Brusseprijs

Overlevers

In de biografie van Max Moszkowicz van Marcel Haenen, De bokser, wordt duidelijk hoe het komt dat de ene na de andere zoon als advocaat van het tableau wordt geschrapt: ‘Het zit in de familie’.

Familie Moszkowicz. V.l.n.r. David, Bram, Max sr., Robert, Max jr., 1982 © Leo Velzen / De Beeldunie

De recente teloorgang van het advocatenhuis Moszkowicz zal niemand ontgaan zijn, ook al niet omdat hierover kortgeleden nog een fraaie televisieserie te zien was. Toch zullen de meesten er, net als ik, weinig meer van begrepen hebben dan dat de Moszkowiczen het vak, vriendelijk gezegd, creatief invulden. Die creativiteit werd de zonen van Max sr. niet in dank afgenomen. De een na de ander werd van het tableau geschrapt. Robert (1953) was de eerste. Dat gebeurde in 2006, voor de tweede keer overigens. Hij staat dan ook bekend als het zwarte schaap van de familie. Bram (1960) was de tweede. Hij werd in 2012 geschrapt. En David (1950) was nummer drie, in 2016. Alleen Max jr. (1955) houdt op dit moment nog kantoor – evenals een van de kleinzonen.

Na het lezen van de biografie van Marcel Haenen worden de ins en outs van dit familiedrama duidelijk: ‘Het zit in de familie’, om het zo maar eens te zeggen. In ieder geval had vader Max een manier van advocatuur bedrijven die in Nederland op z’n minst ongewoon was en dat volgens velen nog altijd zou moeten zijn. Want al leert de beeldvorming dat advocaten te veel verdienen en in te mooie auto’s rijden, ze zijn ook juristen en dus mannen of vrouwen die leven naar de wet, goed-Nederlandse burgers dus. Dit laatste is Max Moszkowicz niet, nooit geweest ook. Om die reden deden al spoedig na zijn vestiging als advocaat (1958) onvriendelijke verhalen de ronde. Hij zou een advocaat van kwade zaken zijn, ‘jodenstreken’ hebben, zwart geld aannemen, te intiem zijn met zijn cliënten, type consigliere.

Jaloezie speelde hierbij zeker een rol. Het kantoor Moszkowicz deed het buitengewoon goed en in de loop van de jaren steeds beter. ‘De echt grote strafzaken,’ schrijft Haenen, ‘komen vanaf de jaren tachtig bijna allemaal terecht bij de strafpleiter uit Maastricht.’ En als vervolgens ook de zoons mee gaan doen en uit hetzelfde hout gesneden blijken te zijn, kan het succes van Moszkowicz & de Moszkowiczen niet meer op. Maar daarmee maak je geen vrienden.

Dat is nog minder het geval als het succes afhankelijk blijkt te zijn van zaken waarvan de meeste advocaten zich tot dan toe verre hielden – als ze er al waren. Tot diep in de jaren zeventig bekommerde de Nederlandse advocatuur zich vooral om civiele, administratieve en sociale kwesties. Dat veranderde pas toen de grote criminaliteit ook in Nederland haar opwacht maakte en, tegelijkertijd, het strafrecht emancipeerde. Weinig Nederlandse advocaten speelden hier zo goed op in als Moszkowicz.

Moszkowicz sr. had veel begrip voor mensen die de grens tussen goed en kwaad overschreden

Tot slot is er nog een derde punt waarop Max sr. zich van zijn confrères onderscheidde: zijn intieme band met de media, in het bijzonder met De Telegraaf. Moszkowicz had jarenlang een column in het blad en werd ook zelf, evenals zijn zonen overigens, regelmatig in deze en andere kranten geportretteerd: de advocaat als BN’er. In zoverre zou je Max sr. een voorloper kunnen noemen van een samenleving waarin criminaliteit, media en celebrity culture verstrengeld zijn. Bij meer behoudende figuren valt dat slecht.

Er is een aantal verklaringen voor de uitzonderlijkheid van Max Moszkowicz. De eerste maar vermoedelijk niet belangrijkste is dat hij uit een andere cultuur stamt. Geboren in Essen, Duitsland, uit Pools-joodse ouders kwam hij als jongetje van een jaar of zeven naar Nederland, Limburg. Daar voelde hij zich goed thuis en deed hij het ook goed, gymnasium en zo. Hetzelfde gold voor zijn vader die eerst een kleermakerij, daarna in Maastricht een stoffenwinkel runde. Maar allochtonen, buitenstaanders, waren en bleven de Moszkowiczen wel.

Dit anders-zijn werd op vreselijke wijze bevestigd toen het gezin tijdens de oorlog weggevoerd en, op één na dus, vermoord werd. Dat Max overleefde mag niet alleen een wonder worden genoemd. Hij was ook handig en sterk. Naar eigen zeggen heeft hij het kamp mede overleefd omdat hij kon boksen – boksers werden bewonderd. Maar het fijne hiervan is, zoals ook van de andere ervaringen van Max sr. in Auschwitz en Mauthausen, niet bekend. Hijzelf weigerde erover te praten, zeggende zoals zovelen van zijn lotgenoten dat zoiets onmogelijk is. ‘Het is niet uit te leggen en het kan niet worden begrepen.’ Neemt niet weg dat je geen groot psycholoog hoeft te zijn om in te zien dat iemand die Auschwitz en Mauthausen overleeft onaantastbaar is – of voorgoed kapot. In ’s mans eigen woorden: ‘Mij kon niets meer raken.’

Toch is dit slechts een deel van het verhaal, denk ik. In het kamp had Moszkowicz geleerd dat het bestaan een jungle is. Met die mentaliteit benaderde hij de advocatuur. Dit verklaart vermoedelijk ook dat hij – voor Abel Herzberg gold hetzelfde – veel begrip had voor mensen die de grens tussen goed en kwaad overschreden. Want in de jungle is die grens er eigenlijk niet en, indien wel, vloeibaar, onderhandelbaar, koopwaar. ‘Handelaar in recht’ staat boven een van de hoofdstukken in dit boek. In de traditioneel-Nederlandse context is dit een tegenspraak binnen de termen: recht staat boven en buiten de dagelijkse praktijk; het is maatstaf. In de jungle geldt dat niet. Daar is recht het bezit van de sterkste of slimste.

Net als in de dramaserie De maatschap speelt ook in deze biografie de oorlogservaring voortdurend een rol, zelden op de voorgrond, altijd op de achtergrond. Welhaast zeker geldt die ervaring ook de zonen, tweede generatie oorlogsslachtoffers zoals Haenen stelt. Indirect geeft Moszkowicz dit ook toe door zich later in het leven meer en meer op het jodendom te richten, een joodse vrouw te vinden, zich als jood te gedragen en joodse gebruiken na te leven. Zijn zonen volgen het voorbeeld. Het is als een buiging voor een verleden dat niet wijken wil, met voor het heden andere gevolgen dan de gebruikelijke.