen in het noorden van Kosovo en in een paar enclaves in het zuiden, de Albanezen domineren de rest van het gebied. Beide gemeenschappen zijn actief bezig de ander nog verder te verjagen. Herbouwde huizen van Serviërs die participeren in terugkeerprogramma’s zijn de afgelopen jaren regelmatig in brand gestoken, leeggeroofd of zelfs opgeblazen. De weinige Albanezen die nog in Servisch gedomineerde gebieden wonen ontvangen continu bedreigingen en hun winkels worden geboycot, beklad of vernield. De Servische regering biedt enorme bedragen, ver boven de marktprijs, voor Albanese huizen op strategische locaties. Veel Albanezen maken daar dankbaar gebruik van en bouwen nu grotere en luxere huizen in het Albanese deel van Kosovo. Hun huizen in het Servische deel zijn inmiddels weggevaagd om plaats te maken voor hoge appartementencomplexen waar Serviërs in kunnen gaan wonen.
Ook Serviërs proberen hun huizen in Albanese gebieden te verkopen, maar dat is niet altijd gemakkelijk. Vaak zijn de bewoners die het huis na de oorlog hebben bezet niet van plan te betalen of te vertrekken. Of de huizen zijn verwoest, zoals dat van Maja. ‘Wij hebben onze Albanese buurman gezegd dat hij onze grond mag kopen als hij wil’, vertelt Lidia. ‘Met het geld dat hij ons geeft kunnen wij dan een nieuw huis kopen in Strpce. Wij kunnen toch niet meer in Urosevac wonen, het is er onveilig en voor ons is er geen werk.’ Maar de buurman weigerde. Ze vonden een andere koper, ook een Albanees. ‘Hij wilde vijftigduizend euro geven voor de grond’, vertelt Zlatan, Maja’s vader. ‘Een paar keer is hij bij ons langs geweest om te onderhandelen. Maar toen de buurman hoorde dat wij misschien een andere koper hadden, dreigde hij die man te vermoorden. Dus toen is de koop afgeblazen.’

HOE LANG denkt Maja nog in Hotel Junior te kunnen blijven? Ze haalt haar schouders op. ‘We kunnen er zo uit worden gezet’, zegt ze. Het liefst zou ze ergens anders wonen. ‘Misschien ga ik wel naar Servië, ik weet het niet.’ Veel Serviërs in Kosovo koesteren het ideaal om ooit in Servië te gaan wonen, of zelfs in het buitenland. Maar in het buitenland noch in Servië zit men op hen te wachten. Al jaren is de Servische regering bezig opvangplekken voor de vluchtelingen uit heel voormalig Joegoslavië te sluiten. In Servië wonen op dit moment naar schatting 770.000 vluchtelingen uit Bosnië, Kroatië en Kosovo. De vluchtelingen worden gezien als concurrentie op de woning- en arbeidsmarkt. Serviërs uit Kosovo worden uitgescholden voor iptari, een scheldwoord dat ook voor Albanezen wordt gebruikt.
Het is donderdagavond en Maja speelt verveeld met haar mobiele telefoon. Een buurvrouw heeft zich bij haar moeder op de bank genesteld. Ze heeft felgroene sokken aan in geruite pantoffels. Ze somt op bij wie ze vandaag allemaal koffie heeft gedronken. Dwars door het geluid van het tv-programma waar haar vader naar zit te kijken zet Maja een muziekje op. Toni Braxton, met Spanish Guitar. Ze schenkt wat sinas in een leeg yoghurtbakje. Gaat ze niet naar het café vanavond? ‘Ben je gek!’ roept ze uit. ‘Ik durf niet meer naar die kroeg sinds die Albanees er was met z’n explosieven. Niemand gaat meer uit, het is helemaal dood in Strpce. Iedereen is bang.’ Ze concentreert zich weer op haar telefoon en zoekt naar een van haar favoriete liedjes. Terwijl haar vader naar de Servische staatstelevisie kijkt, luistert Maja op haar mobiele telefoon naar Tina Turner.