Exportdemocratie in Afghanistan

Overleven is belangrijker dan stemmen

Het Westen koos democratie als een van de methoden van wederopbouw van Afghanistan. Maar is het kapotte land klaar om de touwtjes zelf in handen te nemen? Onder leiding van Cleveringa-hoogleraar David Van Reybrouck onderzocht een groep studenten de Afghaanse casus van de exportdemocratie.

‘If you come with guns, you are there for the guns’, zegt Nazanin Qaumi ineens tegen enkelen van ons. De studente geneeskunde uit Kaboel draagt een dunne blauwe hoofddoek en spreekt fel. Ook vanuit de andere hoeken van de zaal klinken bevlogen gesprekken. Het is 23 maart en in de oude gevangenis van Leiden, inmiddels een collegezaal, ontvangen we een delegatie Afghanen om hen te interviewen voor onze zoektocht naar de democratisering van hun land. Onze verwachtingen zijn hooggespannen, want naast de experts die we al eerder hebben gesproken zijn deze interviews een belangrijke bron van inspiratie. Ook de Afghanen zijn blij om hun stem te mogen laten horen, hoewel de toon niet bepaald mild is. Democratie dankzij de Amerikanen? De politicologiestudente Ellaha Abassi denkt er het hare van: ‘De oplossing voor Afghanistan breng je niet met een helikopter.’

Maar hoe moet de oplossing voor Afghanistan dan wel worden gebracht? Hoe moet het land verder in 2014? De internationale troepen van de Isaf zullen zich dan terugtrekken en de presidentsverkiezingen moeten plaatsvinden. Het is de vijfde keer sinds het einde van het Taliban-regime (1996-2001) dat de Afghanen hun stem mogen laten horen tijdens democratische verkiezingen. De vier voorgaande keren betroffen de presidentsverkiezingen in 2004 en 2009 en de parlementsverkiezingen van 2005 en 2010. Opvallend is dat de opkomst bij de laatste verkiezingen bijzonder laag was (slechts 36 procent, tegenover 75 procent in 2004). De Taliban dreigden ermee de vingers af te hakken van eenieder bij wie de onuitwisbare inkt van het stembureau nog zichtbaar was. Ze beschoten diverse steden om zo veel mogelijk kiezers te ontmoedigen. Drie kandidaten en minstens elf medewerkers werden tijdens de campagne vermoord. Niets wijst er dus op dat verkiezingen in Afghanistan steeds beter verlopen. Ze werken juist fraude, corruptie en geweld in de hand. Oorlogsverslaggever Arnold Karskens wond er geen doekjes om toen hij in Leiden was: ‘Afghanen beschouwen democratie nu over het algemeen als boerenbedrog.’

Het enthousiasme voor democratie raakte in Afghanistan al veel eerder getemperd. Toen in 1947 India onafhankelijk werd, maakte dat diepe indruk op veel Afghanen. India, toen nog een direct buurland, werd een federale democratische republiek, maar de scheiding met Pakistan kort daarna verliep zo gewelddadig en bloederig dat democratie niet langer als louter positief werd gezien. Dertig jaar later, toen in 1979 de Sovjet-Unie Afghanistan binnenviel, werd die argwaan versterkt. Die Russische bezetting geschiedde onder het mom van een zogenaamde ‘volksdemocratie’ die er moest komen; zo’n verplicht nummer was evenmin bevorderlijk voor de populariteit van democratische beginselen. In Afghanistan begon een oorlog die inmiddels al zo’n drie decennia duurt. Na het vertrek van de Sovjet-Unie in 1989 volgde een turbulente tijd; in 1996 kwamen de Taliban aan de macht. De liefde voor democratie was toen al behoorlijk bekoeld.

Toch kende Afghanistan ooit een decennium van democratie. In 1963 introduceerde koning Mohammed Zahir Sjah het idee van democratische verkiezingen. Zijn plan sloeg aan en kon op de steun van het grootste gedeelte van de bevolking rekenen. Tien jaar later echter pleegde zijn neef Daoud Khan een staatsgreep. Hij schafte de monarchie af en drukte de prille democratische hervormingen de kop in. Gevolg: positieve ervaringen met democratie zijn inmiddels meer dan veertig jaar oud.

Momenteel is volgens cijfers van Unicef 75 procent van de bevolking analfabeet. De infrastructuur in het land is slecht, er zijn weinig verharde wegen en spoorwegen. Bovendien is het grootste deel van de middenklasse tijdens de sovjetbezetting en het Taliban-regime vermoord of gevlucht. Veel Afghaanse gezinnen zijn zo arm dat overleven belangrijker is dan stemmen. Democratie is een luxe geworden, zo liet de Leidse Afghanistan-kenner Willem Vogelsang blijken toen hij te gast was bij een van onze zoekcolleges. ‘Afghanistan leeft al dertig jaar in oorlog, de mensen willen gewoon rustig leven, hoe of wat interesseert hen niet. Net daardoor oefenen de Taliban opnieuw veel aantrekkingskracht uit op de Afghaanse bevolking. Veel jongeren sluiten zich aan omdat zij niets te doen hebben vanwege de hoge werkloosheid. Bovendien hebben sommige Afghanen heimwee naar het Taliban-regime omdat hun veiligheid toen tenminste werd gewaarborgd.’

Kortom, de Afghaanse democratie heeft zowel de geschiedenis als de omstandigheden tegen. Is er dan helemaal geen enthousiasme voor government of the people, by the people, for the people? Toch wel. De Asia Foundation, een internationale ngo, heeft in 2008, 2009 en 2010 onderzoek gedaan naar het verlangen naar democratische waarden onder de Afghaanse bevolking. De uitkomst was even verbazingwekkend als hoopgevend. In deze onderzoeken gaf 78 procent van de respondenten aan het eens te zijn met de stelling dat democratie niet de perfecte staatsvorm is, maar wel de beste. Een groot deel van de bevolking ondersteunt tevens democratische waarden zoals gelijke rechten voor iedereen (80 procent), toestaan van vreedzame oppositie (77 procent) en representativiteit in de regering (81 procent). Bovendien meent ruim 80 procent van de respondenten dat stemmen echt tot verandering kan leiden. Er bestaat dus wel degelijk een hang naar democratische waarden onder een zeer groot deel van de Afghaanse bevolking. De geneeskundestudente Nazanin die bij ons te gast was, was het daar volmondig mee eens: ‘De mensen die geen democratie willen, weten niet wat het inhoudt.’

Als de wil bestaat om een democratie op te bouwen, waarom was er dan zo veel weerstand tegen democratische hervorming de afgelopen tien jaar? Het antwoord van alle Afghanen die we zijn tegengekomen was eensluidend: ‘There is no democracy… it is only an act.’ Wat houdt die ‘act’ dan in? Heel simpel: stemmen. De democratische verzuchtingen van een land werden herleid tot de formele procedures van een stembusgang. En de motivaties voor die stembusgang waren vaak cynisch. Willem Vogelsang was er bijzonder cassant over: ‘Het Westen had democratie in Afghanistan nodig als politieke legitimatie voor zijn aanwezigheid.’ Verkiezingen dienden eerder om het westerse thuisfront te sussen dan om de Afghanen nieuwe hoop te geven.

Bovendien waren na de verdrijving van de Taliban, eind 2001, verkiezingen een middel van de Navo om het verscheurde land onder centraal bestuur te krijgen. De nieuwe bezetters hadden daarbij geen andere keuze dan het respecteren van de bestaande machtsverhoudingen. Het opzijschuiven van lokale machthebbers had waarschijnlijk geleid tot nog grotere anarchie en onbestuurbaarheid. Maar het resultaat was wel dat de kieslijsten vol stonden met drugsbaronnen en warlords. Met alle gevolgen van dien: het parlement raakte bevolkt met machtige mannen die door de bevolking niet werden beschouwd als hun vertegenwoordigers. Zoals de Afghaanse studente geneeskunde Nastaran Fakhri tegen ons zei: ‘In het Afghaanse parlement zitten voornamelijk warlords en drugs­baronnen. Verkiezingen leiden over het algemeen tot democratisch verkozen schurken. Vind je het gek dat de Afghanen geen vertrouwen hebben in ­democratie?’

Zij is niet de enige die er zo over denkt. De legitimiteit van het parlement wordt betwist door grote delen van de bevolking. Velen beschouwen het als een marionet van het Westen. Dat de controversiële Hamid Karzai bovendien in december 2001 in Bonn (!) tot president werd benoemd, heeft evenmin bijgedragen aan de geloofwaardigheid van het Afghaanse bestuur.

Hoe kun je zo veel wantrouwen wegnemen? Tijdens onze zoekcolleges groeide het begrip voor die diepgewortelde argwaan. Alleen: wat doe je eraan? We legden de vraag voor aan verschillende experts en ontwaarden vier sporen. Ten eerste zou de democratisering van Afghanistan gebaat zijn met een grotere aandacht voor traditionele overlegstructuren. Ten tweede verdient de verhouding tussen stad en platteland meer aandacht. Ten derde moet nagedacht worden over de plaats van de islam in een Afghaanse democratie. En ten slotte draait democratisering, zoals altijd en overal, om onderwijs, onderwijs en nog eens onderwijs.

Om met dat eerste te beginnen, de traditionele overlegstructuren: ‘Er zit meer tussen de staat en het Afghaanse volk dan wij wellicht denken’, aldus Willem Vogelsang. Dat leek ons een interessant spoor. Voor traditionele vormen van lokaal bestuur bestaat doorgaans echter maar weinig belangstelling. Dat is jammer. De grootste etnische groep, de Pashtun, maakten al sinds jaar en dag gebruik van een systeem dat de jirga wordt genoemd. Dit is een lokale bijeenkomst waarbij zo veel mogelijk betrokken mannen worden verzameld om plaats te nemen in twee concentrische cirkels. De gewone man neemt plaats in de buitenste cirkel en zijn stem wordt vertegenwoordigd door mensen in de binnenste cirkel. Deze binnenste cirkel bestaat uit stamoudsten en een aantal islamitische geleerden. Beslissingen worden op basis van consensus genomen door de binnenste cirkel. De jirga bezit een grote legitimiteit onder de Afghaanse bevolking. Het is zelfs niet ongewoon dat niet-Pashtun de Pashtun vragen om een jirga te organiseren, om hun problemen op te lossen.

Hoewel deze vorm van lokaal bestuur niet ideaal is (vrouwen mogen niet deelnemen, en er is geen sprake van gelijkheid), is het betreurenswaardig dat de procedure geen kans krijgt binnen het democratiseringsproces. Op zijn minst getuigt de jirga van een werkzame overleg­cultuur onder de bevolking in de provincie en kan het een legitieme basis vormen aan de onderkant van de politieke piramide. Democratisering omhelst meer dan het organiseren van nationale verkiezingen aan de top (zeker als die top verrot is en blijft); het omhelst ook het stimuleren van een democratische cultuur aan de basis, eventueel door het erkennen van eeuwenoude overlegstructuren.

De jirga is bovendien meer dan iets uit de provincie. Er bestaat ook zoiets als de loya jirga, een jirga op nationaal niveau. In het artikel Jirga: A Traditional Mechanism of Conflict Resolution in Afghanistan schrijft Ali Wardak dat de belangrijkste loya jirga’s uit de Afghaanse geschiedenis die uit 1747 in Kandahar en die uit 1964 en 1976 waren. Bij de eerste ging het om het verkiezen van de koning die uiteindelijk het fundament legde voor het moderne Afghanistan, bij de laatste twee over de rol van vrouwen in het nationale besluitvormingsproces. Net zoals bij een westerse democratie is het succes afhankelijk van de legitimiteit die de burgers eraan toekennen. Deze drie loya jirga’s genoten in ieder geval zeer veel legitimiteit. Al waren ze niet voor alle burgers toegankelijk, de traditionele leiders en charismatische ouderen die eraan deelnamen werden als rechtmatige ver­tegenwoordigers van het volk gezien. Dat kan niet gezegd worden over de fel gecontesteerde loya jirga’s van 2002 en 2003, die Karzai aan het hoofd van de interimregering brachten en de nieuwe grondwet aannamen.

Ten tweede moet er meer aandacht komen voor de grote kloof tussen de hoofdstad en het platteland. De Navo lijkt echter al even centralistisch te werk te gaan als de Britten in de negentiende eeuw en de Russen in de twintigste eeuw: Afghanistan zal vanuit Kaboel bestuurd worden of het zal niet bestuurd worden, zo lijkt het dictaat. Desalniettemin bestaat er in de Afghaanse geschiedenis een constante strijd tussen stad en platteland. De oorlog van de afgelopen dertig jaar kan ook gelezen worden als een strijd van boeren tegen stedelingen. ‘Dat de moedjahedien in 1992 Kaboel veroverden en de Taliban dat in 1996 herhaalden, moet je zien als hillbillies die de hoofdstad inpalmden’, drukte Willem Vogelsang het plastisch uit.

En met de Amerikanen in 2001 gebeurde hetzelfde als met de Russen in 1979: het zwaarte­punt van de macht kwam opnieuw bij Kaboel te liggen. Goed, de recente verkiezingen zorgden ervoor dat parlementariërs uit alle hoeken van het land kwamen, maar dat betekent nog niet dat het platteland zich gerepresenteerd voelt in die verre hoofdstad. Of, omgekeerd, dat de hoofdstad gerespecteerd wordt in de papavervelden, valleien of hoogvlaktes elders. Tahmina Akefi, een jonge Afghaanse schrijfster in Nederland, was daar zeer duidelijk over: ‘Op het platteland is de president niemand.’ Een herwaardering van het lokale en het provinciale niveau zal in de toekomst beslist de democratisering van het land ten goede komen. In hoeverre de machthebbers in Kaboel bereid zijn tot een voorzichtige vorm van decentralisatie zal nog moeten blijken – macht wordt nu eenmaal zelden vrijwillig afgestaan – maar nu al staat vast dat het democratiseren van lagere bestuurs­niveaus het vertrouwen in zelfbestuur ver buiten de hoofdstad zal versterken.

Ten derde is er de vraag naar de plaats van de islam in het democratiseringsproces. Sommige Afghanen die we spraken waren van mening dat religie een groot obstakel vormde voor een goed functionerende democratie; sommigen pleitten zelfs resoluut voor een scheiding van moskee en staat. Anderen wezen erop dat islam en democratie juist heel goed kunnen samengaan, dat er binnen een islamitische traditie plaats is voor verkiezingen en dat de Amerikaanse democratie toch ook niet gehinderd wordt door religieuze tradities. In het land waar 99 procent van de bevolking moslim is, zie je in elk geval een duidelijk verlangen naar zelfbestuur, zoals dat ook in Egypte en Tunesië het geval was.

Wellicht veel belangrijker dan de rol van de islam is de rol van het onderwijs. Een goed werkende democratie vergt nu eenmaal mensen met capaciteiten. Een hoger opleidings­niveau kan bovendien de voedingsbodem voor radicalisering wegnemen en geeft ruimte aan gematigde geloofsopvattingen binnen de politiek. Ondanks de dramatische cijfers op het vlak van analfabetisme zijn de recente ontwikkelingen hoopgevend. In de afgelopen tien jaar is het aantal basisschoolleerlingen verzevenvoudigd. Er is geen land dat zo’n explosieve toename kent van universitair afgestudeerden. ‘Elke ouder in Afghanistan, ongeacht afkomst, zou zijn of haar kind naar de universiteit willen sturen’, vertelde Nazanin ons. Het politieke engagement onder haar generatie is bijzonder groot. Het is de generatie die het parlement wil gaan ­bevolken en Afghanistan wil gaan leiden. Naast het ­creëren van vrede en veiligheid zou alles moeten ­worden ingezet op de ontwikkeling van een goed opgeleide middenklasse. Dat is natuurlijk de lange weg: het zal vele jaren duren alvorens een substantieel bevolkingsdeel voortgezet onderwijs heeft genoten, maar nu al staat vast dat de democratisering van een land als Afghanistan beslist meer gebaat is met schoolklassen dan met stembussen. De internationale gemeenschap doet er dan ook goed aan om na de terugtrekking van de troepen in 2014 massaal in te zetten op onderwijs. Na het opleggen van ­democratische procedures van bovenaf is het stimuleren van een democratische cultuur van onderaf ongetwijfeld zinvoller. Democratie draait niet enkel om de rituelen van een stembusgang, maar ook om de cultuur van ­zelfbestuur.


Dit artikel is het resultaat van een collectief schrijfproces. De deelnemende studenten waren Abram Klop, Annelies Plooij, Annelore Beukema, Bart van de Meerendonk, Bilal Barakzoy, Daan Bastiaans, Daan Jacobs, Daniëlle Troost, Eva van der Woude, Gamze Sarier, Henk Dijkstra, Jochem Rietveld, Maarten Manse, Myrthe Wolsink, Nina Hoette, Paul van Rosmalen, Pieter van Loenen, Rianne Beguin en Skander Mabrouk.

Op 21 mei organiseren de Leidse honours-­studenten een debatavond in De Balie in Amsterdam: De democratiseringsmissie in Afghanistan: Succes of farce? Meer info: www.debalie.nl


Zoekcolleges

‘Als schrijver ben ik niet van plan om hoor­colleges te geven, of werkcolleges’, zei David Van Reybrouck bij het aanvaarden van de Cleveringa-leerstoel in november vorig jaar. ‘Het worden zoekcolleges.’

Het ging hem om onderwijs 2.0, een werkvorm waarbij docent en studenten samen op zoek gaan naar enkele zinnige antwoorden op een gegeven vraagstuk. Hij baseerde zich onder meer op de journalistieke zoektocht van Joris Luyendijk, die samen met zijn NRC-lezers onderzoek had verricht naar de invoering van elektrische auto’s. De innovatieve formule was ook geïnspireerd op de G1000, het grootschalige burgerinitiatief in België dat Van Reybrouck had opgericht. Aan tafels van tien gingen gewone burgers toen aan de slag met input van experts om oplossingen te bedenken voor enkele grote maatschappelijke uitdagingen.

De Leidse honours_-_studenten – een groep van twintig – kwamen niet bijeen in een auditorium, maar in een vlakke vergaderzaal. Ze probeerden eerst hun eigen vraagstelling scherp te krijgen en riepen toen de hulp in van diverse specialisten.

Afghanistan kan zich niet gelukkig prijzen met een lokale Maurice de Hond. Toch is een opiniepeiling onontbeerlijk in een onderzoek naar democratie. De Leidse studenten zijn niet de eersten die zich afvroegen wat Afghanen willen, en konden putten uit grondige onderzoeken: surveys van onder andere de Asia Foundation, rapporten van lokale ngo’s, wetenschappelijke artikelen, documentaires waarin Afghanen aan het woord kwamen en de mening van een gevarieerd aantal gastsprekers. Oorlogsverslaggever Arnold Karskens was te gast, naast de Groningse democratiefilosoof Pieter Boele van Hensbroek, de Leidse Afghanistan-expert Willem Vogelsang en luitenant-kolonel Allard Wagemaker, die deze zomer een proefschrift afwerkt over het Afghaanse krijgsheerschap. Daarnaast ontvingen ze diverse naar Nederland gevluchte Afghanen: de gepromoveerde historicus Khalil Wedad, de jonge schrijfster Tahmina Akefi en de huisarts Nabil Shamim. Hun verhalen werden opgetekend.

Voor veel deelnemers was het een volstrekt nieuwe vorm van onderwijs. Sommigen noemden het inspirerend, anderen traag, maar allen vonden dat er veel bereikt werd door de gevarieerde benadering.