Overlevingshumor

Een bus wessies toert door Berlijn, hoofdstad van de DDR. Het is begin jaren zeventig en ze zijn even over uit Rest-Berlin om zich te vergapen aan de Duitse arbeiders- en boerenstaat. Dan klampen twee jonge ossies zich vast aan de bus. Met holgetrokken ogen en verkrampt uitgestrekte armen schreeuwen ze: ‘Hunger! Hunger!’ Vanuit vele veilige zetels worden ze met angst en ontzetting gadegeslagen. Als de touringcar verdwenen is, buitelen de twee jongens gierend van de lach over de Sonnenallee.

De volle bioscoopzaal in Erfurt, hoofdstad van de nieuwe Duitse deelstaat Thüringen, joelt met de jongens mee. In de nieuwe film Sonnenallee wordt tot genoegen van het Oost-Duitse publiek korte metten gemaakt met het beeld van de jammer-ossie, de zielepiet die gered moest worden uit de klauwen van de dictatuur. Klagen over je leefomstandigheden is anno 1999 taboe, want dan heb je verdrongen hoe slecht je het vroeger in de DDR had. En wie het waagt om van zijn aangename jeugd te spreken, kan rekenen op meewarige blikken van zijn West-Duitse landgenoot. Sonnenallee doorbreekt deze imagocrisis. De film geeft de veertigers in de zaal hun goede herinneringen aan de jaren zeventig terug en verschaft de vele jongere bezoekers een identiteit die hun in 1989, midden in de puberteit, plotseling werd ontnomen. Toch was het niet enkel de dictatuur die het leven in de DDR beheerste. Er was ook plezier: om een illegaal verworven Stones-elpee, om de zoveelste wilde party, om de functionaris die jij een loer had weten te draaien of, nog simpeler, om het verorberen van de aardbeienoogst van de datsja, samen met buren en vrienden. ‘Er was eens een land, waar ik de mooiste tijd van mijn leven heb doorgebracht. Ik was jong en verliefd.’ Het zijn de laatste woorden van Sonnenallee, uitgesproken door hoofdpersoon Micha.
De zeventienjarige Micha en zijn vrienden wonen op het korte Oost-Berlijnse eindje van Sonnenallee, pal aan de Muur. Daarachter moet nog een langere Sonnenallee lopen, maar die kennen ze niet. Die zwaarbewaakte, kunstmatige grens over de straat is één ding, maar de ramptoeristen die van een houten uitkijktoren aan gene zijde van de Muur naar ze roepen en zwaaien, doen Micha en de zijnen pas echt in een Big Brother-decor leven.
Na een hip feestje met vreemde kruidendrankjes pissen ze vanaf het balkon tegen de Muur, hetgeen vanaf de andere kant door een fotograaf van mediagigant Springer wordt vastgelegd. Goed mis dus, want Bild wordt ook aan deze kant uitgevlooid. Hoe halen ze het in hun hoofd tegen de Antifascistische Beschermingsmuur te zeiken! Beseffen ze niet dat ze daarmee de graven schenden van alle helden die voor hun staat het leven lieten? Dat wordt voor straf weer een zelfkritische monoloog bij de 'F-D-Jot’, de Freie Deutsche Jugend. Micha volbrengt deze opgave met verve; hij weet dat het meisje van wie hij droomt als fanatiek communiste in de zaal zit.
Naast de straat met zijn vrienden en de Partij/school met zijn aanbedene, bestaat Micha’s universum uit de kleine flat waar zijn ouders jongleren met de Mufuti (de multifunctionele Tisch, zo'n typisch DDR-onding), waar oom Ernst uit West-Berlijn zijn op het lichaam meegesmokkelde geschenken (nylons, onderbroeken) uittrekt en waar voortdurend kameraden van elders tijdelijk worden ingekwartierd. Als dat Dresdenaren zijn, uit het Tal der Ahnungslosen, de uithoek van het land waar de 'onschuldigen’ wonen die geen West-tv kunnen ontvangen, zit men zich zelfs aan het testbeeld te vergapen en moet Micha uitleggen wat Rudi Carrell bij die lopende band vol keukenmachines doet.
Sonnenallee is het sprankelende filmdebuut van de Oost-Duitse theaterregisseur Leander Haussmann en de Wende-auteur Thomas Brussig, die in 1995 furore maakte met zijn roman Helden wie wir. Ze hebben de kunstmatigheid van hun locatie aan de Muur benadrukt door de scènes haast choreografisch te componeren, met veel gebruik van namaakhippe kleding en maffe muziek uit de seventies en spontane dansjes op straat. Hun East Side Story swingt dat het een lieve lust is. De oudere kijker zal in de film bovendien een parodie zien op de bordkartonnen DDR-musicals uit de jaren zestig, met zijn sukkelige Bromsnor van de Volkspolizei en zijn groepje te jonge moeders achter de kinderwagen. Men trouwde jong in de DDR, een superburgerlijke staat die gehuwden vele privileges gaf.
Het is 7 oktober 1999, de dag dat de DDR vijftig jaar zou hebben bestaan. Het Erfurter echtpaar Müller en hun twee vriendinnen konden, net als ik, op de valreep een kaartje bemachtigen voor de eerste avondvoorstelling van Sonnenallee in de bioscoop die nu weer Ufa-Palast heet. Ze zijn stomverbaasd te horen dat de Sonnenallee geen fantasie is van scenarist Thomas Brussig, maar een straat die echt bestaat. Het is een brede weg van enkele kilometers in de West-Berlijnse wijk Neukölln en nog enkele meters in de Oost-Berlijnse wijk Treptow. Übergang Sonnenallee für Westberliner staat bij de Muur vermeld op een stadsplattegrond van voor de Wende, met een getekend verkeersbordje erbij dat eenrichtingsverkeer aangeeft. 'Berlijn had voor ons een vieze smaak, daar kwam je niet graag’, legt meneer Müller (45) uit. 'De hoofdstad representeerde de macht alsmede de chocolademelk die hier in Thüringen werd gemaakt, maar doorgaans slechts daar te koop was. Weet je waarom de bananen krom zijn? Omdat ze met zo'n grote boog om de DDR heen gingen. Je probeerde hooguit naar Berlijn te komen wanneer bekend was dat daar zo'n zeldzame partij bananen was gesignaleerd.’ De Müllers en hun vrienden zijn zeer gecharmeerd van Sonnenallee, van de nestwarmte die de film uitstraalt én van de tot in het absurde uitvergrote cynische grappen. Mevrouw Müller: 'Ik hoop dat de film ook in het Westen aanslaat. Zien ze dat wij gevoel voor humor hebben. Overlevingshumor levert altijd de beste grappen op.’
Ik vraag ze een grap toe te lichten die me ontging, een waarbij de hele zaal dubbel lag. Micha’s moeder haalt de as van de bezweken oom Ernst met een valse pas uit West-Berlijn en smokkelt die in een koffieblik naar Oost-Berlijn. 'Die scène verwijst naar een bekende Witz. Een DDR-burger heeft een West-pakket gekregen. Er zit een blik bij met poeder. Hij probeert er koffie van te maken, maar dat smaakt niet best. Hij doet het in de soep - bah. Na een maand wordt de brief bezorgd die bij het pakket hoorde: het betreft de as van een tante uit Amerika.’
Op 9 november, de dag dat de val van de Muur tien jaar oud is, gaat de filmversie van Thomas Brussigs Helden wie wir in première. Een Stasi-zoon probeert zijn gehate vader te evenaren in aangepast gedrag, om uiteindelijk met zijn pik de ondergang van de DDR te bewerkstelligen. De film wordt voorafgaand aan Sonnenallee aangekondigd. Honecker spreekt de kijker toe vanaf een zonovergoten Cubaans strand. 'Er worden louter leugens verkondigd rond de zogenaamde val van de Muur. Ten eerste ben ik niet dood…’ Er zit weer leven in de Duitse film.